Overige  

IEF 23529

Dropshipping via Bol.com: betaling terecht opgeschort na verkoop van mogelijke namaakproducten

Rechtbank Midden-Nederland 15 apr 2026, IEF 23529; ECLI:NL:RBMNE:2026:1895 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/dropshipping-via-bol-com-betaling-terecht-opgeschort-na-verkoop-van-mogelijke-namaakproducten

Rb. Midden-Nederland 15 april 2026, IEF 23529; RB 4006; ECLI:NL:RBMNE:2026:1895 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de kantonrechter over een geschil tussen partijen die samen via een Bol.com-account producten verkochten op basis van een dropshipping-constructie. Partijen waren overeengekomen dat 20% van de winst aan de accounthouder ([gedaagde]) toekwam en 80% aan [eiseres]. [eiseres] vordert uitbetaling van haar winstdeel van ruim €6.000. De kantonrechter wijst de vordering af. Hoewel [gedaagde] erkent dat hij in beginsel een deel van de opbrengst moet afdragen, mocht hij de betaling opschorten.

IEF 23518

A-G: registratie persoonsgegevens door ING in IVR en Gebeurtenissenadministratie niet in strijd met AVG

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23518; ECLI:NL:PHR:2026:435 ([eiser] tegen ING), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/a-g-registratie-persoonsgegevens-door-ing-in-ivr-en-gebeurtenissenadministratie-niet-in-strijd-met-avg

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23518; IT 5249; ECLI:NL:PHR:2026:435 ([eiser] tegen ING). Deze conclusie van A-G Drijber (zitting 24 april 2026) betreft een geschil tussen een ondernemer (eiser) en ING over de verwerking van zijn persoonsgegevens in de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR) van ING. ING had de zakelijke bankrelatie beëindigd omdat zij onvoldoende kon uitsluiten dat eisers cashgelden betrokken waren bij heling, witwassen en andere criminele activiteiten, mede vanwege het ontbreken van een adequate inkoopadministratie en schending van de registratieplicht ex art. 437 Sr. Eiser vorderde verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het IVR en de Gebeurtenissenadministratie. Zowel de rechtbank als het hof wezen de vorderingen af. Het hof oordeelde dat de geregistreerde gegevens geen strafrechtelijke persoonsgegevens zijn in de zin van art. 10 AVG, de vastgelegde feiten en omstandigheden (grote cashuitgaven zonder verantwoording, het ontbreken van een adequate boekhouding en onvoldoende maatregelen om betrokkenheid bij strafbare feiten uit te sluiten) kunnen geen bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv dragen, en dat de verwerking een gerechtvaardigd doel dient op grond van art. 6 lid 1 onder f AVG (waarborging van de veiligheid en integriteit van de financiële sector, mede gelet op de Wwft-verplichtingen van ING), dat de persoonsgegevens uitsluitend intern toegankelijk zijn, dat eiser niet in zijn toegang tot financiële diensten elders is belemmerd, en dat de aantekening een correcte weergave vormt van de redenen voor de beëindiging van de bankrelatie.

IEF 23516

A-G: geen gegronde reden voor merkinbreuk bij verkoop HP-cartridges zonder buitenverpakking, wel informatieplicht over mogelijke ouderdom

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/a-g-geen-gegronde-reden-voor-merkinbreuk-bij-verkoop-hp-cartridges-zonder-buitenverpakking-wel-informatieplicht-over-mogelijke-ouderdom

