Artikel geschreven door Roos Dolman.
Dai Dai en de juridische choreografie van een WK-hit
Een WK-lied moet meer kunnen dan blijven hangen. Het moet klinken in stadions, werken in televisiemontages, dansbaar zijn op TikTok, bruikbaar zijn voor sponsors en tegelijk de emotie van een mondiaal sportevenement vangen. Dai Dai, de officiële FIFA World Cup 2026-song van Shakira en Burna Boy, is precies zo’n nummer. Maar wie juridisch meeluistert, hoort méér dan een aanstekelijk refrein. Achter de ogenschijnlijke eenvoud van Dai Dai gaat een zorgvuldig opgebouwde rechtenstructuur schuil. Het nummer is niet alleen een lied, maar ook een muziekwerk, een fonogram, een uitvoering, een audiovisueel bestanddeel, een marketinginstrument, een platformobject en een bouwsteen in FIFA’s commerciële ecosysteem.
Juist daarin schuilt de interessante IE-vraag. Dai Dai is geen casus omdat er een groot juridisch conflict omheen hangt, maar omdat het nummer laat zien hoe moderne muziekexploitatie in de praktijk werkt. Auteursrecht, naburige rechten, collectief beheer, platformregulering, mediarechten, merkenrecht en commerciële contracten spelen hier allemaal hun eigen partij. De WK-hit blijkt daarmee niet alleen muzikaal georkestreerd, maar ook juridisch zorgvuldig gechoreografeerd.
Deze bijdrage sluit daarmee aan bij de bredere vragen die WK & Recht op dinsdag 23 juni 2026 centraal staan: hoe werken merken, marketing, licenties, data, privacy en intellectuele eigendomsrechten samen rond een mondiaal sportevenement als het WK?
Schrijf je nu nog hier in.
Rectificatie bevolen na misleidende publicatie over oud-werknemer
Rb. Rotterdam 21 april, IEF 23630; ECLI:N:RBROT:2026:5250 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen [eiser] en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door klanten van haar beautysalon te berichten dat [eiser], een voormalig werknemer, zonder haar medeweten Tikkie-betalingen van klanten zou hebben ontvangen. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam oordeelt dat sprake is van een feitelijk onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie. De beschuldigingen vinden onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal en tasten de goede naam van [eiser] aan. [gedaagde] moet daarom een rectificatie versturen en inzage verschaffen in de geadresseerden van zowel het oorspronkelijke bericht als de rectificatie, op straffe van een dwangsom, en wordt veroordeeld in de proceskosten. [eiser] was van mei 2023 tot februari 2025 in dienst bij [gedaagde]. Nadat tussen partijen een geschil was ontstaan over onder meer achterstallig loon, stuurde [gedaagde] in februari 2026 een e-mail aan een aantal klanten. Daarin schreef zij dat "gebleken" was dat [eiser] zonder haar medeweten klanten had verzocht betalingen via Tikkie naar haar persoonlijke rekening over te maken, dat inmiddels aangifte was gedaan en dat voor een politieonderzoek en een rechtszaak bewijs werd verzameld. Aan de ontvangers werd gevraagd hun bankgegevens te controleren en eventuele Tikkie-betalingen aan [eiser] te melden. Volgens [eiser] waren deze beschuldigingen onjuist en schadelijk voor haar reputatie. Zij wees erop dat zij meerdere betalingen via Tikkie juist op instructie of met toestemming van [gedaagde] had ontvangen. Nadat [gedaagde] weigerde haar bericht in te trekken of een rectificatie te versturen, startte [eiser] dit kort geding. De voorzieningenrechter stelt voorop dat sprake is van een botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] en het recht van [eiser] op bescherming van haar goede naam. Een rectificatie kan worden bevolen wanneer sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van feitelijke gegevens die onrechtmatig is jegens een ander. Daarbij zijn onder meer van belang de ernst van de beschuldiging, de mate waarin de goede naam wordt aangetast en de vraag of de beschuldiging voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Volgens de voorzieningenrechter is daarvan hier sprake. Het bericht vermeldt dat "gebleken" zou zijn dat [eiser] zonder medeweten van [gedaagde] betalingen via Tikkie heeft ontvangen. Uit door [eiser] overgelegde WhatsApp-berichten blijkt echter dat [gedaagde] in meerdere gevallen juist instructie of toestemming heeft gegeven voor dergelijke betalingen. Ook heeft [eiser] per e-mail een overzicht van ontvangen betalingen aan [gedaagde] verstrekt. [gedaagde] erkent bovendien dat voor een deel van de betalingen toestemming bestond, maar stelt dat andere betalingen onterecht zijn ontvangen. Daarmee strookt haar bericht niet.
