IEF 23341
12 maart 2026
Artikel

EOB werkt samen met een toonaangevende Europese AI-startup

 
IEF 23340
12 maart 2026
Uitspraak

Verwarringsgevaar ondanks zwak gemeenschappelijk element: FLAMBIT vs. flambriks

 
IEF 23339
11 maart 2026
Artikel

Roma Leuyerink wint VIE Prijs 2026 tijdens AIPPI IE Symposium

 
IEF 23341

EOB werkt samen met een toonaangevende Europese AI-startup

EOB werkt samen met een toonaangevende Europese AI-startup om het octrooiproces te verbeteren en de digitale soevereiniteit te versterken

·        Het EOB zet een geavanceerd optisch tekenherkenningsmodel (OCR) in dat is ontwikkeld door Mistral AI, een leider op het gebied van grensverleggende AI 

·        Dit initiatief maakt de digitale infrastructuur en operationele veerkracht van het EOB sterker, en sluit helemaal aan bij hun AI-beleid en strategisch plan voor 2028 

München, 11 maart 2026 - Het Europees Octrooibureau (EOB) heeft vandaag een belangrijke stap gezet in het gebruik van de nieuwste kunstmatige intelligentie (AI) om de kwaliteit en efficiëntie van het octrooiverleningsproces nog verder te verbeteren. De experts van het EOB en de technische teams van Mistral AI hebben samen een nieuwe oplossing bedacht met de nieuwste optische tekenherkenningstechnologie (OCR). De oplossing is inmiddels naadloos geïntegreerd in de systemen van het EOB om niet-machinaal leesbare octrooidocumenten om te zetten in gestructureerde octrooigegevens voor een betere doorzoekbaarheid en analyse ervan.  

"Deze samenwerking helpt bij de digitale transformatie van het EOB en versterkt het innovatievermogen van Europa, terwijl we ervoor zorgen dat belangrijke AI-infrastructuur onder Europese controle blijft", zei EOB-voorzitter António Campinos. "Ons gezamenlijke plan laat zien hoe Europese samenwerkingsverbanden op een verantwoorde en effectieve manier AI kunnen gebruiken om openbare diensten te verbeteren, het concurrentievermogen te vergroten en een sterk innovatie-ecosysteem te ondersteunen." 

IEF 23340

Verwarringsgevaar ondanks zwak gemeenschappelijk element: FLAMBIT vs. flambriks

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23340; ECLI:EU:T:2026:187 (Dariusz Kowalski tegen Hoyer SE en EUIPO), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/verwarringsgevaar-ondanks-zwak-gemeenschappelijk-element-flambit-vs-flambriks

Gerecht 11 maart 2026, IEF 23340; ECLI:EU:T:2026:187 (Dariusz Kowalski tegen Hoyer SE en EUIPO). Deze zaak gaat over de weigering van de EU‑figuratieve merkaanvraag FLAMBIT voor aanmaakblokjes en andere middelen om vuur aan te maken in klasse 4, na oppositie op basis van het oudere Duitse woordmerk ‘flambriks’ (en een ouder beeldmerk) voor onder meer brandstoffen en aan verwant houtwerk gerelateerde diensten. De oppositieafdeling had de oppositie gegrond verklaard wegens gevaar voor verwarring, waarna de aanvrager in beroep ging en de kamer van beroep die beslissing, nu uitsluitend gebaseerd op het oudere woordmerk ‘flambriks’, heeft bevestigd: het relevante publiek is het Duitse grote publiek met een gemiddeld aandachtsniveau, de betrokken waren zijn identiek, en de tekens zijn visueel en fonetisch gemiddeld vergelijkbaar en conceptueel in elk geval niet uiteenlopend, uitgaande van een normaal onderscheidend oudere merk. De aanvrager voert bij het Gerecht één middel aan wegens schending van artikel 8 lid 1 onder b EUTMR en betoogt dat er geen overeenstemming bestaat omdat het element “flam” in beide tekens beschrijvend of zeer zwak onderscheidend is en de verschillen in de tweede lettergreep en in grafische vormgeving overheersen; EUIPO en de opposant verdedigen de beoordeling van de kamer van beroep.

