IEF 23325
5 maart 2026
Uitspraak

Rb. Amsterdam: digitale exploitatie door Armada geen derdenlicentie; opzegging per 1 juli 2026 geldig

 
IEF 23323
5 maart 2026
Uitspraak

Rb. Amsterdam: geen verbod op handelsnaam Hotelgiftcard ondanks grote gelijkenis met Hotelgift

 
IEF 23322
5 maart 2026
Uitspraak

Geen proportionele billijke vergoeding voor Amerikaanse filmmakers onder art. 45d Aw

 
IEF 23325

Uitspraak ingezonden door Bjorn Schipper, Plus One Legal.

Rb. Amsterdam: digitale exploitatie door Armada geen derdenlicentie; opzegging per 1 juli 2026 geldig

Rechtbank Amsterdam 4 mrt 2026, IEF 23325; C/13/764572 (eiser tegen Armada), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-amsterdam-digitale-exploitatie-door-armada-geen-derdenlicentie-opzegging-per-1-juli-2026-geldig

Rb. Amsterdam 4 maart 2026, IEF 23325; C/13/764572 / HA ZO 25-424 (eiser tegen Armada). De Rechtbank Amsterdam beslist in een geschil tussen een artiest/producer en Armada Music B.V. over de vraag welke royalty geldt voor digitale exploitatie (met name streaming en downloads) van muziekopnames waarop oude titelovereenkomsten zien (oorspronkelijk met United Recordings, later via Cloud 9 en sinds 2018 bij Armada). De artiest stelde dat streaming/downloads moeten worden gezien als licentieverlening aan derden (platforms als Spotify/Apple e.d.), waardoor op grond van bepalingen over “third party income” een 50%-vergoeding over netto-inkomsten verschuldigd zou zijn. De rechtbank volgt dat niet. Met toepassing van de Haviltex-maatstaf oordeelt zij dat de 50%-bepalingen bedoeld zijn voor specifieke situaties waarin de platenmaatschappij de exploitatie (gedeeltelijk) uit handen geeft aan een licentienemer (bijv. een buitenlands label voor een bepaald territorium) en zelf slechts een deel van de exploitatie-inkomsten ontvangt. Digitale exploitatie via online platforms kwalificeert hier als exploitatie door de platenmaatschappij zelf via moderne distributiekanalen; dat daarbij technisch/juridisch afspraken met platforms worden gemaakt, maakt dit niet tot de bedoelde “derdenlicentie”. Bovendien weegt mee dat jarenlang royalty-afrekeningen zijn verstrekt waarin digitale inkomsten apart waren opgenomen en waartegen de artiest lange tijd geen bezwaar maakte; onder de Cloud 9-overeenkomsten is digitale exploitatie bovendien expliciet geregeld met lagere percentages dan fysiek.

IEF 23323

Uitspraak ingezonden door Jesper Vrielink, Jeroen Boelens en Susanne Bijvank, CMS.

Rb. Amsterdam: geen verbod op handelsnaam Hotelgiftcard ondanks grote gelijkenis met Hotelgift

Rechtbank Amsterdam 26 feb 2026, IEF 23323; C/13/782572 (Experiencegift tegen Hotelgiftcard), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-amsterdam-geen-verbod-op-handelsnaam-hotelgiftcard-ondanks-grote-gelijkenis-met-hotelgift

Rb. Amsterdam 26 februari 2026, IEF 23323; C/13/782572 / KG ZA 26-70 MK/JD (Experiencegift tegen Hotelgiftcard). In dit kort geding vorderde Experiencegift een verbod op het gebruik van de handelsnamen HOTELGIFTCARD en HOTELGIFTCARD.COM, overdracht van de domeinnaam hotelgiftcard.com en nevenvoorzieningen, omdat Hotelgiftcard.com volgens haar inbreuk maakte op haar oudere handelsnaam Hotelgift in de zin van artikel 5 Handelsnaamwet en daarnaast onrechtmatig handelde. De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden beoordeeld onder welke naam partijen hun onderneming daadwerkelijk drijven, of de namen slechts in geringe mate van elkaar afwijken en of daardoor, gelet op de aard van de ondernemingen, hun vestigingsplaats en alle overige omstandigheden, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is. De rechter acht voldoende aannemelijk dat Experiencegift haar onderneming mede onder de naam Hotelgift drijft, ook al gebruikt zij die naam niet steeds eenduidig en soms ook als productaanduiding. Eveneens acht de rechter niet aannemelijk dat de wederpartij uitsluitend de naam Hotelgiftcard.com voert: in het normale taalgebruik wordt ook Hotelgiftcard gebruikt, terwijl de toevoeging “.com” vrijwel geen onderscheidend vermogen toevoegt. Vervolgens oordeelt de rechter dat Hotelgift en Hotelgiftcard slechts gering van elkaar afwijken, omdat het element “card” in deze context, beide ondernemingen verkopen hotelcadeaukaarten, nauwelijks onderscheidend is.