Geen voorlopige IE-voorziening tegen VIARO wegens ontbreken van spoedeisend belang
Rb. Den Haag 5 juni 2026, IEF 23628; ECLI:NL:RBDHA:2026:14952 (Varo tegen Viaro). Varo vordert in kort geding een EU-wijd verbod op het gebruik door Viaro Energy en RockRose Energy van de tekens VIARO, Viaro Energy, het Viaro-logo en de aanduiding “part of Viaro Group” voor energieproducten en daaraan gerelateerde diensten. Varo beroept zich primair op haar Uniewoordmerk VARO, ingeschreven voor onder meer brandstoffen, olie- en gasproducten, handel, transport, distributie, raffinage en exploratie van energieproducten, en stelt dat sprake is van verwarringsgevaar in de zin van art. 9 lid 2 onder b UMVo. Subsidiair vordert Varo een verbod op het gebruik van Viaro en Viaro Energy als handelsnaam in Nederland. Volgens Varo zijn partijen actief in dezelfde energiesector en dreigt bovendien reputatieschade door negatieve Britse publicaties over de CEO van Viaro. Viaro betwist de gestelde merk- en handelsnaaminbreuk en voert aan dat haar activiteiten hoofdzakelijk plaatsvinden in het Verenigd Koninkrijk en het Noordzeegebied, dat operationele activiteiten worden verricht onder de naam RockRose Energy, dat de aanduiding VIARO in de EU slechts beperkt en in corporate context wordt gebruikt, en dat partijen verschillen in positie binnen de energieketen, producten en klantenkring. De voorzieningenrechter acht zich voor de Uniemerkvordering bevoegd met werking voor de gehele Europese Unie, omdat Viaro buiten de EU is gevestigd en Varo in Nederland; voor de Nederlandse handelsnaamvordering is de bevoegdheid niet betwist.
Geen merkinbreuk: Container Centralen onderbouwt handel in eurocontainers onvoldoende
Rb. Den Haag 3 juni 2026, IEF 23629; ECLI:NL:RBDHA:2026:14890 (Container Centralen tegen Celieplant). In deze zaak tussen Container Centralen en Celieplant staat de vraag centraal of Celieplant toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten, merkinbreuk heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door eurocontainers van Container Centralen of daarop gelijkende containers op te slaan en in circulatie te brengen. De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Container Centralen haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Alle vorderingen worden afgewezen. De eerder ten laste van Celieplant gelegde bewijsbeslagen worden opgeheven. Container Centralen exploiteert een rouleersysteem van zogenoemde CC Eurocontainers, die veel worden gebruikt in de bloemen- en potplantenbranche. Zij is houdster van een Uniebeeldmerk voor onder meer deze containers. Het modelrecht en het octrooirecht op de CC Eurocontainer zijn inmiddels verlopen. Celieplant is actief als importeur, exporteur en commissionair van planten en was tot 2023 deelnemer aan het CC Eurocontainer Poolsysteem. Daarnaast huurt zij ook eurocontainers van andere marktpartijen. Aanleiding voor het geschil vormde een bewijsbeslag dat Container Centralen in maart 2024 liet leggen bij J.B.B. Pack. Volgens het proces-verbaal van de deurwaarder werden daar zowel "originele EC-containers" als "nagenoeg identieke imitatie EC-containers" aangetroffen. Ook bij Celieplant werd later bewijsbeslag gelegd. Container Centralen stelde dat Celieplant haar contractuele verplichtingen had geschonden door CC Eurocontainers op het terrein van JBB te stallen en daarnaast merkinbreuk maakte door originele en namaakcontainers aan te bieden, te verhuren of anderszins in circulatie te brengen. Volgens Container Centralen leidde dit bovendien tot vervuiling van haar poolsysteem, omdat namaakcontainers niet van originele containers zouden zijn te onderscheiden. De rechtbank volgt die redenering niet. Zij stelt voorop dat de CC Eurocontainers die Celieplant op grond van de OWS-overeenkomsten huurt een gesloten route afleggen: Container Centralen levert de containers af en haalt deze ook zelf weer op bij de eindafnemer. Die containers kunnen daarom niet bij Celieplant achterblijven. Verder heeft Celieplant voldoende onderbouwd dat zij ook eurocontainers van andere marktpartijen huurt. Tussen partijen staat vast dat inmiddels meerdere ondernemingen vergelijkbare eurocontainers produceren en aanbieden. Omdat zowel het modelrecht als het octrooirecht van Container Centralen zijn verlopen, mogen andere marktpartijen dergelijke containers in beginsel vervaardigen en verhuren. Het staat Celieplant eveneens vrij om deze te huren.
