IEF 23444
2 april 2026
Artikel

Overzicht UPC-uitspraken

 
IEF 23442
2 april 2026
Uitspraak

Afwijzing AVG-schadevordering en verklaring voor recht wegens bindende kracht van eerdere beschikking over dezelfde correspondentie

 
IEF 23443
2 april 2026
Uitspraak

Onrechtmatige socialmediaposts over vermeende bedreiging; bevel tot verwijdering en rectificatie in kort geding bekrachtigd

 
IEF 23444

Overzicht UPC-uitspraken

Overzicht UPC-uitspraken 26 maart t/m 1 april 2026

1 april 2026

UPC_CFI_1034/2025; UPC_CFI_931/2026
Gerecht: Düsseldorf Local Division
Type procedure: Application RoP262A
Partijen: Yangtze Memory Technologies Co., Ltd. tegen Micron Technology, Inc. e.a.
Waar gaat het over: een verzoekprocedure op grond van RoP 262A in een octrooigeschil in de halfgeleider-/geheugentechnologiesector.

UPC-CFI-00001920/2025
Gerecht
: Lisbon Local Division
Type procedure: Infringement Action
Partijen: Illumina, Inc. tegen Element Biosciences, Inc., Element Biosciences Netherlands B.V. en Instrumentos de Laboratório e Científicos, LDA
Waar gaat het over: een octrooi-inbreukprocedure in de biotech-/DNA-sequencingsector.

31 maart 2026

UPC_CFI_360/2025
Gerecht: Hamburg Local Division
Type procedure: Infringement Action
Partijen: Nixu FL IP Protection LLC tegen INFOBLOX INC. e.a.
Waar gaat het over: een octrooi-inbreukprocedure, vermoedelijk op het terrein van netwerk- of IT-technologie.

IEF 23442

Afwijzing AVG-schadevordering en verklaring voor recht wegens bindende kracht van eerdere beschikking over dezelfde correspondentie

Rechtbank Gelderland 18 feb 2026, IEF 23442; ECLI:NL:RBGEL:2026:1252 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/afwijzing-avg-schadevordering-en-verklaring-voor-recht-wegens-bindende-kracht-van-eerdere-beschikking-over-dezelfde-correspondentie

Rb. Gelderland 18 februari 2026, IEF 23442; IT 5180; ECLI:NL:RBGEL:2026:1252 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze bodemzaak tussen een voormalig onderbewindgestelde en zijn voormalige bewindvoerder vorderde eiser een verklaring voor recht dat de bewindvoerder in verzuim was wegens schending van de artikelen 12, 15 en 5 lid 1 AVG, artikel 843a Rv en artikel 6:82 BW, alsmede betaling van € 1.325 schadevergoeding en € 198,75 aan buitengerechtelijke incassokosten. Aan die vorderingen legde hij ten grondslag dat de bewindvoerder niet had gereageerd op zijn e-mail van 1 oktober 2024, waarin hij vroeg om alle correspondentie waarbij zijn oude e-mailadres was gebruikt en om correspondentie uit 2014 en 2015 over het CBR, het alcoholslotprogramma en termijnbetalingen. De bewindvoerder voerde daartegen aan dat over diezelfde correspondentie en over de daaraan gekoppelde schade al eerder tussen partijen was beslist in een eerdere procedure, die had geleid tot een beschikking van 31 januari 2025, welke inmiddels kracht van gewijsde had gekregen. De kantonrechter stelt voorop dat artikel 236 Rv ook ten aanzien van beschikkingen beslissende betekenis kan hebben en dat moet worden beoordeeld of een nieuw oordeel zich zou verdragen met de eerdere uitspraak. Daarbij komt het aan op de grondslag van de eerdere vordering, het processuele debat en de eerdere beslissing.

IEF 23443

Uitspraak ingezonden door Femmetje de Wind, ABC Legal

Onrechtmatige socialmediaposts over vermeende bedreiging; bevel tot verwijdering en rectificatie in kort geding bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 mrt 2026, IEF 23443; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/onrechtmatige-socialmediaposts-over-vermeende-bedreiging-bevel-tot-verwijdering-en-rectificatie-in-kort-geding-bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 maart 2026, IEF 23433; IT5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]). In dit kort geding in hoger beroep stond de vraag centraal of door [appellant sub 1] geplaatste posts op sociale media over [geïntimeerde sub 1] en diens onderneming onrechtmatig waren. Aanleiding was een voicemailbericht van 13 september 2024 waarin [geïntimeerde sub 1], na vergeefse pogingen om met [appellant sub 1] in contact te komen over langer lopende kwesties, had gezegd: “Als jij denkt dat het vanzelf over gaat ehhh zo, dan ehhh heb je het echt mis hoor. Word alleen maar bozer en teleurgestelder. Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken en kom ik het uitpraten met je.” Op 31 oktober 2024 plaatste [appellant sub 1] op LinkedIn en op 1 november 2024 op X een ingekort fragment van dat bericht, namelijk: “mijn advies is, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken”, met begeleidende teksten waarin hij sprak van een voicemail van een “dreiger” en verwees naar de onderneming van [geïntimeerde sub 1]. Op 17 en 18 december 2024 verwees hij opnieuw naar die posts op respectievelijk X en Instagram. Het hof stelt voorop dat moet worden afgewogen welk fundamenteel recht in dit geval zwaarder weegt: het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM of het recht van [geïntimeerden] op eer en goede naam ex art. 8 EVRM. Daarbij past het hof de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf toe voor botsende grondrechten. Het hof oordeelt dat [appellant sub 1] het voicemailbericht onvolledig en daarmee misleidend heeft weergegeven. Door de woorden “en kom ik het uitpraten met je” weg te laten, heeft hij aan het bericht een andere, duidelijk dreigendere strekking gegeven dan het volledige voicemailbericht had. Dat oordeel weegt des te zwaarder omdat [geïntimeerde sub 1] nog op 13 september 2024 per e-mail had uitgelegd dat het bericht geen dreigement was, maar bedoeld was om een afspraak tot stand te brengen. Ondanks die toelichting heeft [appellant sub 1] de ingekorte versie alsnog geplaatst, voorzien van de kwalificatie “dreiger”. De door [appellanten] aangevoerde omstandigheden dat zij zich om andere redenen bedreigd voelden, zoals veelvuldige telefoontjes, een anonieme verklaring over vuurwapengevaarlijkheid en een latere uitlating van [geïntimeerde sub 1], acht het hof onvoldoende onderbouwd of niet relevant als rechtvaardiging voor juist deze publicaties.