IEF 23322

Uitspraak ingezonden door Peter Teunissen, Radboud Universiteit.

Geen proportionele billijke vergoeding voor Amerikaanse filmmakers onder art. 45d Aw

Rechtbank Midden-Nederland 4 mrt 2026, IEF 23322; ECLI:NL:RBMNE:2026:558 (DGA c.s. tegen Ziggo), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/geen-proportionele-billijke-vergoeding-voor-amerikaanse-filmmakers-onder-art-45d-aw

Rb Midden-Nederland 4 maart 2026, IEF 23322; ECLI:NL:RBMNE:2026:558 (DGA c.s. tegen Ziggo). Deze zaak betreft een vordering van Amerikaanse regisseurs- en schrijversgilden (DGA c.s. en WGAW c.s.), die namens duizenden Amerikaanse filmmakers stellen dat zij als makers aanspraak hebben op de proportionele billijke vergoeding van art. 45d lid 2 Auteurswet voor de uitzending van hun films door Ziggo in Nederland. Deze vergoeding is ingevoerd per 1 juli 2015 en is volgens de rechtbank in de plaats gekomen van de vroegere kabeldoorgiftevergoeding, die is vervallen door het verdwijnen van de kabeltelevisie. DGA c.s. betogen dat de betrokken regisseurs en scenaristen, ook al worden hun bijdragen in de Verenigde Staten veelal als work made for hire (WMFH) aangemerkt, naar Nederlands en Unierechtelijk begrip als feitelijke makers moeten gelden en dat zij hun exploitatierechten aan de producent hebben overgedragen, zodat aan de voorwaarden van art. 45d Aw is voldaan. In de overgelegde Minimum Basic Agreements en standaardcontracten is echter bepaald dat de producent in twee situaties, bij arbeid in dienstverband of bij specifiek opgedragen werk met een expliciete WMFH-clausule, als maker en auteursrechthebbende geldt. Alleen voor het geval een bijdrage onder Amerikaans recht toch niet als WMFH zou kwalificeren, bevatten de contracten een vangnetbepaling waarbij rechten alsnog aan de producent worden overgedragen.

IEF 23320

Artikel geschreven door J.R. Torenbosch. 

Het Mio-arrest: PW = EIS ≠ EOK&PS - J.R. Torenbosch

J.R. Torenbosch[1]

IER 2026/3

1.  Inleiding

De bal in de gevoegde zaken Mio en Konektra (kortweg: het Mio-arrest, raadpleegbaar in dit nummer, IER 2026/1 en IER 2026/4) begint te rollen als op 21 september 2023 het Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg voor IE-zaken in Zweden) in de Mio-zaak prejudiciele vragen aan het HvJ EU stelt. Volgens de Zweedse rechter is namelijk onduidelijk hoe moet worden vastgesteld of een gebruiksvoorwerp blijk geeft van creatieve keuzes en welke factoren daarbij in aanmerking mogen worden genomen. Allereerst vraagt de Zweedse rechter of het scheppingsproces of het gebruiksvoorwerp zelf als uitgangspunt moet worden genomen voor de beoordeling of sprake is van een eigen intellectuele schepping van de auteur. Ten tweede vraagt de Zweedse rechter in wezen naar de relevantie van het vormgevingserfgoed. Meer concreet vraagt de Zweedse rechter of het relevant is dat i) de auteur gebruik maakt van reeds beschikbare vormen, ii) zich heeft laten inspireren door bestaande voorwerpen en iii) de mogelijkheid dat soort gelijke voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd. Tot slot vraagt de Zweedse rechter welk criterium moet worden gehanteerd voor het vaststellen van auteursrechtinbreuk en hoe de beschermingsomvang van een werk moet worden vastgesteld.

