IEF 23423
31 maart 2026
Uitspraak

Samenwerkingsovereenkomst: geen verjaring, maar ontbreken van ingebrekestelling en verzuim leidt tot afwijzing van de wanprestatievorderingen

 
IEF 23424
31 maart 2026
Uitspraak

Technisch noodzakelijke serverkopieën bij platforms zijn reproducties, maar vergen binnen art. 17 DSM-richtlijn geen afzonderlijke toestemming

 
IEF 23413
31 maart 2026
Artikel

Merken,- modellen- en auteursrecht op 22 april 2026 met vroegboekkorting

 
IEF 23423

Samenwerkingsovereenkomst: geen verjaring, maar ontbreken van ingebrekestelling en verzuim leidt tot afwijzing van de wanprestatievorderingen

Rechtbank Rotterdam 4 mrt 2026, IEF 23423; ECLI:NL:RBROT:2026:2297 ([naam] tegen FTG), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/samenwerkingsovereenkomst-geen-verjaring-maar-ontbreken-van-ingebrekestelling-en-verzuim-leidt-tot-afwijzing-van-de-wanprestatievorderingen

Rb. Rotterdam 4 maart 2026, IEF 23423; ECLI:NL:RBROT:2026:2297 ([naam] tegen FTG). De rechtbank wijst de vorderingen van [naam] B.V. tegen [naam 2] Group B.V. (FTG) af in een geschil over een samenwerkingsovereenkomst betreffende een concept voor duurzame verpakkingen voor bloemen en planten. Partijen waren overeengekomen dat een door FTG aan te wijzen groepsvennootschap per 1 november 2018 het merk, de domeinnaam, de website en de voorraad van [naam] zou overnemen, tegen betaling van een eenmalige vergoeding van € 15.000 exclusief btw en daarnaast gedurende drie jaar een procentuele vergoeding over door de FTG-groep gerealiseerde en betaalde omzet. FTG wees Zyon Group B.V. aan voor de uitvoering van de samenwerking, terwijl [naam 3], bestuurder en aandeelhouder van [naam], binnen de FTG-groep in dienst trad. [naam] stelde dat FTG was tekortgeschoten doordat zij onvoldoende verkoopondersteuning had geboden en de verwachte omzet niet had gerealiseerd. De rechtbank verwerpt eerst de formele verweren van FTG. FTG is zelf partij gebleven bij de overeenkomst, zodat [naam] haar terecht heeft gedagvaard; van contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW is geen sprake. Ook het beroep op verjaring faalt, omdat de e-mail van 14 december 2020 een geldige stuitingsmededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW bevat: voor FTG was voldoende duidelijk dat [naam] haar aanspraken handhaafde en een procedure in het vooruitzicht stelde.

IEF 23424

Technisch noodzakelijke serverkopieën bij platforms zijn reproducties, maar vergen binnen art. 17 DSM-richtlijn geen afzonderlijke toestemming

HvJ EU 26 mrt 2026, IEF 23424; ECLI:EU:C:2026:270 (ustro-Mechana en AKM tegen Aufsichtsbehörde für Verwertungsgesellschaften), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/technisch-noodzakelijke-serverkopieen-bij-platforms-zijn-reproducties-maar-vergen-binnen-art-17-dsm-richtlijn-geen-afzonderlijke-toestemming

Conclusie A-G 26 maart 2026, IEF 23424; IEFbe 4168; ECLI:EU:C:2026:270 (Austro-Mechana en AKM tegen Aufsichtsbehörde für Verwertungsgesellschaften). De conclusie van A-G Emiliou in zaak C-579/24 betreft de verhouding tussen art. 2 en 3 Infosoc-richtlijn en art. 17 DSM-richtlijn in de context van online content-sharing service providers zoals YouTube, SoundCloud en Pinterest. Aanleiding is een Oostenrijks geschil tussen de collectieve beheersorganisaties Austro-Mechana en AKM en de Oostenrijkse toezichthouder voor beheersorganisaties. Austro-Mechana beheert onder meer reproductierechten, terwijl AKM onder meer rechten van mededeling en beschikbaarstelling aan het publiek beheert. De prejudiciële vragen draaien om de vraag of de digitale kopieën van beschermde content die automatisch op de servers van zulke platforms worden gemaakt wanneer gebruikers content uploaden, reproducties zijn in de zin van art. 2 Infosoc-richtlijn, en of daarvoor naast de onder art. 17 lid 1 DSM-richtlijn vereiste toestemming voor mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek nog een aparte toestemming nodig is. De A-G beantwoordt eerst bevestigend dat zulke technisch noodzakelijke serverkopieën inderdaad onder het reproductierecht vallen. Art. 2 Infosoc-richtlijn is ruim geformuleerd en omvat directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproducties, met elk middel en in elke vorm; ook opslag op servers valt daaronder. Volgens de A-G kan evenmin een beroep worden gedaan op de uitzondering van art. 5 lid 1 Infosoc-richtlijn voor tijdelijke, incidentele en technisch noodzakelijke reproducties, omdat de betrokken serverkopieën niet louter vluchtig of tijdelijk zijn, maar potentieel langdurig op de servers blijven opgeslagen. Daarmee bevestigt hij dat het uploaden van content naar zulke platforms niet alleen een handeling van mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek onder art. 3 Infosoc-richtlijn oplevert, maar daarnaast ook een zelfstandige handeling van reproductie onder art. 2 Infosoc-richtlijn.