Rb. Amsterdam: klantenbestand kwalificeert als bedrijfsgeheim
Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IEF 23627; IT 5312; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 (TMU tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen TMU en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een klantenbestand van TMU te gebruiken voor eigen marketingactiviteiten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het klantenbestand van TMU een bedrijfsgeheim vormt en dat [gedaagde] door het zonder toestemming gebruiken van dat bestand onrechtmatig heeft gehandeld op grond van onder meer artikel 6:162 BW en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb). [gedaagde] wordt bevolen ieder verder gebruik van het klantenbestand te staken en opgave te doen van de met het bestand verrichte marketingactiviteiten en de daarmee behaalde omzet en winst. TMU is actief op het gebied van handelseducatie en financiële markten en verkoopt cursussen over handelen op de financiële markt. [gedaagde] exploiteert een concurrerende onderneming. Partijen hadden sinds 2022 zowel een zakelijke als persoonlijke relatie. In april 2026 verstuurde [gedaagde] vanaf zijn eigen e-mailadres een commerciële e-mail aan een groot aantal adressen die onderdeel bleken te zijn van het klantenbestand van TMU. In die e-mail presenteerde hij zich als de "mentor van uw mentor" en maakte hij reclame voor zijn eigen diensten. Daarnaast plaatste hij een vergelijkbaar bericht op Telegram. Van de 66 adressen waarvan TMU meldingen ontving, kwamen er 64 voor in haar klantenbestand. Elf ontvangers verklaarden bovendien dat zij het betreffende e-mailadres uitsluitend gebruikten voor hun account bij TMU. Volgens TMU had een voormalig opdrachtnemer eind 2025 een grote hoeveelheid vertrouwelijke bedrijfsinformatie ontvreemd, waaronder het klantenbestand. TMU stelde dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig handelde en tevens in strijd met de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb) en de regels over vergelijkende reclame. [gedaagde] voerde aan dat hij het adressenbestand anoniem had ontvangen via een link, er niet voor had betaald en niet wist van wie het afkomstig was. Nadat hij de e-mails had verzonden, zou hij het bestand weer hebben verwijderd. De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] onder deze omstandigheden had moeten begrijpen dat een dergelijk klantenbestand economische waarde vertegenwoordigt. Als actief handelaar op een concurrerende markt ontving hij zonder tegenprestatie een omvangrijk adressenbestand. Door dat bestand zonder enige controle voor eigen commerciële doeleinden te gebruiken, heeft hij willens en wetens het risico aanvaard dat hij inbreuk maakte op rechten van derden. Dat handelen is voorshands onrechtmatig. Daarbij weegt mee dat [gedaagde] de e-mail zelf heeft opgesteld en daarin expliciet verwees naar [naam 1] van TMU, die hij persoonlijk kende. Verder acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat TMU geen toestemming heeft gegeven voor verspreiding van haar klantenbestand, dat het bestand aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt en bovendien het voornaamste bedrijfsdebiet van TMU vormt. Daarom wordt het gevorderde verbod op verdere verkrijging, openbaarmaking en gebruik van het klantenbestand toegewezen, waaraan een dwangsom wordt verbonden van € 20.000 per dag met een maximum van € 500.000
GvEU vernietigt EUIPO-besluit: parkeerdiensten wel complementair aan parkeerapps
