IEF 23332
9 maart 2026
Artikel

Metaphors we judge (AI) by: a rhetorical analysis of artificial copyright disputes

 
IEF 23329
9 maart 2026
Uitspraak

ANP krijgt schadevergoeding toegewezen wegens ongeoorloofd gebruik van foto op website

 
IEF 23331
9 maart 2026
Uitspraak

Vrijheid van meningsuiting letselschadeadvocaat versus reputatiebescherming belangenbehartiger bij schietincident Alphen aan den Rijn

 
IEF 23332

Metaphors we judge (AI) by: a rhetorical analysis of artificial copyright disputes

Michiel A Smit, 6 maart 2026. 

I. Introduction

Generative artificial intelligence (GenAI) is too complex to fathom directly in a technological sense. At the very least, that is true for most lawyers, who instead orbit these ‘black boxes’ metaphorically without ever touching their core. As a consequence, language and rhetoric matter even more than they did before in copyright disputes. This article aims to analyse how the key questions concerning copyright and AI, indeed, largely revolve around metaphorical thinking, and how these metaphors affect our legal reasoning and judgements on these matters. In doing so, it provides an overview of European and US approaches to the most essential AI-related copyright questions with a strong emphasis on language.

The first legal question to be addressed is whether unauthorized training on data is allowed under copyright. A debate in which the metaphor ‘GenAI learns’ plays a crucial role. Next, the ‘memorization’ question will be discussed: do AI models actually copy works on which they are trained, or do they merely memorize or remember? Finally, the matter of copyrightability: can AI-generated output be protected by copyright? As will become apparent, this debate hinges on the question whether GenAI is just a ‘tool’ or ‘instrument’ or something more. But before addressing these questions, it is important to begin with an introduction to metaphors and why these matter to lawyers, particularly those dealing with AI and its intersection with copyright.

IEF 23329

ANP krijgt schadevergoeding toegewezen wegens ongeoorloofd gebruik van foto op website

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 feb 2026, IEF 23329; ECLI:NL:RBZWB:2026:1023 (ANP tegen [bedrijf]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/anp-krijgt-schadevergoeding-toegewezen-wegens-ongeoorloofd-gebruik-van-foto-op-website

Rb. Zeeland-West-Brabant 18 februari 2026, IEF 23329; ECLI:NL:RBZWB:2026:1023 (ANP tegen [bedrijf]). De kantonrechter oordeelt dat [bedrijf] inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van ANP door zonder toestemming een foto op haar website te publiceren. ANP had voldoende aannemelijk gemaakt dat op de foto auteursrecht rust, dat dit recht aan ANP was overgedragen en dat [bedrijf] de foto daadwerkelijk op haar website had geplaatst. Het verweer dat het om een eigen vrachtwagen van [bedrijf] zou gaan, werd onvoldoende onderbouwd en daarom gepasseerd. Ook het feit dat [bedrijf] de foto later heeft verwijderd, doet volgens de kantonrechter niets af aan de reeds gepleegde inbreuk. Verder faalt het beroep op het tijdsverloop: ANP had [bedrijf] al in 2021 via Permission Machine aangeschreven, en van rechtsverwerking of verjaring was geen sprake, omdat de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar nog niet was verstreken. Dat [bedrijf] de communicatie van Permission Machine mogelijk als onbetrouwbaar of intimiderend had ervaren, komt volgens de kantonrechter voor eigen rekening en risico.

IEF 23331

Uitspraak ingezonden door Vivien Rorsch, LaRorsch.

Vrijheid van meningsuiting letselschadeadvocaat versus reputatiebescherming belangenbehartiger bij schietincident Alphen aan den Rijn

Hoge Raad 27 feb 2026, IEF 23331; ECLI:NL:PHR:2026:197 ([eiser 1] en Corpocon tegen [verweerder]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/vrijheid-van-meningsuiting-letselschadeadvocaat-versus-reputatiebescherming-belangenbehartiger-bij-schietincident-alphen-aan-den-rijn

Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2026, IEF 23331; ECLI:NL:PHR:2026:197 ([eiser 1] en Corpocon tegen [verweerder]). De zaak betreft uitlatingen van letselschadeadvocaat [verweerder] in een artikel in het Algemeen Dagblad van 7 april 2021 over de trage schadeafwikkeling na het schietincident in winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn, waarin belangenbehartiger [eiser 1] en zijn vennootschap Corpocon (letselschadeclaim.nl) scherp worden neergezet als mogelijke oorzaak van vertraging en als “cowboy”‑achtige dienstverlener. [eiser 1] behartigt via Corpocon de belangen van een groep slachtoffers en heeft procedures (mede) gefinancierd, waarna de politie na het aansprakelijkheidsarrest van de Hoge Raad in 2019 de VSSA‑stichting oprichtte voor de schadeafwikkeling. In het AD‑artikel wordt onder meer gemeld dat [eiser 1] cliënten zou afraden machtigingen aan de VSSA te geven tenzij eerst een voorschot van 10.000 euro wordt betaald; daarna volgt een passage met de aan [verweerder] toegeschreven uitlatingen over “secundaire victimisatie”, slachtoffers die “de dupe van hun belangenbehartiger” zouden worden, en “te veel cowboys in de markt”. [eisers] stellen dat deze uitingen, mede gezien de foto, context en andere citaten in het stuk, voor de gemiddelde lezer rechtstreeks op hen slaan en hun eer en goede naam ernstig aantasten; zij vorderen onder meer een verklaring voor recht dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld (art. 6:162 BW), een verbod op soortgelijke uitlatingen, rectificatie via ANP en het AD (online en op de homepage), dwangsommen en schadevergoeding op te maken bij staat. De rechtbank Den Haag wijst alle vorderingen af omdat [verweerder] in de gegeven context niet onrechtmatig heeft gehandeld; het hof Den Haag bekrachtigt dat vonnis na een belangenafweging tussen art. 10 en art. 8 EVRM, waarbij het hof onder meer centraal stelt dat [verweerder] slechts één uitlating specifiek over [eiser 1] heeft gedaan (“Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers”), dat hij de overige opmerkingen in algemene zin over de letselschademarkt heeft geuit, en dat de wijze waarop de journalist deze in het artikel heeft gemonteerd primair aan de journalist moet worden toegerekend. Het hof acht verder van belang dat [verweerder] als deskundige was benaderd in het kader van een publiek debat over letselschade en “cowboys” in de markt, dat zijn kernuitspraak voldoende steun vond in de door de journalist voorgehouden feiten (waaronder eerdere media‑uitingen van [eiser 1] en de situatie rond de VSSA) en dat hij de nodige terughoudendheid betrachtte door te formuleren met “het lijkt erop dat”. In cassatie klagen [eisers] in hoofdzaak dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteert en relevante omstandigheden verkeerd weegt of buiten beschouwing laat, onder meer over de bijzondere positie van advocaten (vergeleken met de pers), het gewicht van de publieke perceptie, de vraag of [verweerder] feitelijk “rechtstreeks” in de media heeft gesproken en zijn verantwoordelijkheid voor controle‑ en correctiemaatregelen rond het interview.

IEF 23330

PWN moet NAW-gegevens contractanten aan Cocensus verstrekken

Rechtbank Noord-Holland 24 feb 2026, IEF 23330; ECLI:NL:RBNHO:2026:1782 (Cocensus tegen PWN), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/pwn-moet-naw-gegevens-contractanten-aan-cocensus-verstrekken

Rb Noord-Holland 24 februari 2026, IEF 23330; ECLI:NL:RBNHO:2026:1782 (Cocensus tegen PWN). Cocensus heft en int voor veertien Noord-Hollandse gemeenten de rioolheffing en baseert zich daarbij op verordeningen waarin eigendom/gebruik van een perceel dat op de riolering is aangesloten en het waterverbruik (m³ leidingwater) als heffingsmaatstaf gelden. Cocensus ontving jarenlang op grond van het Bggb van PWN bulkdatasets per gemeente met onder meer NAW-gegevens van alle contractanten, het verbruiksadres en het verbruik, maar PWN is per 1 oktober 2024 uit privacy‑ en datalekoverwegingen gestopt met het meesturen van NAW‑gegevens en levert sindsdien alleen nog verbruiksgegevens. Cocensus vordert in kort geding dat PWN voor de in de uitspraak genoemde gemeenten onverwijld weer alle in productie 7 in de kolom “Nodig voor belastingheffing” oranje gemarkeerde gegevens (waaronder NAW van contractanten en een partnersoort‑code) verstrekt, op straffe van een dwangsom van 2.500 euro per dag met een maximum van 100.000 euro, plus veroordeling in de proceskosten. Zij stelt dat PWN als informatieplichtige in de zin van artikel 1 en 5 Bggb wettelijk verplicht is die gegevens te leveren, dat zij de gegevens verwerkt ter uitvoering van een taak van algemeen belang (belastingheffing) zodat de verwerking AVG‑conform is, en dat zij de gegevens dringend nodig heeft om binnen drie jaar juiste aanslagen op te leggen en verordeningen rioolheffing passend vorm te geven. PWN voert verweer dat zij als verwerkingsverantwoordelijke aan de AVG moet voldoen, dat bulkverstrekking van NAW‑gegevens in strijd is met dataminimalisatie, dat artikel 5 Bggb alleen NAW‑gegevens van belastingplichtigen zou betreffen (en de contractant niet steeds de belastingplichtige is), dat gemeenten via BRP en BRK zelf belastingplichtigen kunnen bepalen, dat zij in incidentele gevallen nog wel NAW wil geven en dat een spoedeisend belang ontbreekt omdat gemeenten na de wijziging toch aanslagen hebben opgelegd en verordeningen voor 2025 en 2026 hebben vastgesteld.