IEF 23413

Merken,- modellen- en auteursrecht op 22 april 2026 met vroegboekkorting

Op woensdag 22 april 2026 organiseren we de voorjaarseditie van actualiteiten merken- modellen- en auteursrecht.  Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van productvormgeving, auteursrecht en merkenrecht, met Selmer Bergsma (De Brauw Blackstone Westbroek), Jesse Hofhuis (HOFHUIS) en Joris van Manen (HOYNG ROKH MONEGIER). In slechts drie uur tijd, tijdens de lunch, heeft u weer het complete overzicht.

IEF 23279

Seminar: de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026 met vroegboekkorting

Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.

In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.

Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.

IEF 23421

Geen IE-bescherming voor verwarmde handschoenen; model vernietigd en eerder gelegd beslag deels opgeheven

Rechtbank Den Haag 11 feb 2026, IEF 23421; ECLI:NL:RBDHA:2026:6647 (Comfort Products tegen Heat Performance), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/geen-ie-bescherming-voor-verwarmde-handschoenen-model-vernietigd-en-eerder-gelegd-beslag-deels-opgeheven

Rb. Den Haag 11 februari 2026, IEF 23421; ECLI:NL:RBDHA:2026:6647 (Comfort Products tegen Heat Performance). De rechtbank wijst alle vorderingen van Comfort Products af in haar geschil met Heat Performance over verwarmde handschoenen. Comfort Products beriep zich op een ingeschreven Gemeenschapsmodel voor haar Dual Heated Gloves Pro (DHG Pro), op auteursrecht, op haar Uniewoordmerk BERTSCHAT en subsidiair op slaafse nabootsing. Het model houdt echter geen stand. De rechtbank oordeelt dat Comfort Products de eerdere Single Heated Gloves Pro al op 24 oktober 2020 zonder voorbehoud op haar website aan het algemene publiek had aangeboden, dus vóór het begin van de twaalfmaands respijttermijn die terugrekent vanaf de depotdatum van 4 februari 2022. Die eerdere openbaarmaking is daarom nieuwheidsschadelijk. Dat oordeel wordt niet anders doordat de DHG Pro technisch is doorontwikkeld, omdat technische verschillen die niet zichtbaar zijn geen rol spelen bij de modelrechtelijke beoordeling. Uiterlijk verschilt de DHG Pro volgens de rechtbank alleen op een ondergeschikt punt van de oudere handschoen, namelijk de vormgeving van de aan/uitknop; daardoor wekken beide handschoenen bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk. Het model wordt daarom in reconventie nietig verklaard. Ook het beroep op auteursrecht faalt: de DHG Pro is geen werk in de zin van art. 10 Aw, omdat de door Comfort Products aangewezen kenmerken, zoals stiksel, klittenbandsluiting, label, manchetlengte en knop, volgens de rechtbank banaal, triviaal of functioneel bepaald zijn, terwijl de interne verwarming volledig technisch bepaald en bovendien niet zichtbaar is. Het beroep op merkinbreuk strandt eveneens, omdat Comfort Products onvoldoende heeft onderbouwd dat Heat Performance het merk BERTSCHAT zelf als zoekterm in Google-advertenties gebruikte; Heat Performance had dat gemotiveerd betwist met een verklaring over keyword insertion en de invloed van zoekgeschiedenis. Ook de subsidiaire grondslag van slaafse nabootsing slaagt niet, omdat Comfort Products onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat de DHG Pro een eigen gezicht op de relevante markt heeft.