Gerecht EU 17 juni 2026, IEF 23625; ECLI:EU:T:2026:402 (Parkster tegen EUIPO en Ühisteenused). In deze zaak tussen de Zweedse onderneming Parkster en de Estse onderneming Ühisteenused staat de vraag centraal of diensten voor het aanbieden van parkeerplaatsen soortgelijk zijn aan software, mobiele applicaties en betaaldiensten voor het betalen van parkeergeld. Het Gerecht van de Europese Unie oordeelt dat het EUIPO ten onrechte heeft aangenomen dat van enige soortgelijkheid geen sprake is. Volgens het Gerecht bestaat tussen deze diensten en producten juist een nauwe samenhang, waardoor zij ten minste in geringe mate soortgelijk zijn. Die soortgelijkheid berust specifiek op de complementariteit: ook wanneer de betrokken software en apps niet strikt onmisbaar zijn, is voldoende dat zij belangrijk zijn voor het gebruik van de parkeerdiensten (en omgekeerd) om complementariteit en daarmee een (lage) mate van soortgelijkheid aan te nemen. Het besluit van de Kamer van Beroep wordt daarom vernietigd. De zaak begon met een aanvraag van Ühisteenused voor het Uniewoordmerk PARKNER voor onder meer diensten in klasse 39, waaronder parkeerdiensten, verhuur van parkeerplaatsen en garages, parkeerreserveringen, luchthavenparkeerdiensten en het verstrekken van informatie over parkeren. Tegen deze aanvraag stelde Parkster oppositie in op basis van haar oudere Uniewoordmerk PARKSTER en een Zweeds beeldmerk Parkster, die onder meer zijn ingeschreven voor software voor het betalen van parkeergelden, downloadbare mobiele applicaties voor het betalen van parkeergelden, parkeermeters en betaaldiensten voor parkeergelden via mobiele applicaties. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. De oppositieafdeling gaf Parkster gedeeltelijk gelijk. De aanvraag voor PARKNER werd geweigerd voor de waren en diensten in de klassen 9, 36 en 42, maar de oppositie werd afgewezen voor alle diensten in klasse 39. Volgens de oppositieafdeling bestond voor die diensten geen verwarringsgevaar. Parkster ging daartegen in beroep, maar de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO bevestigde dat oordeel. Zij achtte parkeerdiensten wezenlijk verschillend van software en betaaldiensten voor parkeergelden. Volgens de Kamer van Beroep verschilden de aard, het doel, de gebruikswijze en de distributiekanalen van de betrokken diensten en waren zij evenmin complementair. Dat een parkeerapp gebruikt kan worden om parkeerdiensten toegankelijker te maken, was volgens haar onvoldoende om soortgelijkheid aan te nemen. Het Gerecht stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op artikel 8 lid 1 onder b UMVo zowel sprake moet zijn van overeenstemming tussen de merken als van identieke of soortgelijke waren of diensten. Ontbreekt die laatste voorwaarde, dan kan de oppositie zonder verdere beoordeling worden afgewezen. De beoordeling van soortgelijkheid moet plaatsvinden aan de hand van alle relevante factoren, waaronder de aard van de waren of diensten, hun bestemming, gebruikswijze, onderlinge concurrentieverhouding en eventuele complementariteit. Het Gerecht volgt het EUIPO gedeeltelijk. De betrokken diensten en producten verschillen inderdaad in hun aard en primaire bestemming. Parkeerdiensten zijn gericht op het fysiek beschikbaar stellen van een parkeerplaats of het verstrekken van informatie daarover, terwijl de oudere merken betrekking hebben op software en diensten voor het betalen en beheren van parkeergelden.
Herinnering: Eerste alumniborrel 26 juni!
Beste (toekomstige) alumni,
Op vrijdag 26 juni trappen we af met onze allereerste alumni-activiteit: een borrel! De borrel vindt plaats bij Café Lodewijk (Universiteitsbibliotheek Binnenstad, Drift 27, 3512 BR Utrecht) met inloop vanaf 18.00 uur. De borrel is verder kosteloos.