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR). Deze conclusie van A-G Van Peursem (zitting 24 april 2026) betreft een kort geding tussen HP en Digital Revolution/123inkt over originele, ongebruikte HP-inkt- en lasercartridges die zonder originele buitenverpakking werden aangeboden, aanvankelijk als "milieuverpakking" en sinds 2023 als "milieuproduct". De cartridges waren afkomstig uit retouren, recyclebedrijven of opkopers, konden 10 tot 17 jaar oud zijn en werden verkocht tegen de prijs van nieuwe cartridges. HP vorderde een verbod op grond van merkinbreuk ex art. 9 lid 2 onder a jo. art. 15 lid 2 UMVo, de uitzondering op de uitputtingsregel wegens gegronde redenen, alsmede op grond van onrechtmatige daad, meer in het bijzonder oneerlijke of misleidende handelspraktijken (art. 6:193a-j BW) en misleidende of ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194 en 6:194a BW). De voorzieningenrechter achtte merkinbreuk aannemelijk en wees vordering I toe, maar het hof oordeelde dat HP geen gegronde redenen had in de zin van art. 15 lid 2 UMVo en vernietigde het vonnis op dat punt. Wel achtte het hof het handelen van DR B.V. deels misleidend ex art. 6:193c lid 1 onder b BW: door de cartridges, die niet alleen uit retouren maar ook uit recyclebakken of opkoop konden stammen en meerdere jaren, soms meer dan tien jaar, oud konden zijn, als nieuw en voor de nieuwprijs aan te bieden zonder die ouderdom te vermelden, verstrekte DR misleidende informatie over de fabricagedatum, waardoor de consument vermoedelijk een aankoopbeslissing nam die hij anders niet had genomen. Dit verbod werd uitsluitend toegewezen ten gunste van HP Europe B.V. en HP Nederland B.V., die als concurrenten van DR B.V. vorderingsgerechtigd zijn; HP Inc. en HPDC staan niet in een concurrentieverhouding tot DR B.V.

IEF 23501

Gerecht EU: registratie van “Irish Grass Fed Beef” als BGA blijft in stand ondanks discussie over nationale oppositieprocedure

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026, IEF 23501; ECLI:EU:T:2026:255 (Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen European Commission), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-eu-registratie-van-irish-grass-fed-beef-als-bga-blijft-in-stand-ondanks-discussie-over-nationale-oppositieprocedure

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23501; 4201; ECLI:EU:T:2026:255 (Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen European Commission). Het Gerecht verwerpt het beroep van de Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2666, waarbij “Irish Grass Fed Beef” als beschermde geografische aanduiding is geregistreerd. De oorspronkelijke aanvraag was in 2020 door An Bord Bia ingediend namens Ierland en had aanvankelijk betrekking op rundvlees uit Ierland. De Ierse landbouworganisatie had in de nationale Ierse oppositieprocedure bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar werd afgewezen. Nadat de aanvraag op EU-niveau was gepubliceerd, diende het Verenigd Koninkrijk een ontvankelijke oppositie in, onder meer omdat het betrokken rundvlees ook in Noord-Ierland wordt geproduceerd en de term “Irish” historisch ook op producten uit dat gebied betrekking kan hebben. Na overleg tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk werd de productspecificatie substantieel gewijzigd, met name doordat het beschermde geografische gebied werd uitgebreid tot Noord-Ierland. De Commissie onderzocht de gewijzigde aanvraag opnieuw, publiceerde deze opnieuw in het Publicatieblad en registreerde de naam nadat op EU-niveau geen nieuwe oppositie was ingediend. De Ierse organisatie stelde vervolgens dat zij door de Commissie had moeten worden gehoord, dat de gewijzigde aanvraag als een nieuwe of gezamenlijke aanvraag had moeten worden behandeld, dat artikel 4 van Gedelegeerde Verordening 664/2014 was geschonden, dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur had miskend en, subsidiair, dat Verordening 1151/2012 onrechtmatig was voor zover die geen effectieve participatie mogelijk zou maken.

