IEF 23376
20 maart 2026
Uitspraak

Negatieve recensies op social media van consument niet onrechtmatig

 
IEF 23380
20 maart 2026
Artikel

ART EXHIBITION - BEYOND REFLECTION

 
IEF 23377
20 maart 2026
Uitspraak

Beschrijvende handelsnaam mist onderscheidend vermogen, geen sprake van verwarringsgevaar

 
IEF 23376

Negatieve recensies op social media van consument niet onrechtmatig

Rechtbank Limburg 11 sep 2024, IEF 23376; ECLI:NL:RBLIM:2024:6062 (Beton Aparte tegen [gedaagde]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/negatieve-recensies-op-social-media-van-consument-niet-onrechtmatig

Rb. Limburg 11 september 2024, IEF 23376; IT 5147; ECLI:NL:RBLIM:2024:6062 (Beton Aparte tegen [gedaagde]). [gedaagde] plaatste negatieve recensies op onder meer Radar, Google en Yelp over betonproducten die volgens haar gebrekkig zijn, na blaasvorming en loslatende lagen kort na toepassing. Beton Aparte (de leverancier) weigert terugbetaling en stelt dat de schade het gevolg is van onjuiste verwerking. [gedaagde] laat herstelkosten begroten op circa € 4.000 en uit daarnaast kritiek op de communicatie van het bedrijf. Beton Aparte vordert een verklaring voor recht dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen, schadevergoeding wegens reputatie- en omzetverlies, verwijdering van recensies en rectificatie.

IEF 23380

ART EXHIBITION - BEYOND REFLECTION

Met plezier nodigen we je uit om samen het glas te heffen tijdens deze bijzondere midissage – een mooi moment om even stil te staan, te reflecteren en samen te komen rond de werken van Beyond Reflection van Brigitte Spiegeler.

Deze middag biedt een fijne gelegenheid om elkaar te ontmoeten in een exclusieve setting en het werk echt te ervaren. Laten we dit moment niet alleen zien als een mijlpaal binnen de tentoonstelling, maar vooral ook als een gezellig samenzijn om het werk samen te vieren in goed gezelschap.

IEF 23377

Beschrijvende handelsnaam mist onderscheidend vermogen, geen sprake van verwarringsgevaar

Rechtbank Amsterdam 26 feb 2026, IEF 23377; ECLI:NL:RBAMS:2026:2028 (Experiencegift tegen Hotelgiftcard), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/beschrijvende-handelsnaam-mist-onderscheidend-vermogen-geen-sprake-van-verwarringsgevaar

Rb. Amsterdam 26 februari 2026, IEF 23377; ECLI:NL:RBAMS:2026:2028 (Experiencegift tegen Hotelgiftcard). Experiencegift vordert in kort geding een verbod op het gebruik van de handelsnaam “Hotelgiftcard” door Hotelgiftcard, stellende dat deze naam verwarringwekkend overeenstemt met haar (oudere) handelsnaam “Hotelgift”. Beide ondernemingen bieden cadeaukaarten voor hotelovernachtingen aan. Daarnaast vordert Experiencegift overdracht van de domeinnaam en vergoeding van proceskosten. Hotelgiftcard voert verweer en stelt in reconventie onder meer dat Experiencegift onrechtmatig handelt door consumenten te betalen voor (positieve) reviews.

IEF 23360

Gerecht bevestigt dat ‘Mein Autohaus’ beschrijvend is voor een digitaal communicatieplatform

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23360; ECLI:EU:T:2026:147 (Loco-Soft Vertriebs GmbH tegen EUIPO), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-dat-mein-autohaus-beschrijvend-is-voor-een-digitaal-communicatieplatform

Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23360; IEFbe 4137; ECLI:EU:T:2026:147 (Loco-Soft Vertriebs GmbH tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor het woordmerk Mein Autohaus voor een dienst in klasse 42, omschreven als een platform as a service (PaaS) dat is uitgerust met technologie waarmee ondernemingen, organisaties en particulieren hun aanbod online kunnen presenteren en informatie en nieuws over hun activiteiten, producten en diensten aan onlinegebruikers kunnen doorgeven. De examinator had de aanvraag voor die dienst geweigerd op grond van artikel 7, lid 1, onder b en c, UMVo, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, UMVo, en de Kamer van Beroep had die weigering bevestigd. Het Gerecht toetst eerst de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder c, UMVo en laat de beslissing in stand. Het relevante publiek bestaat volgens het Gerecht uit zowel het grote publiek als ondernemingen en organisaties, dus mede uit een gespecialiseerd publiek. Voor de beoordeling is met name van belang hoe het Duitstalige publiek het teken begrijpt. Het Gerecht volgt de Kamer van Beroep in haar oordeel dat “Autohaus” in het Duits rechtstreeks verwijst naar een autodealer of autobedrijf en dat dit element, toegepast op de betrokken dienst, onmiddellijk doet denken aan een digitaal platform dat verband houdt met de activiteiten van een autodealer. De betrokken dienst sluit daar volgens het Gerecht rechtstreeks op aan, omdat zij is bedoeld om online aanbod en bedrijfsinformatie te communiceren en dus kan worden gebruikt binnen het typische bedrijfsmodel van een autodealer, met name ter ondersteuning of bevordering van de verkoop van voertuigen.

IEF 23359

Gerecht bevestigt weigering van figuratief merk met gebogen driehoek wegens gebrek aan onderscheidend vermogen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23359; ECLI:EU:T:2026:152 (Papstar GmbH tegen EUIPO), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-figuratief-merk-met-gebogen-driehoek-wegens-gebrek-aan-onderscheidend-vermogen

Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23359; IEFbe 4136; ECLI:EU:T:2026:152 (Papstar GmbH tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor een figuratief Uniemerk bestaande uit een zwarte driehoek met één licht bolle zijde, voor uiteenlopende producten in de klassen 4, 8, 16, 21, 25 en 28, waaronder kaarsen, bestek, verpakkingsmateriaal, servetten, rietjes, wegwerpservies, hygiënekleding en feestartikelen. De examinator had de aanvraag geweigerd op grond van artikel 7, lid 1, onder b, UMVo wegens gebrek aan onderscheidend vermogen, en de Vijfde Kamer van Beroep had die weigering bevestigd. Het Gerecht laat die beslissing in stand. Het stelt voorop dat voor inschrijving weliswaar slechts een minimum aan onderscheidend vermogen vereist is, maar dat een teken dat uit een zeer eenvoudige vorm bestaat of daar dicht tegenaan ligt, alleen dan als merk kan functioneren wanneer het door het relevante publiek gemakkelijk en onmiddellijk als aanduiding van commerciële herkomst kan worden onthouden. In dit geval erkent het Gerecht dat het aangevraagde teken niet volledig samenvalt met een zuivere geometrische basisvorm, omdat één zijde van de driehoek zichtbaar gebogen is. Die afwijking is echter volgens het Gerecht te subtiel om het teken onderscheidend te maken. Zij vertoont geen bijzondere stilering, geen fantasie-element en geen visuele bijzonderheid die het teken voor het relevante publiek onmiddellijk memoriseerbaar maakt als merk. Daarom zal het publiek het teken niet als herkomstaanduiding opvatten, maar als een eenvoudig vormelement.

IEF 23379

Gerecht EU vernietigt beslissing wegens onjuiste beoordeling onderscheidend vermogen 3D-merk van kaas

Gerecht EU (voorheen GvEA) 10 dec 2025, IEF 23379; T‑481/24 (Savencia SA tegen EUIPO, Hofmeister Vermögensverwaltungs GmbH), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-eu-vernietigt-beslissing-wegens-onjuiste-beoordeling-onderscheidend-vermogen-3d-merk-van-kaas

Gerecht EU 10 december 2025, IEF 23379; IEFbe 4145; T‑481/24 (Savencia SA tegen EUIPO, Hofmeister Vermögensverwaltungs GmbH). In deze zaak staat de vraag centraal of sprake is van verwarringsgevaar tussen een internationaal geregistreerd driedimensionaal merk in de vorm van een kaas en oudere nationale driedimensionale merken van Savencia. Hofmeister had bescherming in de EU aangevraagd voor onder meer melk, zuivelproducten, margarine, eetoliën en eetvetten. Savencia stelde oppositie in op basis van drie oudere nationale 3D-merken, eveneens voor kaas en zuivelproducten. De oppositieafdeling had die oppositie gedeeltelijk toegewezen wegens verwarringsgevaar ten opzichte van een ouder kaas-vormmerk, maar de Kamer van Beroep vernietigde dat oordeel en wees de oppositie alsnog volledig af.