IEF 23417

Gerecht bevestigt vervallenverklaring van Uniemerk OSSA SINCE 1940 wegens niet-normaal gebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 mrt 2026, IEF 23417; ECLI:EU:T:2026:211 (Implementing Technologies, SL tegen EUIPO en M2Linx Design, SL), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-vervallenverklaring-van-uniemerk-ossa-since-1940-wegens-niet-normaal-gebruik

Gerecht EU 25 maart 2026, IEF 23417; 4167; ECLI:EU:T:2026:211 (Implementing Technologies, SL tegen EUIPO en M2Linx Design, SL). Het Gerecht verwerpt het beroep van de merkhouder en bevestigt daarmee dat het figuratieve Uniemerk OSSA SINCE 1940 terecht vervallen is verklaard op grond van artikel 58, lid 1, onder a, UMVo wegens niet-normaal gebruik. De relevante periode loopt van 15 juni 2017 tot en met 14 juni 2022, dus de vijf jaren vóór het vervalverzoek van 15 juni 2022. Het Gerecht wijst het betoog af dat Spaanse nationale uitspraken en de exclusieve licentie met Cool Bikes tot een andere berekening van die periode moeten leiden. Het Uniemerkenstelsel is autonoom, zodat nationale uitspraken EUIPO en het Gerecht niet binden. Ook als een omstandigheid mogelijk een rechtvaardiging voor niet-gebruik zou kunnen zijn, verandert dat de berekening van die vijfjaarsperiode niet.

IEF 23416

Gerecht bevestigt vervallenverklaring Uniemerk OSSA wegens niet-normaal gebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 mrt 2026, IEF 23416; ECLI:EU:T:2026:212 (Implementing Technologies, SL tegen EUIPO en M2Linx Design, SL), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-vervallenverklaring-uniemerk-ossa-wegens-niet-normaal-gebruik

Gerecht EU 25 maart 2026, IEF 23416; IEFbe 4166; ECLI:EU:T:2026:212 (Implementing Technologies, SL tegen EUIPO en M2Linx Design, SL). Het Gerecht verwerpt het beroep van de merkhouder en bevestigt daarmee dat het figuratieve Uniemerk OSSA terecht vervallen is verklaard op grond van artikel 58, lid 1, onder a, UMVo wegens niet-normaal gebruik. De relevante periode loopt van 15 juni 2017 tot en met 14 juni 2022, dus de vijf jaren vóór het vervalverzoek. Het argument dat Spaanse nationale uitspraken en een exclusieve licentieovereenkomst tot een andere berekening van die periode moeten leiden, wijst het Gerecht af. Het Uniemerkenstelsel is autonoom, zodat nationale rechterlijke uitspraken EUIPO en het Gerecht niet binden. Ook als er mogelijk een rechtvaardiging voor niet-gebruik zou zijn, verandert dat de berekening van die vijfjaarsperiode niet.

IEF 23420

Uitspraak ingezonden door Otto Volgenant, Boekx.

Offlimits v Grok en X: kort geding over niet‑consensuele uitkleedbeelden

Rechtbank Amsterdam 26 mrt 2026, IEF 23420; C/13/783613 / KG ZA 26-120 EAM/JD (Offlimits tegen X.AI, X en XIUC), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/offlimits-v-grok-en-x-kort-geding-over-niet-consensuele-uitkleedbeelden