IEF 23498

Uitspraak ingezonden door Charissa Koster, DayOne Legal

Rb. Amsterdam: vermelding naam, strafrechtelijke antecedenten en familiebanden in De Limburger niet onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 15 apr 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-amsterdam-vermelding-naam-strafrechtelijke-antecedenten-en-familiebanden-in-de-limburger-niet-onrechtmatig

Rb. Amsterdam 15 april 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt in kort geding dat De Limburger niet onrechtmatig heeft gehandeld door in twee online artikelen uit 2022 en 2026 de eiser met naam en toenaam te noemen en daarbij te verwijzen naar zijn strafrechtelijke antecedenten, eerdere witwasverdenking, zijn in 2012 geliquideerde broer en, in het artikel uit 2022, zijn vroegere zakelijke banden met een vastgoedondernemer die volgens justitie betrokken zou zijn bij witwaspraktijken. Het eerste artikel ging over de integriteit van het openbaar bestuur, meer specifiek over een private investering van een topman van het Limburgs Energiefonds in een omstreden vakantiepark van de familie van eiser. Het tweede artikel ging over de verlening van een exploitatievergunning voor datzelfde vakantiepark ondanks een deels negatief Bibob-advies. Volgens de voorzieningenrechter raken beide publicaties daarmee aan kwesties van algemeen belang en had Mediahuis voldoende toegelicht waarom ook de rol en achtergrond van eiser in die context journalistiek relevant waren. Daarbij weegt mee dat eiser de juistheid van de in de artikelen genoemde feiten niet betwistte.

IEF 23471

Samenwerking eventtechbedrijven: Amplify geen product van de samenwerking dus geen onrechtmatige toe-eigening of onrechtmatige concurrentie

Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026, IEF 23471; ECLI:NL:RBAMS:2026:3311 (Howler tegen Woov), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/samenwerking-eventtechbedrijven-amplify-geen-product-van-de-samenwerking-dus-geen-onrechtmatige-toe-eigening-of-onrechtmatige-concurrentie

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23471; IT 5204; ECLI:NL:RBAMS:2026:3311 (Howler tegen Woov). De Rechtbank Amsterdam wijst alle vorderingen van Howler af in haar geschil met Woov over de najaar 2022 gestarte samenwerking, die zag op de integratie van Howlers ticketing- en cashlessdiensten in de bestaande Woov-app en op het toewerken naar een mogelijke fusie. Volgens Howler had Woov het huidige product Amplify onrechtmatig aan de samenwerking onttrokken, omdat dit product door en voor de samenwerking zou zijn ontwikkeld en daarom als gezamenlijke corporate opportunity moest worden beschouwd. De rechtbank volgt dat niet. Zij oordeelt dat uit de Partnership Agreement niet blijkt dat partijen waren overeengekomen om naast de integratie van bestaande diensten ook een geheel nieuw product te ontwikkelen. Verder heeft Woov volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij Amplify zelfstandig buiten de samenwerking om heeft ontwikkeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat Woov Amplify in juni 2023 als nieuwe propositie aan Howler presenteerde, dat partijen contractueel hadden vastgelegd dat intellectuele eigendom toekomt aan de partij die het desbetreffende product ontwikkelt, en dat in de EPA Term Sheet 2023 uitdrukkelijk is opgenomen dat alle IP op Amplify en Woov-diensten bij Woov ligt. Ook de door Howler betaalde exclusiviteitsvergoeding bewijst volgens de rechtbank niet dat Howler aan de ontwikkeling van Amplify heeft meebetaald, omdat die vergoeding zag op de afgesproken samenwerkingsdiensten, met name de integratie, en niet op de ontwikkeling van een nieuw product. De rechtbank oordeelt bovendien dat Amplify wezenlijk verschilt van de geïntegreerde Woov-app: Amplify is een AI-gedreven enterprise product, technologisch anders ingericht, agnostisch ten aanzien van ticketing- en cashlessaanbieders en alleen op de zakelijke markt gericht. Dat Amplify tijdens de samenwerking en in het kader van de fusiebesprekingen aan klanten en aandeelhouders is gepresenteerd, maakt het nog niet tot een product van de samenwerking, nu de rechtbank nadrukkelijk onderscheid maakt tussen de contractuele samenwerking en het parallelle fusietraject. Daarom is geen sprake van onrechtmatige toe-eigening.