IEF 23339

Roma Leuyerink wint VIE Prijs 2026 tijdens AIPPI IE Symposium

Tijdens het jaarlijkse AIPPI IE Symposium in Zeist is de prestigieuze VIE Prijs uitgereikt aan Roma Leuyerink. Zij heeft als allereerst twee keer de VIE prijs gewonnen. De VIE Prijs, die met een knipoog wordt omschreven als de "Nobelprijs voor jonge auteurs binnen het IE-recht", bekroont het beste IE-juridische artikel van een jonge auteur. Roma Leuyerink ontving de prijs voor haar artikel De houdbaarheid van art. 7 en 8 Auteurswet, gepubliceerd in Intellectueel Eigendom & Reclamerecht.

IEF 23337

IMPRESS: geen onderscheidend vermogen voor cosmetica

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23337; ECLI:EU:T:2026:185 (Kiss Nail Products, Inc. tegen EUIPO), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/impress-geen-onderscheidend-vermogen-voor-cosmetica

Gerecht 11 maart 2026, IEF 23337; ECLI:EU:T:2026:185 (Kiss Nail Products, Inc. tegen EUIPO). Deze zaak betreft een beroep van Kiss Nail Products, Inc. tegen een beslissing van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO, die had geweigerd het woordmerk IMPRESS als Uniemerk in te schrijven voor uiteenlopende cosmetische producten (make‑up, huid-, oog‑ en nagelverzorgingsproducten, kunst‑ en plak‑wimpers en -wenkbrauwen, kleefmiddelen) in klasse 3 en manicure‑ en wimpergereedschap in klasse 8, op grond van artikel 7 lid 1 onder b UMVo 2017/1001 wegens gebrek aan onderscheidend vermogen. De kamer had geoordeeld dat IMPRESS door het Engelstalige publiek in de EU wordt begrepen in de betekenis “to make an impression on; have a strong, lasting or favourable effect on” en dat dit, gezien de aard van de betrokken goederen die juist dienen om het uiterlijk te verfraaien en de aandacht van anderen te trekken, enkel wordt opgevat als een banale, motiverende en lovende boodschap (“maak indruk”) en niet als een aanduiding van commerciële herkomst. Kiss Nail Products stelde bij het Gerecht dat IMPRESS hoogstens een algemene, brede laudatieve term is die niet een specifieke eigenschap van de waren beschrijft, zodat het minimale onderscheidend vermogen bezit; zij beriep zich daarbij onder meer op het arrest Merz & Krell en op eerdere EUIPO‑registraties van vergelijkbare, zelfs identieke tekens, waaronder een ouder IMPRESS‑woordmerk voor (vrijwel) identieke waren van dezelfde aanvrager.

IEF 23338

Normaal merkgebruik bij kleine oplage: het Gerecht over MAX‑magazine en bewijs van gebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23338; ECLI:EU:T:2026:189 (MAX magazín s. r. o tegen RCS Mediagroup SpA en EUIPO), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/normaal-merkgebruik-bij-kleine-oplage-het-gerecht-over-max-magazine-en-bewijs-van-gebruik

Gerecht 11 maart 2026, IEF 23338; ECLI:EU:T:2026:189 (MAX magazín s. r. o tegen RCS Mediagroup SpA en EUIPO). Deze zaak betreft een geschil tussen MAX magazín s. r. o. en RCS Mediagroup SpA over de geldigheid van het EU‑woordmerk MAX voor onder meer tijdschriften, kranten en boeken in klasse 16 en dragers in klasse 9. MAX magazín heeft in 2022 bij EUIPO een vervallenverklaring gevraagd wegens niet‑normaal gebruik in de afgelopen vijf jaar (art. 58 lid 1 onder a EUTMR), waarna de Cancellation Division het merk volledig vervallen heeft verklaard met ingang van 29 september 2022. De merkhouder RCS stelde hoger beroep in en de Kamer van Beroep liet het verval in stand voor de goederen in klasse 9 en voor kranten, periodieken en boeken in klasse 16, maar oordeelde dat er voldoende bewijs was van normaal gebruik voor tijdschriften (magazines) in klasse 16, onder meer op basis van een test‑publicatie met de eiseres en een latere licentieovereenkomst met een Duitse uitgever, ondersteund door covers, facturen, verklaringen en verkoop via Duitse kiosken en spoorwegboekhandels. MAX magazín vordert bij het Gerecht gedeeltelijke nietigverklaring van deze beslissing, met als doel volledige vervallenverklaring van het merk, terwijl EUIPO en RCS vragen om afwijzing van het beroep en om veroordeling van MAX magazín in de proceskosten.