IEF 23328

Geen aansprakelijkheid verkopers na rebranding BLOS: opzetdrempel voor doorbreken contractuele aansprakelijkheidsbeperkingen niet gehaald

Rechtbank Amsterdam 21 jan 2026, IEF 23328; ECLI:NL:RBAMS:2026:252 (BFNL tegen Verkopers), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/geen-aansprakelijkheid-verkopers-na-rebranding-blos-opzetdrempel-voor-doorbreken-contractuele-aansprakelijkheidsbeperkingen-niet-gehaald

Rb Amsterdam 21 januari 2026, IEF 23328; ECLI:NL:RBAMS:2026:252 (BFNL tegen Verkopers). Babilou Family Netherlands B.V. (BFNL) kocht in 2021 op grond van een Share Purchase Agreement (SPA) alle aandelen in MC Child Holding van een groep verkopers, waaronder Mentha Capital. MC Child Holding exploiteerde via dochtervennootschappen kinderopvanglocaties in Nederland, grotendeels onder de merknaam BLOS. Deze merknaam was in 2018 gekozen na een merkonderzoek door een merkenbureau. In dat onderzoek werd gewezen op een mogelijk conflict met een ouder merk, BLOSSE, dat door Stichting Blosse werd gebruikt voor vergelijkbare activiteiten. Ondanks dit risico besloten de verkopers de naam BLOS toch te gebruiken en registreerden zij het woord- en beeldmerk. In het kader van de verkoop aan BFNL werd een due diligence-onderzoek uitgevoerd en kregen kopers toegang tot een digitale dataroom. De adviezen van het merkenbureau en de correspondentie over het mogelijke conflict met het merk BLOSSE werden daarin niet opgenomen. In de SPA waren diverse garanties opgenomen over intellectuele eigendomsrechten en een regeling voor aansprakelijkheid, waaronder vervaltermijnen en een beperking van aansprakelijkheid van verkopers, behalve in gevallen van fraude, opzettelijk wangedrag of opzettelijke verzwijging. In 2024 stelde Stichting Blosse BFNL aansprakelijk wegens merkinbreuk en sommeerde zij het gebruik van BLOS te staken. Na juridisch advies besloot BFNL tot een rebranding van de kinderopvanglocaties en stelde zij de verkopers aansprakelijk voor de kosten, stellende dat zij relevante informatie over het merkonderzoek en de oudere rechten van Stichting Blosse hadden verzwegen.

IEF 23327

Rechtbank Amsterdam: SDBN voldoet volgens tussenuitspraak niet aan ontvankelijkheidseisen WAMCA

Rechtbank Amsterdam 4 feb 2026, IEF 23327; ECLI:NL:RBAMS:2026:1555 (SDBN tegen X Corp c.s.), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-sdbn-voldoet-volgens-tussenuitspraak-niet-aan-ontvankelijkheidseisen-wamca

Rb. Amsterdam 4 februari 2026, IEF 23327; IEFbe 5126; ECLI:NL:RBAMS:2026:1555 (SDBN tegen X Corp c.s.). De Rechtbank Amsterdam oordeelt in deze tussenuitspraak dat Stichting Data Bescherming Nederland (SDBN) op basis van de huidige stand van de procedure niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard in haar collectieve vorderingen tegen X Corp c.s. over het gebruik van persoonsgegevens via MoPub-apps. Volgens de rechtbank is niet voldaan aan het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a BW. Daarbij weegt mee dat SDBN zegt op te komen voor een zeer omvangrijke groep, die volgens de rechtbank in de praktijk ongeveer overeenkomt met vrijwel alle Nederlandse smartphonegebruikers in de relevante periode, terwijl zich slechts circa 11.000 personen via de website hebben aangemeld. Dat aantal acht de rechtbank, afgezet tegen een potentiële groep van ongeveer 11 miljoen personen, te gering om te kunnen aannemen dat sprake is van een voldoende echte en niet te verwaarlozen achterban. Ook acht de rechtbank van belang dat de website van SDBN geen volledig juist beeld gaf van de ingestelde procedure, omdat daar onvoldoende duidelijk werd gemaakt dat de zaak in wezen betrekking heeft op schadevergoeding wegens gegevensverwerkingen uit het verleden, uitsluitend tegen X Corp c.s., en niet op het afdwingen van toekomstig gedrag van “Twitter en andere bedrijven”.