IEF 23465

Uitingen van fan op sociale media vallen binnen vrijheid van meningsuiting

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026, IEF 23465; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/uitingen-van-fan-op-sociale-media-vallen-binnen-vrijheid-van-meningsuiting

Rb. Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23465; IT 5201; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen van een Australische singer-songwriter tegen een Nederlandse fan af. Partijen hebben gedurende ongeveer 2,5 jaar een persoonlijke relatie gehad, die in het najaar van 2025 definitief eindigde. Nadat de artiest op 30 oktober 2025 op Instagram had gereageerd op beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag jegens jonge vrouwelijke fans, plaatste de fan berichten op Instagram, TikTok en YouTube over haar ervaringen. De artiest vorderde in kort geding onder meer een verbod op uitlatingen waarin hij volgens hem werd beschuldigd van verkrachting, mishandeling, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, alsmede verwijdering van berichten, een contactverbod, rectificatie en een auteursrechtelijk verbod met betrekking tot niet-uitgebrachte muziek. De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden afgewogen tussen het recht van de fan op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM en de belangen van de artiest bij bescherming van zijn eer, goede naam en privacy. Alleen als de uitingen onrechtmatig zijn in de zin van art. 6:162 BW, kan die vrijheid worden beperkt. Daarbij geldt dat ook uitingen die beledigen, choqueren of verontrusten onder de bescherming van art. 10 EVRM kunnen vallen.

IEF 23466

Uitspraak ingezonden door Otto Swens, Vondst Advocaten.

Parallelhandel en concernrelaties: het CBG verduidelijkt de uitleg van het begrip ‘gelieerdheid’

Overig 27 mrt 2026, IEF 23466; VE/4494182 ([bezwaarmaker] tegen het College), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/parallelhandel-en-concernrelaties-het-cbg-verduidelijkt-de-uitleg-van-het-begrip-gelieerdheid

CBG 27 maart 2026, LS&R 2377, VE/4494182, ([bezwaarmaker] tegen het College). In een beslissing op bezwaar van 27 maart 2026 heeft het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) een eerder verleende parallelhandelsvergunning voor pethidine HCl injectie herroepen. De bezwaarprocedure was aangespannen door een (potentiële) concurrent. Het CBG verklaart het bezwaar gegrond en trekt de parallelhandelsvergunning in, omdat de parallelimporteur – via concernstructuur en/of concerted practices – te nauw gelieerd is aan de handelsvergunninghouder (MAH) in het land van herkomst. Volgens het CBG stond daarmee de parallelimportroute (art. 48 Geneesmiddelenwet) niet open en had in de plaats daarvan de Mutual Recognition Procedure (MRP) moeten worden gevolgd. Aansluitend bij vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Cbb) bevestigt het CBG dat een concurrent als belanghebbende kan worden aangemerkt wanneer deze actief is in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied. Het CBG trekt deze lijn expliciet door naar potentiële concurrenten. Beslissend is niet of reeds schade is geleden, maar of het risico daarop aannemelijk is. Het CBG acht daarvoor voldoende dat de bezwaarmaker concrete plannen heeft om de markt te betreden en met de uitvoering daarvan is begonnen. Onzekere toekomstige gebeurtenissen staan belanghebbendheid niet in de weg, mits deze voldoende concreet zijn en er sprake is van een begin van besluitvorming, alvorens bezwaar wordt ingediend. In de voorliggende zaak werd dat begin onder meer aangenomen op basis van procedurele stappen gericht op het verkrijgen van een eigen handelsvergunning. De inhoudelijke kern van de beslissing betreft de vraag of de parallelhandelsvergunning überhaupt gevalideerd en vergund had mogen worden. Op grond van de Notice to Applicants en het beleidsdocument MEB 14 is parallelimport uitgesloten wanneer de importeur dezelfde is als, of gelieerd is aan, de MAH in het land van herkomst. In dergelijke gevallen dient, met het oog op Europese harmonisatie, de MRP-route te worden gevolgd. Het CBG geeft aan dit begrip ‘gelieerdheid’ een functionele, Europeesrechtelijke invulling. Onder verwijzing naar het ondernemingsbegrip uit het mededingingsrecht wordt beoordeeld of sprake is van één economische eenheid. Daarvoor is juridische zelfstandigheid niet doorslaggevend; bepalend is de feitelijke economische verwevenheid tussen de betrokken partijen.