Rb Amsterdam 26 maart 2026, IEF 23420, IT 5164; C/13/783613 / KG ZA 26-120 EAM/JD (Offlimits tegen X.AI, X en XIUC). In deze zaak start Stichting Offlimits, die zich richt op het voorkomen en bestrijden van online (seksueel) grensoverschrijdend gedrag en (kinder)misbruik, een kort geding tegen X.AI (ontwikkelaar van de generatieve AI‑chatbot Grok), X Corp (de Amerikaanse X‑entiteit) en XIUC (de Ierse exploitant van X in de EER). Grok is een large language model dat via grok.com, een standalone‑app en de “Grok‑in‑X”‑functie op X beschikbaar is. Gebruikers kunnen er niet alleen tekst mee genereren, maar ook afbeeldingen bewerken en genereren. Aanleiding zijn onder andere een CCDH‑rapport en een artikel in The Guardian waaruit blijkt dat na introductie van de beeldfunctie grote hoeveelheden geseksualiseerde afbeeldingen, inclusief beelden die kinderen lijken te tonen, met Grok zijn gegenereerd en op X geplaatst, waarna de Europese Commissie een DSA‑onderzoek naar X aankondigt. Offlimits stelt dat Grok ondanks door X.AI/X aangekondigde technische maatregelen in januari 2026 nog steeds (1) niet‑consensuele “uitkleedbeelden” van echte personen genereert (deepfake‑stripbeelden) zonder controle op toestemming of leeftijd en (2) kinderpornografisch materiaal of daarop lijkende beelden kan genereren, en vordert daarom verboden en geboden (met hoge dwangsommen) die er in de kern op neerkomen dat Grok en X geen functionaliteit meer mogen aanbieden waarmee deze beelden kunnen worden gegenereerd en verspreid. De voorzieningenrechter acht zich op grond van art. 79 AVG, art. 7 lid 2 Brussel I‑bis en art. 7 Rv internationaal bevoegd, past AVG en Nederlands recht toe (via Rome II, art. 14), en verklaart Offlimits als 3:305a‑stichting ontvankelijk onder het “lichte regime” vanwege het ideële karakter en het ontbreken van schadevorderingen.

IEF 23419

Uitspraak ingezonden door Lotte van Schuylenburch en Matthijs Kaaks, Boekx.

Rb. Midden-Nederland wijst gevorderd publicatieverbod af: veiligheidsrisico onvoldoende concreet onderbouwd en geen noodzaak tot voorafgaande beperking van publicatie

Rechtbank Midden-Nederland 13 mrt 2026, IEF 23419; ECLI:NL:RBMNE:2026:1173 ([eisers c.s] tegen [gedaagde]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-gevorderd-publicatieverbod-af-veiligheidsrisico-onvoldoende-concreet-onderbouwd-en-geen-noodzaak-tot-voorafgaande-beperking-van-publicatie

Rb. Midden-Nederland 13 maart 2026, IEF 23419; ECLI:NL:RBMNE:2026:1173 ([eisers c.s] tegen [gedaagde]). In dit kort geding willen eisers voorkomen dat [gedaagde] een voorgenomen artikel publiceert waarin de naam van [eiser sub 2] of andere tot hem herleidbare gegevens worden genoemd. Daarnaast vorderen zij dat het conceptartikel vóór publicatie aan hen wordt voorgelegd, zodat zij zich daartegen zo nodig opnieuw tot de rechter kunnen wenden. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, omdat eisers stellen dat publicatie voor [eiser sub 2] ernstige en onherstelbare schade zal veroorzaken. Vervolgens stelt de rechter voorop dat deze vorderingen neerkomen op voorafgaand toezicht op een publicatie. Dat botst volgens de rechter met art. 10 EVRM en art. 7 Grondwet. Een verbod vooraf is daarom alleen mogelijk als de onrechtmatigheid van de publicatie voldoende is gebleken en dat verbod nodig is ter voorkoming van onherstelbare schade. Omdat voorafgaande beperkingen grote risico’s meebrengen voor de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid, moet de noodzaak daarvan zorgvuldig en kritisch worden onderzocht en door uitzonderlijke omstandigheden worden gerechtvaardigd. De rechter maakt daarom een belangenafweging tussen enerzijds het belang van eisers bij bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de eer en goede naam van [eiser sub 2], en anderzijds het belang van [gedaagde] bij vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder persvrijheid. Daarbij noemt de rechter als relevante factoren onder meer de ernst van de misstand vanuit het algemeen belang, de mate waarin de verdenkingen ten tijde van publicatie steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen. Daarbij merkt de rechter ook op dat [eiser sub 2] indirect bestuurder is van [eiser sub 1] en dat [gedaagde] van plan is hem in het artikel aan te duiden als [naam].

IEF 23418

Article written by Michaël de Vroey, Simont Braun.

Trademarks claiming heritage through historical dates may be deceptive and invalid

In Fauré Le Page v Goyard (C‑412/24), the Court of Justice of the EU ruled on 26 March 2026 that a trademark incorporating a date perceived as a founding year and falsely evoking long‑standing know‑how, quality and prestige may be regarded as deceptive.

“Fauré Le Page Paris 1717” was registered as a trademark for luxury leather goods, yet the original Maison was dissolved in 1992 and the current company dates only from 2009. The Court did not follow the Opinion of the Advocate General and confirmed that, in the luxury sector, quality also derives from prestige and image. A false heritage date therefore deceives consumers as to the quality of the goods themselves, and that is enough to invalidate the mark.