IEF 23335

Artikel geschreven door Bas Kist, Chiever.

Dat is lef hebben

Bas Kist, 6 maart 2026.

Op zich begrijp ik die politieke partij LEF uit Voorne aan Zee wel. Je zit er toch niet op te wachten dat bij de gemeenteraadsverkiezingen in het Zuid-Hollandse Voorne naast LEF ook nog een partij meedoet met de naam PARTIJ MET LEF! Dat is wat je noemt ‘lef hebben’, maar het is natuurlijk vooral verwarrend. En dus stapte LEF naar de rechter om gebruik van de naam PARTIJ MET LEF! te stoppen. Maar de rechter werkt niet mee, zo blijkt een vonnis van 30 januari.

Merk- en handelsnaam

Bij de rechtbank Rotterdam kwam LEF goed beslagen ten ijs. De partij beriep zich niet alleen op zijn Benelux merkregistratie van het logo LEF, maar ook op de oudere handelsnaamrechten van de naam LEF. Kom maar op PARTIJ MET LEF, wij lusten je rauw, zullen ze bij LEF gedacht hebben! Echter, de rechter is niet onder de indruk.

IEF 23279

Seminar over de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026

Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.

In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.

Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.

IEF 23334

Onrechtmatige concurrentie binnen joint venture en verbod op gebruik handelsnaam

Rechtbank Amsterdam 9 jul 2025, IEF 23334; ECLI:NL:RBAMS:2025:10424 ([eiseres] tegen [bedrijf 1] en [gedaagde 2]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/onrechtmatige-concurrentie-binnen-joint-venture-en-verbod-op-gebruik-handelsnaam

Rb Amsterdam 9 juli 2025, IEF 23334; ECLI:NL:RBAMS:2025:10424 ([eiseres] tegen [bedrijf 1] en [gedaagde 2]). Een Duitse vennootschap ([eiseres]) en [gedaagde 2] zijn in 2021 een joint venture gestart om in Amsterdam flexibele werkplekken en kantoorruimte te verhuren via de holding [bedrijf 2] B.V. en de werkmaatschappij [bedrijf 3] B.V., die onder de handelsnaam [oude naam bedrijf 1] opereert. Eind 2024 richt [gedaagde 2] zonder medeweten van [eiseres] een eigen vennootschap [oude naam bedrijf 1] B.V. (later [bedrijf 1]) op, die eveneens kantoorruimte verhuurt in een pand op slechts 350 meter van [bedrijf 3], en daarbij gebruikt hij dezelfde naam, logo, formulieren en een brochure die sterk lijken op die van [bedrijf 3]. Vanuit het e‑mailaccount van [bedrijf 3] worden klanten benaderd met de mededeling dat een “brand-new location” of “new office” wordt geopend op het adres van [bedrijf 1], waardoor de nieuwe onderneming wordt gepresenteerd als tweede locatie van de joint venture. [eiseres] stuurt sommaties, verwijt [gedaagde 2] onrechtmatige concurrentie, gebruik van personeel en middelen van [bedrijf 3] en onttrekking van gelden (o.a. hotelkosten, facturen voor andere vennootschappen, advocaatkosten voor het pand van [bedrijf 1] en een domeinnaam voor een andere onderneming). Zij vordert in kort geding onder meer: schorsing van [gedaagde 2] als bestuurder, terugbetaling van ruim 53.000 euro aan [bedrijf 3], overdracht van bankpassen en administratie, een verbod op alle concurrerende activiteiten, een verbod op gebruik van de handelsnaam [oude naam bedrijf 1] of gelijkende namen, diverse gedragsverboden (contact met klanten en personeel, gebruik van e‑mailadressen, bankrekening en bedrijfsinformatie van [bedrijf 3], “aanhaken” bij diens stijl en identiteit) en dwangsommen, plus proceskosten (waarbij zij voor het handelsnaamaspect art. 1019h Rv inroept).