IEF 23445

Prejudiciële vraag gesteld over het bewaren van persoonsgegevens door telecommunicatiediensten

HvJ EU 20 nov 2025, IEF 23445; C-741/25 (MR tegen TM), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/prejudiciele-vraag-gesteld-over-het-bewaren-van-persoonsgegevens-door-telecommunicatiediensten

Prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU 20 november 2026, IEF 23445; IT 5184; IEFbe 4176; C-741/25 (MR tegen TM) via MinBuza. In Polen is in november 2024 een regeling in werking getreden die telecommunicatieondernemingen verplicht om de gegevens van de gebruikers van hun netwerken te bewaren en op te slaan. De nationale regelgeving legt geen beperkingen op ten aanzien van de personen op wie deze maatregelen betrekking hebben. Op grond van het Unierecht mag alleen in bijzondere gevallen worden vastgesteld waarom de bescherming van persoonsgegevens speciaal moet worden beperkt. De verwijzende rechter vraagt zich daarom af of de nationale regeling in strijd is met richtlijn 2002/68 en met diverse bepalingen van het Handvest.

IEF 23440

Totaalverbod op online kansspelen niet in strijd met art. 56 VWEU; afwijzing vordering tot rectificatie van OM-persbericht

Hof Den Haag 10 mrt 2026, IEF 23440; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/totaalverbod-op-online-kansspelen-niet-in-strijd-met-art-56-vweu-afwijzing-vordering-tot-rectificatie-van-om-persbericht

Hof Den Haag 10 maart 2026, IEF 23440; IT 5179; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.). In deze civiele hogerberoepszaak stonden appellanten, onder wie natuurlijke personen en vennootschappen die tussen 2007 en 2014 belangen hielden in vennootschappen die vanuit Malta online kansspelen aanboden, tegenover de Staat en de Kansspelautoriteit. Zij vorderden onder meer een verklaring voor recht dat het in de relevante periode geldende Nederlandse totaalverbod op het aanbieden van online kansspelen in strijd was met art. 56 VWEU, dat het daarop gebaseerde optreden van de Staat en de Kansspelautoriteit onrechtmatig was, schadevergoeding op te maken bij staat, een bevel om de gestelde Unierechtelijke inbreuk te staken en rectificatie van een OM-persbericht van 24 juni 2021. Het hof verwerpt eerst het ontvankelijkheidsverweer van de Staat c.s. en oordeelt dat in elk geval de appellanten die geen verdachten zijn voldoende belang hebben bij hun schadevorderingen, terwijl daarnaast ook voldoende belang bestaat bij de rectificatievordering. Inhoudelijk stelt het hof voorop dat het totaalverbod op online kansspelen weliswaar een beperking vormt van het vrij verkeer van diensten, maar dat die beperking gerechtvaardigd kan zijn door dwingende redenen van algemeen belang, zoals consumentenbescherming en fraudebestrijding. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie benadrukt het hof dat lidstaten op het terrein van kansspelen, en in het bijzonder online kansspelen, over een ruime beoordelingsmarge beschikken. Een algemeen verbod op online kansspelen kan daarom in beginsel een geschikte maatregel zijn, juist gelet op de specifieke risico’s van online aanbod, zoals anonimiteit, permanente toegankelijkheid en verhoogde risico’s op fraude en gokverslaving. Het hof verwerpt vervolgens ook het betoog dat het verbod wegens beperkte effectiviteit, beperkte uitzonderingen binnen het gereguleerde aanbod of het latere vergunningstelsel van de Wet kansspelen op afstand zijn samenhang of geschiktheid had verloren. Volgens het hof verlangt het Unierecht niet dat steeds de meest effectieve of minst vergaande maatregel wordt gekozen, en evenmin dat de feitelijke effectiviteit van een verbod beslissend is voor de Unierechtelijke toelaatbaarheid ervan.