IEF 23326

Laurens Kamp start Rightlane Legal, IP & Licensing

Vanaf 2026 krijgt de wereld van het intellectuele eigendomsrecht er een nieuw en onderscheidend kantoor bij: Rightlane Legal, IP & Licensing. Laurens Kamp, voor velen een bekende naam als oud-advocaat bij Simmons & Simmons en Bingh, voormalig redactie-lid van IE-forum en het BMM-bulletin én oud-docent bij de BBMM-opleiding voor merken- en modellengemachtigden, keert terug naar vertrouwde grond. In de afgelopen jaren heeft Laurens zijn expertise verder verdiept als bedrijfsjurist en Head of Licensing, waar hij onder andere intensief samenwerkte met grote namen als Disney, WarnerBros. Discovery en Paramount Skydance. Deze brede en unieke ervaring vormt nu de basis van Rightlane Legal, IP & Licensing.

Rightlane specialiseert zich volledig in het intellectuele eigendomsrecht, met een sterke nadruk op (entertainment)licentiecontracten. Of het nu gaat om het beschermen van creatieve concepten, het ontwikkelen van licentieprogramma' s, assistentie bij royalty audits of om ondersteuning bij een geschil op het gebied van IE of licenties: Rightlane biedt praktisch en helder advies, precies afgestemd op de wensen van business owners en licentiemanagers. Korte lijnen, duidelijke taal, direct toepasbaar.

Meer weten? Neem een kijkje op www.rightlane.nl, bezoek de LinkedIn-pagina van Rightlane (www.linkedin.com/company/rightlane) of neem direct contact op met Laurens Kamp (Laurens.kamp@rightlane.nl en +31(0)6 2978 9976).

IEF 23324

Kort geding over online beschuldigingen en grensoverschrijdende uitingen op sociale media

Rechtbank Rotterdam 27 feb 2026, IEF 23324; ECLI:NL:RBROT:2026:2075 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/kort-geding-over-online-beschuldigingen-en-grensoverschrijdende-uitingen-op-sociale-media

Rb Rotterdam 27 februari 2026, IEF 23324; ECLI:NL:RBROT:2026:2075 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak zijn eiser, een publiek bekende activist, en gedaagde, een zeer actieve gebruiker van sociale media en een eigen website, sinds begin 2025 in een escalerende online ruzie verwikkeld, waarin zij over en weer berichten plaatsen en aangifte doen. Eiser stelt dat gedaagde structureel grensoverschrijdende uitingen over hem en zijn gezin doet. Zij noemt hem onder meer psychopaat en NSB’er, maar vooral beschuldigt zij hem van ernstige strafbare feiten zoals geestelijke mishandeling, psychisch geweld, stalking, doxing, femicide en kindermisbruik, publiceert portretten van eiser met teksten als “kinderen neuken”, deelt privé-informatie uit zijn echtscheiding en betrekt zijn minderjarige kinderen door een geblurde foto van hen te plaatsen met dreigende teksten, alsook een spraakbericht aan zijn zoon te sturen. Na een sommatiebrief weigert gedaagde in te binden en daagt eiser haar in kort geding, waarin hij vordert: een verbod op bedreigingen jegens hem en zijn kinderen, een (primair ruim, subsidiair toegespitst) verbod om hem van bepaalde strafbare feiten te beschuldigen, een verbod op berichten over zijn gezinsleven, kinderen, echtscheidingsgeschil en adres, een verbod op gebruik van zijn portret, een verwijderingsgebod voor bestaande uitingen, een rectificatie op diverse socialemediakanalen, een contact- en gebiedsverbod ten opzichte van hem en zijn kinderen, verbeurte van dwangsommen en, bij uitputting daarvan, lijfsdwang, plus een veroordeling van gedaagde in de werkelijke proceskosten. Gedaagde voert verweer en formuleert in een eigen “Verzetschrift” tegenvorderingen, maar die gelden niet als eis in reconventie omdat zij daarvoor een advocaat nodig had; de voorzieningenrechter acht de zaak spoedeisend en bespreekt vervolgens het toetsingskader van de botsing tussen eisers recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie (artikel 8 EVRM) en gedaagdes vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM), waarbij aan de hand van de aard van de uitlatingen, de ernst van de gevolgen, het beschikbare feitenmateriaal, de context en de maatschappelijke positie van partijen wordt afgewogen of sprake is van onrechtmatigheid.