IEF 23333

A-G Rantos over persoonlijkheidsrechten bij tv- en internetuitzendingen: geen volledige bevoegdheid in Polen zonder individualiseerbare benadeling

HvJ EU 5 feb 2026, IEF 23333; ECLI:EU:C:2026:76 (Z.R. en Ś. tegen U. en Z.), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/a-g-rantos-over-persoonlijkheidsrechten-bij-tv-en-internetuitzendingen-geen-volledige-bevoegdheid-in-polen-zonder-individualiseerbare-benadeling

Conclusie A-G HvJ EU 5 februari 2026, IEF 23333; IEFbe 4117; ECLI:EU:C:2026:76 (Z.R. en Ś. tegen U. en Z.). In deze conclusie bespreekt advocaat-generaal Rantos de internationale bevoegdheid onder art. 5, punt 3, EEX-Vo 44/2001 bij gestelde aantasting van persoonlijkheidsrechten door een televisieserie die in meerdere lidstaten op televisie is uitgezonden en ook online beschikbaar was. Aanleiding is een Poolse procedure van een voormalig lid van een verzetsformatie en een Poolse vereniging van oud-leden tegen twee in Duitsland gevestigde producenten. Volgens verzoekers zet de serie de betrokken verzetsformatie neer als antisemitisch en collaborerend, waardoor hun persoonlijkheidsrechten zijn geschonden. De Poolse hoogste rechter vraagt het Hof in wezen twee dingen. Ten eerste of de Poolse rechter, als rechter van de staat waar de serie is uitgezonden en waar het centrum van de belangen van verzoekers ligt, bevoegd is om kennis te nemen van de gehele vordering: dus niet alleen van schade in Polen, maar ook van volledige immateriële schade door uitzending in andere lidstaten, én van verstrekkende niet-geldelijke maatregelen zoals excuses op alle betrokken zenders en websites en een voorafgaande disclaimer vóór iedere uitzending. Ten tweede, als dat niet zo is, of de Poolse rechter dan in elk geval bevoegd is voor het Poolse deel van de zaak: dus voor schade die in Polen is ingetreden en voor territoriaal beperkte maatregelen zoals excuses of een waarschuwing bij uitzending in Polen.

IEF 23332

Metaphors we judge (AI) by: a rhetorical analysis of artificial copyright disputes

Michiel A Smit, 6 maart 2026. 

I. Introduction

Generative artificial intelligence (GenAI) is too complex to fathom directly in a technological sense. At the very least, that is true for most lawyers, who instead orbit these ‘black boxes’ metaphorically without ever touching their core. As a consequence, language and rhetoric matter even more than they did before in copyright disputes. This article aims to analyse how the key questions concerning copyright and AI, indeed, largely revolve around metaphorical thinking, and how these metaphors affect our legal reasoning and judgements on these matters. In doing so, it provides an overview of European and US approaches to the most essential AI-related copyright questions with a strong emphasis on language.

The first legal question to be addressed is whether unauthorized training on data is allowed under copyright. A debate in which the metaphor ‘GenAI learns’ plays a crucial role. Next, the ‘memorization’ question will be discussed: do AI models actually copy works on which they are trained, or do they merely memorize or remember? Finally, the matter of copyrightability: can AI-generated output be protected by copyright? As will become apparent, this debate hinges on the question whether GenAI is just a ‘tool’ or ‘instrument’ or something more. But before addressing these questions, it is important to begin with an introduction to metaphors and why these matter to lawyers, particularly those dealing with AI and its intersection with copyright.