Een klein half jaar later stelt ook het Duitse Bundesgerichthof (BGH) in de zaak Konektra prejudiciële vragen die raken aan de kern van het auteursrecht. Ten eerste vraagt het BGH of er een regel-uitzondering-relatie bestaat tussen modelrechtelijke en auteursrechtelijke bescherming in die zin dat voor gebruiksvoorwerpen hogere eisen moeten worden gesteld voor bescherming dan die gelden voor andere soorten voorwerpen. Ten tweede legt het BGH in lockstep met de Zweedse rechter voor of bij de beoordeling van oorspronkelijkheid bij gebruiksvoorwerpen, (mede) moet worden uitgegaan van het scheppingsproces. Ten derde en tot slot vraagt het BGH naar de relevantie van factoren die zich ná het moment van het scheppen van een voorwerp hebben voorgedaan, zoals de presentatie in kunsttentoonstellingen of musea of de erkenning ervan in vakkringen.

In dit artikel sta ik uitgebreid stil bij het Mio-arrest. Ik vat in paragraaf 2 eerst kort het arrest samen. Vervolgens ga ik in paragraaf 3 in op de vereisten voor auteursrechtelijke bescherming van gebruiksvoorwerpen en in paragraaf 4 op enige onduidelijkheid die het Mio-arrest hieromtrent schept. Daarna ga ik in paragraaf 5 dieper in op de vraag wat het Mio-arrest betekent voor de inhoud van het geharmoniseerde werkbegrip c.q. de (hoogte van de) lat van het aannemen van oorspronkelijkheid. In paragraaf 6 bespreek ik tot slot de door het HvJ EU geformuleerde inbreuktoets. Ik sluit af met een conclusie in paragraaf 7.

[1] Mr. dr. J.R. (Jorn) Torenbosch is universitair docent aan de Universiteit van Utrecht en redactielid van dit blad.

IEF 23321

Gerecht bevestigt weigering van Pol’s FREEZE FRESH wegens reputatie van PAUL

Gerecht EU (voorheen GvEA) 4 mrt 2026, IEF 23321; ECLI:EU:T:2026:169 (Pols Erm Tarim Anonim Sirketi tegen EUIPO en Holder SAS), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-pol-s-freeze-fresh-wegens-reputatie-van-paul

Gerecht EU 4 maart 2026, IEF 23321; IEFbe 4115; ECLI:EU:T:2026:169 (Pols Erm Tarim Anonim Sirketi tegen EUIPO en Holder SAS). Het Gerecht heeft het beroep van Pols Erm Tarim Anonim Sirketi volledig verworpen en daarmee in stand gelaten dat het Uniemerk Pol’s FREEZE FRESH voor het grootste deel van de betrokken waren niet kan worden ingeschreven. Het geschil draaide uiteindelijk niet om verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b, UMVo, maar om de ruimere reputatiebescherming van artikel 8, lid 5, UMVo. Alleen voor “live animals, organisms for breeding” in klasse 31 had de kamer van beroep de oppositie al afgewezen; voor de overige waren in de klassen 29, 30, 31 en 32 bleef de oppositie dus overeind. Het Gerecht oordeelde bovendien dat het niet bevoegd is EUIPO op te dragen de oppositie opnieuw te onderzoeken. Voor de inhoudelijke beoordeling nam het Gerecht alleen het oudere merk PAUL depuis 1889 als uitgangspunt, omdat de reputatie van PAUL LE CAFE niet was aangetoond. Volgens het Gerecht heeft PAUL in het oudere merk een normaal onderscheidend vermogen, terwijl “freeze fresh” voor de betrokken levensmiddelen en dranken beschrijvend of niet-onderscheidend is en “pol’s” het meest onderscheidende element van het aangevraagde merk vormt.

IEF 23319

Artikel geschreven door Christopher Cats, Holla.

Waar eindigt de mens en begint de machine?

Christopher Cats, 3 maart 2026.

In deze zaak kreeg het Amtsgericht München de vraag voorgelegd hoe auteursrechtelijke bescherming moet worden toegepast op AI‑gegenereerde content. Waar mijn collega Luuk Jonker eerder schreef over AI‑gegenereerde songteksten, richt deze nieuwe zaak zich op iets visueels: drie door AI gemaakte logo’s.

De grens tussen mens en machine

Het Amtsgericht München oordeelde op 13 februari 2026 dat deze logo’s géén auteursrechtelijke bescherming genieten. Interessant is vooral hoe het Amtsgericht München een grens probeert te trekken tussen “handwerk van de mens” en “output van een model”, en hoeveel prompting (lees: instructies aan het AI-model) nodig is om überhaupt over een werk in auteursrechtelijke zin te kunnen spreken.

De zaak

Eiser maakte drie logo’s met behulp van generatieve AI, namelijk:

  • een handdruk tussen twee personen met verschillende huidskleuren en een rinkelende bel;
  • een envelop voor een gebouw met zuilen;
  • een laptop met een boek en paragraafteken dat voor het scherm zweeft.