IEF 23378

Overzicht UPC-uitspraken

13 maart t/m 18 maart 2026

18 maart 2026

UPC_CFI_1357/2025 en UPC_CFI_629/2026
Gerecht: Brussels Local Division
Type procedure: Generic Order
Partijen: GC Aesthetics Parentco Limited e.a. en Romed N.V. tegen Establishment Labs S.A.
Waar gaat het over: een procedureel bevel in een geschil binnen de medische/aesthetische sector tussen de GC Aesthetics-groep, Romed en Establishment Labs.

UPC-COA-0000930/2025
Gerecht: Court of Appeal, Luxembourg
Type procedure: Appeal RoP 220.2
Partijen: EOFLOW Co., Ltd. tegen Insulet Corporation
Waar gaat het over: een appelprocedure in een octrooigeschil op het terrein van medische technologie.

UPC_CFI_135/2024 en UPC_CFI_477/2024
Gerecht: Local Division Düsseldorf
Type procedure: Infringement Action
Partijen: Dolby International AB tegen Beko Germany GmbH e.a.
Waar gaat het over: een inbreukprocedure over een Europees octrooi.

UPC_CFI_519/2024
Gerecht: Local Division Düsseldorf
Type procedure: Infringement Action
Partijen: CUP&CINO Kaffeesystem-Vertrieb GmbH & Co. KG tegen ALPINA Coffee Systems GmbH
Waar gaat het over: een octrooi-inbreukzaak in de sector koffiesystemen.

IEF 23373

Keeex/Adobe: grens getrokken aan wereldwijde UPC‑bevoegdheid

Unified Patent Court (UPC) 13 mrt 2026, IEF 23373; UPC-COA-0000922/2025, UPC-COA-0000923/2025, UPC-COA-0000924/2025, UPC-COA-0000925/2025 (ADOBE INC., ADOBE SYSTEMS SOFTWARE IRELAND LIMITED, OPENAI LP, OPENAI OPCO LLC, OPEN AI IRELAND LTD, TRUEPIC INC., JOINT DEVELOPMENT FOUNDATION PROJECTS LLC, COALITION FOR CONTENT PROVENANCE AND AUTHENTICITY tegen KEEEX SAS), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/keeex-adobe-grens-getrokken-aan-wereldwijde-upc-bevoegdheid

UPC CoA 13 maart 2026, IEF 23373; UPC-COA-0000922/2025, UPC-COA-0000923/2025, UPC-COA-0000924/2025, UPC-COA-0000925/2025 (ADOBE INC., ADOBE SYSTEMS SOFTWARE IRELAND LIMITED, OPENAI LP, OPENAI OPCO LLC, OPEN AI IRELAND LTD, TRUEPIC INC., JOINT DEVELOPMENT FOUNDATION PROJECTS LLC, COALITION FOR CONTENT PROVENANCE AND AUTHENTICITY tegen KEEEX SAS). Keeex SAS heeft bij de Paris Local Division een inbreukvordering ingesteld op EP 2 949 070 (methode voor externe verificatie van integriteit en authenticiteit van digitale databestanden) tegen meerdere buitenlandse ICT‑bedrijven: Adobe (VS en IE), OpenAI (VS en IE), Truepic (VS) en Joint Development Foundation/Coalition for Content Provenance and Authenticity (VS). Keeex beriep zich op online aangeboden integriteits‑verificatiesoftware en stelde dat de schade wereldwijd was en alle territoria van het Europese octrooi bestreek. De gedaagden voerden in preliminaire excepties verweer tegen de interne en internationale bevoegdheid van de UPC, met name voor inbreuk in Zwitserland, Spanje, VK, Ierland, Noorwegen en Polen. De Paris Local Division verwierp deze excepties en aanvaardde bevoegdheid, ook voor die niet‑UPC‑staten, door te verwijzen naar het BSH‑arrest van het HvJ, waarop Adobe c.s., OpenAI, Truepic en Joint Development Foundation in verschillende hoger beroepen aanvoeren dat de UPC haar internationale bevoegdheid ten onrechte op art. 7 lid 2 Brussel I‑bis heeft gebaseerd en ten onrechte ver buiten de UPC‑territoria heeft uitgebreid. Keeex vroeg bevestiging van de beslissing en beriep zich onder meer op art. 14 Frans BW, art. 6 en 71b lid 3 Brussel I‑bis, waarbij zij stelde dat de UPC op grond van laatstgenoemde bepaling ook bevoegd is voor inbreuk buiten de Unie, nu Adobe en OpenAI via Franse dochters vermogensbestanddelen in UPC‑staten hebben.