Zoals aangegeven is dit een mooie gelegenheid om bij te praten en nieuwe connecties te maken. Daarnaast bespreken we gedurende de avond enkele interessante stellingen. Hiermee starten we rond 18.30 uur. Lijkt het je leuk om met collega's in gesprek te gaan over een bepaald onderwerp? Stuur ons dan gerust een privébericht!
Heb je je nog niet aangemeld? Doe dat dan via de onderstaande link.
Artikel door Daniël de Weerd, Brinkhof.
De vibe coder maakt genoeg creatieve keuzes voor bescherming van zijn werk
Artikel door Daniël de Weerd. Oorspronkelijk verschenen in AI-Forum 2026-2.
Software is traditioneel kennis- en arbeidsintensief om te maken en wordt daarom door het auteursrecht beschermd. Auteursrechtelijke bescherming veronderstelt echter een menselijke maker. Nu steeds meer regels broncode niet meer door een mens, maar door een AI-model in opdracht van een mens worden geschreven (“vibe coding”), roept dat de vraag op in hoeverre deze bescherming nog mogelijk en zinvol is. In deze korte bijdrage betoog ik dat die bescherming mogelijk en zinvol blijft, omdat ook de vibe coder meer dan genoeg “vrije en creatieve keuzes” maakt die het Hof van Justitie vereist.
Dit is een preview. Het volledige artikel is nu beschikbaar op www.AI-Forum.nl
Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum.
'Geïnspireerd door' bekende parfummerken en gebruik van producttags levert merkinbreuk op
Rb. Den Haag 11 juni 2026, IEF 23622; RB 4025; C/09/703674 (Coty tegen Petite Mort). In deze zaak tussen Coty en Perfumedia, handelend onder de naam Petite Mort, staat de vraag centraal of Petite Mort met de verkoop van zogenoemde imitatieparfums inbreuk maakt op de merkrechten van Coty en of haar vergelijkende reclame geoorloofd is. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag oordeelt voorshands dat Petite Mort op meerdere gronden inbreuk maakt op de Coty‑merken (art. 9 lid 2 onder a, b en c UMVo, in samenhang met de corresponderende bepalingen in het BVIE) en bovendien ongeoorloofde vergelijkende reclame maakt in de zin van artikel 6:194a BW. Coty maakt deel uit van de Coty Group, die wereldwijd schoonheidsproducten en parfums verhandelt van onder meer de merken Burberry, Chloé, Gucci en Hugo Boss. Binnen de groep is Coty verantwoordelijk voor de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten. Zij beschikt over exclusieve licenties voor een groot aantal parfummerken, waaronder BURBERRY, BURBERRY BODY, BURBERRY BRIT, MY BURBERRY, BURBERRY GODDESS, CHLOE, GUCCI, GUCCI RUSH, GUCCI FLORA, GUCCI GUILTY, HUGO BOSS, BOSS BOTTLED en BOSS THE SCENT. Petite Mort verkoopt via haar website en sociale media parfums die volgens haar eigen zeggen zijn "geïnspireerd door" bekende designerparfums. Op de website worden onder meer uitingen gebruikt als "Het premium alternatief voor designerparfums, zonder het luxe prijskaartje", "Ruik naar je favoriet" en "Spray gerust. Zonder schuldgevoel". Bij individuele producten wordt verwezen naar de bekende merken, bijvoorbeeld met aanduidingen als "Sensual Rose – geïnspireerd door Chloe EDP". Daarnaast gebruikt Petite Mort merknamen als Hugo Boss, Chloé, Burberry en Gucci als producttags in de achtergrond van haar website, waardoor consumenten die naar deze merken zoeken uitkomen bij de producten van Petite Mort. Ook verspreidde Petite Mort een nieuwsbrief waarin werd gesteld dat de parfum in een designerfles gemiddeld slechts € 1,50 kost en dat consumenten vooral betalen voor marketingcampagnes, dure flesjes en grote Hollywoodsterren. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat Petite Mort de merken gebruikt in de zin van artikel 9 lid 3 UMVo. De merknamen worden immers zowel zichtbaar gebruikt in advertenties als onzichtbaar verwerkt in producttags die de vindbaarheid van de producten beïnvloeden. Volgens de voorzieningenrechter is niet van belang dat deze tags niet zichtbaar zijn voor de internetgebruiker, omdat zij wel degelijk het economisch gedrag van consumenten beïnvloeden. De gehele opzet van de onderneming van Petite Mort is er volgens de rechtbank op gericht om consumenten die op zoek zijn naar een merkparfum van Coty uit te laten komen bij de parfums van Petite Mort. Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter dat sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder a UMVo. Petite Mort gebruikt tekens die gelijk zijn aan de merken voor dezelfde waren waarvoor de merken zijn ingeschreven, namelijk parfums. Zo wordt bijvoorbeeld het teken "Chloe EDP" gebruikt bij een parfum van Petite Mort, waarbij de toevoeging "EDP" volgens de voorzieningenrechter uitsluitend beschrijvend is en het teken daarom gelijk is aan het merk CHLOE.Daarnaast is naar voorlopig oordeel sprake van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder b UMVo wegens verwarringsgevaar. De rechtbank acht daarbij van belang dat Petite Mort haar parfums presenteert als geuren die zijn geïnspireerd op bekende merken, terwijl tegelijkertijd wordt benadrukt dat zij hetzelfde ruiken, maar goedkoper zijn omdat de consument niet betaalt voor "dure logo's".
Noot geschreven door Allard Ringnalda, Klos.
Annotatie Mio & USM
Nr. 3 Hof van Justitite van de EU 4 december 2025
IEF 23142; ECLI:EU:C:2025:941
(Mio AB e.a./Galleri Mikael & Thomas Asplund Aktiebolag en Konektra GmbH & LN/USM U. Schärer Sohne AG)
(F. Biltgen, T. von Danwitz, I. Ziemele, A. Kumin en S. Gervasoni)
Samenvatting
Art. 2, 3 en 4 Rl. 2001/29 (Auteursrichtlijn, art. 10 en 13 Aw)
Er bestaat geen regel-uitzondering-relatie tussen modelrechtelijke bescherming enauteursrechtelijke bescherming in die zin dat bij het onderzoek van de oorspronkelijkheid vanvoorwerpen van toegepaste kunst hogere eisen moeten worden gesteld dan die welke gelden voor- andere soorten werken. Onder een werk in de zin van art. 2, 3 en 4 van Richtlijn 2001/29 (Auteursrechtrichtlijn) wordt een voorwerp verstaan dat de persoonlijkheid van de auteur ervanweerspiegelt door uitdruk- king te geven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur. Niet vrij encreatief zijn niet alleen keuzen die zijn ingegeven door verschillende – met name technische – beperkingen waaraan de auteur gebonden is tijdens het creëren van dat voorwerp, maar ookkeuzen die weliswaar vrij zijn maar niet de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aanhet voorwerp een uniek aspect te geven. Omstandigheden zoals de bedoelingen van die auteurtijdens het scheppingsproces, zijn inspiratie-bronnen, het gebruik van reeds beschikbare vormen, demogelijkheid dat gelijkaardige voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd of de erkenning vandat voorwerp in de vakkringen, kunnen in voorkomend geval in aanmerking worden genomen,maar zijn in elk geval noch noodzakelijk noch doorslaggevend om de oorspronkelijkheid van het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt vast te stellen. Om een inbreuk ophet auteursrecht vast te stellen, dient te worden bepaald of creatieve elementen van het beschermdewerk op een herkenbare manier zijn overgenomen in het vermeend inbreuk-makende voorwerp.Het feit dat dezelfde algemene visuele indruk wordt gewekt door de twee conflicterendevoorwerpen en de mate van oorspronkelijkheid van het betrokken werk zijn irrelevant. Hetmogelijke bestaan van een gelijkaardig voorwerp kan niet rechtvaardigen dat bescherming wordt geweigerd.























































