Eiser werkte met zowel eenvoudige als zeer gedetailleerde prompts en schaafde de gegenereerde resultaten verder bij via meerdere ‘iteraties’ (opeenvolgende rondes waarin hij de AI telkens nieuwe aanwijzingen gaf om de afbeelding stapsgewijs aan te passen). De logo’s gebruikte hij op zijn eigen website. De gedaagde, een bekende van eiser gebruikte dezelfde beelden op zijn eigen website met een (vermeende) auteursrechtelijke inbreuk als gevolg. Eiser stelt immers dat híj de maker was van drie auteursrechtelijk beschermde logo’s. 

Het Amtsgericht München begint bij de basis: om auteursrechtelijke bescherming te krijgen, moet er sprake zijn van een eigen intellectuele schepping waarin de persoonlijke creatieve keuzes van een mens tot uitdrukking komen. Dat criterium is helder wanneer een mens met pen, penseel of camera iets creëert, maar wordt diffuus zodra AI tussen maker en resultaat komt te staan. 

Precies daar ontstaat de kern van de discussie bij AI‑gegenereerde output: waar eindigt de autonomie van het model en waar begint de creatieve invloed van de mens?

Bij traditionele werken kan die creatieve invloed relatief eenvoudig worden herleid tot individuele keuzes. Volgens het Amtsgericht München moet bij AI‑output worden onderzocht of en in welke mate menselijke creatieve keuzes nog waarneembaar zijn terug te vinden in het uiteindelijke resultaat, ondanks het feit dat de feitelijke vormgeving door een autonoom systeem wordt gegenereerd. Het Amtsgericht München gebruikt dit uitgangspunt om scherp te kijken naar de rol van prompting. Prompts kunnen richting geven, maar zijn pas relevant voor het auteursrecht wanneer ze daadwerkelijk creatieve beslissingen afdwingen die zichtbaar doorwerken in de output. Zodra de AI zelf de inhoudelijke vormgeving bepaalt blijft de creatieve schepping in essentie autonoom aan het model, en ontbreekt de menselijke “stempel” die het auteursrecht vereist. 

IEF 23318

Hof: registratie in EVR en Incidentenregister mocht niet in stand blijven

Hof Amsterdam 17 feb 2026, IEF 23318; ECLI:NL:GHAMS:2026:459 (Zilveren Kruis tegen [geïntimeerden]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/hof-registratie-in-evr-en-incidentenregister-mocht-niet-in-stand-blijven

Hof Amsterdam 17 februari 2026, IEF 23318; ECLI:NL:GHAMS:2026:459 (Zilveren Kruis tegen [geïntimeerden]). Het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigt de beschikking van de rechtbank dat Zilveren Kruis de persoonsgegevens van een zorgaanbieder en haar bestuurder moet verwijderen uit het Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister (EVR). Zilveren Kruis had hen wegens vermeende fraude met pgb-zorgdeclaraties voor acht jaar geregistreerd, maar het hof oordeelt dat de aangevoerde feiten en omstandigheden daarvoor onvoldoende zwaarwegend zijn. Voor opname van strafrechtelijke persoonsgegevens in deze registers is meer nodig dan een redelijk vermoeden van schuld: de beschikbare gegevens moeten een zwaardere verdenking opleveren die een bewezenverklaring van bijvoorbeeld valsheid in geschrift of oplichting redelijkerwijs kan dragen. Aan die maatstaf is hier niet voldaan. De verklaringen van budgethouders waren daarvoor te wisselend en onvoldoende betrouwbaar, mede omdat het ging om kwetsbare personen en nader objectief onderzoek grotendeels uitbleef. Ook andere door Zilveren Kruis genoemde onregelmatigheden in overeenkomsten, declaraties en administratie leveren volgens het hof onvoldoende bewijs van fraude op.