IEF 23358

Gerecht bevestigt dat het beeldmerk OX normaal is gebruikt voor restaurant- en hoteldiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23358; ECLI:EU:T:2026:155 (Heinz Thomas Altendorfer tegen EUIPO en Haus zur Hanse GmbH & Co. KG), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-dat-het-beeldmerk-ox-normaal-is-gebruikt-voor-restaurant-en-hoteldiensten

Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23358; IEFbe 4135; ECLI:EU:T:2026:155 (Heinz Thomas Altendorfer tegen EUIPO en Haus zur Hanse GmbH & Co. KG). In dit arrest staat een procedure centraal tot nietigverklaring van de rechtsgevolgen van een internationale registratie met aanduiding van de Europese Unie voor het beeldmerk OX. Voor zover in deze zaak relevant, had die registratie nog betrekking op diensten in klasse 43, met name restaurantdiensten en hoteldiensten. Altendorfer had in 2020 op grond van artikel 198, lid 2, juncto artikel 58, lid 1, onder a, UMVo verzocht om vervallenverklaring van die rechtsgevolgen wegens niet-gebruik. De annuleringsafdeling had dat verzoek volledig toegewezen, maar de Kamer van Beroep vernietigde die beslissing gedeeltelijk voor de betrokken diensten in klasse 43, omdat volgens haar uit de overgelegde stukken bleek dat het merk voor die diensten normaal was gebruikt in de relevante periode van 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2020. Voor het Gerecht voerde verzoeker in essentie drie middelen aan: schending van de motiveringsplicht, onjuiste toepassing van artikel 58, lid 1, onder a, gelezen in samenhang met artikel 18 UMVo, en schending van artikel 198, lid 2, UMVo. Het Gerecht verwerpt al die middelen. Ten aanzien van de motiveringsklachten oordeelt het dat de Kamer van Beroep voldoende duidelijk heeft uitgelegd waarom zij laat overgelegde bewijsstukken had toegelaten en waarom zij het gebruik van het merk als normaal had aangemerkt. Dat verzoeker de inhoudelijke beoordeling betwist, betekent nog niet dat de beslissing ontoereikend gemotiveerd is. Daarom falen ook de daarop voortbouwende beroepen op artikelen 41 en 47 van het Handvest.

IEF 23375

Article written by Michaël de Vroey, Simont Braun.

Another Belgian judgment applying #Mio

In a judgment rendered last week, the Brussels Court of Appeal denied copyright protection for both a cosmetic treatment device and its graphical user interface (GUI).

Relying on the CJEU’s hashtag#Mio / Konektra case law, the court recalls that copyright protection requires free and creative choices reflecting the author’s personality, which cannot be presumed and must be identified concretely. Mere aesthetic appeal, elegance or a distinct visual impression are insufficient. Copyright originality must not be confused with novelty or individual character under design law (express reference to Cofemel).

The device

The features relied upon were largely technically or functionally determined (e.g. central rectangular screen, slightly tilted display, metal plate for branding, handpiece holders, footed structure).

Where choices were possible, they were considered banal and commonplace, consistent with pre‑existing design trends (including tablet‑like devices such as the iPad and prior registered designs).

Even the combination and arrangement of these elements was not regarded as original, as it did not confer a unique expressive character. The court stresses that the mere existence of alternative designs does not, in itself, establish sufficient creative freedom.