IEF 23325

Uitspraak ingezonden door Bjorn Schipper, Plus One Legal.

Rb. Amsterdam: Armada hoeft artiest geen hogere royalty’s te betalen, digitale exploitatie door Armada geen derdenlicentie; opzegging per 1 juli 2026 geldig

Rechtbank Amsterdam 4 mrt 2026, IEF 23325; C/13/764572 (eiser tegen Armada), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-amsterdam-armada-hoeft-artiest-geen-hogere-royalty-s-te-betalen-digitale-exploitatie-door-armada-geen-derdenlicentie-opzegging-per-1-juli-2026-geldig

Rb. Amsterdam 4 maart 2026, IEF 23325; C/13/764572 / HA ZO 25-424 (eiser tegen Armada). De Rechtbank Amsterdam beslist in een geschil tussen een artiest/producer en Armada Music B.V. over de vraag welk royaltypercentage geldt voor de digitale exploitatie van muziekopnames, met name streaming en downloads. De artiest stelt dat digitale exploitatie via platforms als Spotify, YouTube en Apple moet worden aangemerkt als exploitatie via derden, zodat op grond van de contractuele regeling voor “third party income” een vergoeding van 50% van de netto-inkomsten verschuldigd is. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Zij oordeelt dat niet is komen vast te staan dat Armada de platencontracten onjuist heeft toegepast. De contractuele 50%-regeling ziet volgens de rechtbank op specifieke gevallen waarin een hogere royaltyvergoeding verschuldigd is, maar digitale exploitatie via online platforms valt daar niet onder. Daarbij weegt mee dat gedurende lange tijd op deze wijze uitvoering aan de contracten is gegeven zonder dat de artiest daartegen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de royaltybepalingen ongeldig te verklaren of te wijzigen. Armada heeft het digitale royaltytarief inmiddels met terugwerkende kracht verhoogd naar 22%.

IEF 23323

Uitspraak ingezonden door Jesper Vrielink, Jeroen Boelens en Susanne Bijvank, CMS.

Rb. Amsterdam: geen verbod op handelsnaam Hotelgiftcard ondanks grote gelijkenis met Hotelgift

Rechtbank Amsterdam 26 feb 2026, IEF 23323; C/13/782572 (Experiencegift tegen Hotelgiftcard), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-amsterdam-geen-verbod-op-handelsnaam-hotelgiftcard-ondanks-grote-gelijkenis-met-hotelgift

Rb. Amsterdam 26 februari 2026, IEF 23323; C/13/782572 / KG ZA 26-70 MK/JD (Experiencegift tegen Hotelgiftcard). In dit kort geding vorderde Experiencegift een verbod op het gebruik van de handelsnamen HOTELGIFTCARD en HOTELGIFTCARD.COM, overdracht van de domeinnaam hotelgiftcard.com en nevenvoorzieningen, omdat Hotelgiftcard.com volgens haar inbreuk maakte op haar oudere handelsnaam Hotelgift in de zin van artikel 5 Handelsnaamwet en daarnaast onrechtmatig handelde. De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden beoordeeld onder welke naam partijen hun onderneming daadwerkelijk drijven, of de namen slechts in geringe mate van elkaar afwijken en of daardoor, gelet op de aard van de ondernemingen, hun vestigingsplaats en alle overige omstandigheden, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is. De rechter acht voldoende aannemelijk dat Experiencegift haar onderneming mede onder de naam Hotelgift drijft, ook al gebruikt zij die naam niet steeds eenduidig en soms ook als productaanduiding. Eveneens acht de rechter niet aannemelijk dat de wederpartij uitsluitend de naam Hotelgiftcard.com voert: in het normale taalgebruik wordt ook Hotelgiftcard gebruikt, terwijl de toevoeging “.com” vrijwel geen onderscheidend vermogen toevoegt. Vervolgens oordeelt de rechter dat Hotelgift en Hotelgiftcard slechts gering van elkaar afwijken, omdat het element “card” in deze context, beide ondernemingen verkopen hotelcadeaukaarten, nauwelijks onderscheidend is.