IEF 23317

Rechtbank: JPS moet thuiskopievergoeding betalen en volledige opgave doen

Rechtbank Den Haag 18 feb 2026, IEF 23317; ECLI:NL:RBDHA:2026:3246 (Thuiskopie tegen JPS), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rechtbank-jps-moet-thuiskopievergoeding-betalen-en-volledige-opgave-doen

Rb. Den Haag 18 februari 2026, IEF 23317; ECLI:NL:RBDHA:2026:3246 (Thuiskopie tegen JPS). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Just Phone Sales (JPS) de volledige door Stichting de Thuiskopie gevorderde thuiskopievergoeding over 2019 tot en met 2024 moet betalen, in totaal € 346.555,30. Op grond van de artikelen 16c, 16f en 16ga Auteurswet is een importeur of verkoper van vergoedingsplichtige voorwerpen gehouden om opgave te doen en de verschuldigde vergoeding af te dragen. JPS erkende in beginsel dat zij onder die regeling viel, maar stelde dat een deel van de betalingsplicht was vervallen door export van geïmporteerde producten, dat zij recht had op restitutie voor in Nederland ingekochte en daarna uitgevoerde producten, en dat voor refurbished voorwerpen een lager tarief gold. De rechtbank verwerpt die verweren, omdat JPS onvoldoende heeft bewezen dat de gestelde exporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, dat die exporten deugdelijk aan importen of inkopen konden worden gekoppeld, en dat over de betrokken producten al thuiskopievergoeding was betaald. Ook het beroep op een lager refurbished-tarief is onvoldoende onderbouwd. De wettelijke rente wordt wel pas toegewezen vanaf de vervaldata van de facturen, omdat de betalingsverplichting wel bij invoer ontstaat, maar pas na opgave, facturering en het verstrijken van de betaaltermijn opeisbaar wordt.

IEF 23315

Billijke compensatie: mogen uitgevers meedelen in thuiskopie‑ en leenrechtvergoedingen?

HvJ EU 26 feb 2026, IEF 23315; ECLI:EU:C:2026:123 (Verwertungsgesellschaft Wort (VG Wort) tegen TL), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/billijke-compensatie-mogen-uitgevers-meedelen-in-thuiskopie-en-leenrechtvergoedingen

Conclusie A-G 26 februari 2026, IEF 23315; ECLI:EU:C:2026:123 (Verwertungsgesellschaft Wort (VG Wort) tegen TL). De zaak draait om de Duitse collectieve beheersorganisatie VG Wort, die vergoedingen int voor auteursrechtelijke en naburige rechten en deze uitkeert aan auteurs en andere rechthebbenden. Twee auteurs (TL en OS) zijn lid van VG Wort, hebben hun werken bij VG Wort aangemeld en jarenlang uitkeringen ontvangen; zij betwisten echter de interne verdeelsleutel, met name dat een deel van de geïnde vergoedingen niet rechtstreeks ten goede komt aan auteurs maar wordt gereserveerd voor andere doeleinden of voor andere rechthebbendencategorieën (zoals uitgevers) en voeren aan dat dit in strijd is met Unierechtelijke regels over de compensatie voor de thuiskopie‑ en leenrechtexcepties. In de nationale procedure vorderen zij dat de door VG Wort toegepaste verdeling en inhoudingen ongeldig worden verklaard en dat de hen toekomende vergoedingen volledig, zonder dergelijke inhoudingen of afvloeiing naar andere groepen, aan hen worden uitgekeerd. De Duitse Bundesgerichtshof twijfelt of het Unierecht toelaat dat een CBO de door de richtlijnen 2001/29 en 2006/115 vereiste compensatie/vergoeding niet volledig uitkeert aan de auteurs zelf maar (i) deels toewijst aan andere categorieën rechthebbenden (zoals uitgevers) en/of (ii) een deel reserveert of aanwendt voor bijvoorbeeld sociaal‑culturele of promotionele activiteiten, en legt daarom prejudiciële vragen voor over de uitlegging van onder meer artikel 2, lid 2, en artikel 5, lid 2, onder b, van richtlijn 2001/29, artikel 6 van richtlijn 2006/115 en artikel 4 en 12 van richtlijn 2014/26 (collectief beheer).

IEF 23316

Uitnodiging: Oranjeborrel INTA – Londen

De INTA is niet compleet zonder de inmiddels legendarische Oranjeborrel. Dit jaar strijken we neer in de Marlborough Arms om bij te praten, te lachen, nieuwe connecties te leggen en oude verhalen op te halen. Gewoon zoals het hoort: in een goede pub, met een gevuld glas in de hand.

Datum: 2 mei
Tijd: 17:00 uur – 21:00 uur
Locatie: Marlborough Arms, 36 Torrington Place, Bloomsbury

Er is één vereiste voor toegang: een Nederlands paspoort.

Meld je aan via oranjeborrel@epc.nl. Neem je collega's mee? Geef dan bij de aanmelding door met hoeveel personen je komt.

Tot ziens bij de Oranjeborrel 2026!

EP&C, Patent Attorneys

Hendrik Jan Brookhuis
Christiaan Houben
Jordi Kox