IEF 23433

Kort geding over gevorderde rectificatie en verbod wegens gemeentelijke uitlatingen over speelpark; vorderingen afgewezen

Rechtbank Midden-Nederland 17 mrt 2026, IEF 23433; ECLI:NL:RBMNE:2026:1023 (speelpark Oud Valkeveen tegen de Gemeente), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/kort-geding-over-gevorderde-rectificatie-en-verbod-wegens-gemeentelijke-uitlatingen-over-speelpark-vorderingen-afgewezen

Rb. Midden-Nederland 17 maart 2026, IEF 23433; ECLI:NL:RBMNE:2026:1023 (speelpark Oud Valkeveen tegen de Gemeente). Speelpark Oud Valkeveen vordert in dit kort geding dat de Gemeente Gooise Meren twee op 29 januari 2026 op haar website geplaatste uitlatingen rectificeert en dat het de gemeente wordt verboden om dergelijke uitlatingen op basis van het thans bekende feitenmateriaal te herhalen. Het gaat om de mededelingen dat het speelpark in de afgelopen jaren een gestage groei heeft doorgemaakt die spanning oplevert met het omliggende natuurgebied en omwonenden, en dat de grenzen van het speelpark ten aanzien van stikstofuitstoot en natuur zijn bereikt. Volgens het speelpark zijn dit ongefundeerde beschuldigingen die schadelijk zijn voor zijn eer en goede naam, reputatie en bedrijfsvoering. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang gegeven, omdat het speelpark stelt schade te lijden en herhaling vreest. Vervolgens zet de rechtbank het toetsingskader uiteen: tegenover elkaar staan het belang van het speelpark bij bescherming tegen reputatieschade en het belang van de gemeente bij vrijheid van meningsuiting en deelname aan het publieke debat. Daarbij noemt de rechtbank de gebruikelijke gezichtspunten, zoals inhoud en vorm van de uitlatingen, de ernst van de gevolgen, de positie van de spreker, de feitelijke onderbouwing en de bijdrage aan een debat van algemeen belang. Voor rectificatie op grond van art. 6:167 BW is bovendien vereist dat sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard.

IEF 23434

UPC staat private transcripties van zittingsopnamen toe in InterDigital/Amazon‑zaak

Unified Patent Court (UPC) 30 mrt 2026, IEF 23434; UPC-COA-0000012/2026 (Amazon.com, Inc., Amazon Digital UK Limited, Amazon Europe Core S.à.r.l., Amazon EU S.à.r.l., Amazon Technologies, Inc., v. InterDigital VC Holdings, Inc., InterDigital Patent Holdings, Inc., InterDigital Madison Patent Holdings, SAS, InterDigital CE Pate), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/upc-staat-private-transcripties-van-zittingsopnamen-toe-in-interdigital-amazon-zaak

UPC CoA 30 maart 2026, IEF 23434; UPC-COA-0000012/2026 (Amazon.com, Inc., Amazon Digital UK Limited, Amazon Europe Core S.à.r.l., Amazon EU S.à.r.l., Amazon Technologies, Inc., v. InterDigital VC Holdings, Inc., InterDigital Patent Holdings, Inc., InterDigital Madison Patent Holdings, SAS, InterDigital CE Patent Holdings, SAS). De zaak betreft een incident in een SEP-geschil tussen Amazon en InterDigital bij de Local Division Mannheim, waarin op 14 november 2025 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en daarvan op grond van Rule 115 RoP een geluidsopname is gemaakt. Amazon verzocht kort nadien op basis van Rule 115 om toegang tot die opname bij de Local Division Düsseldorf en om, met behulp van een door haar in te schakelen professionele transcribent, aantekeningen te kunnen maken die in feite neerkomen op een (nagenoeg) volledige transcriptie. InterDigital schaarde zich achter het verzoek tot toegang, maar liet de vraag of een stenograaf mocht worden ingezet aan het hof. De rechter-rapporteur in eerste aanleg stond het beluisteren van de opname in Düsseldorf wel toe, maar wees het gebruik van een stenograaf en het maken van een volledige private transcriptie af, onder meer uit vrees voor ongecontroleerde verspreiding buiten de UPC, mogelijke misbruikscenario’s (zoals “beauty contests” door advocatenkantoren) en het ontbreken van een grondslag in Rule 115 RoP. Het panel van de Local Division bekrachtigde dit bij beschikking van 16 januari 2026, oordeelde dat de belangen van het Hof bij een “open atmosphere of exchange” zwaarder wogen dan het belang van partijen bij een niet‑autoritatieve woordelijke weergave, en achtte private transcripties nutteloos omdat zij geen bewijskracht hebben naast de officiële audio. Amazon stelde vervolgens hoger beroep in, voerde aan dat de tekst en ontstaansgeschiedenis van Rule 115 RoP een veel minder restrictieve lezing vereisen, dat “shall be made available” geen rechterlijke beoordelingsruimte laat voor toegang, dat het zwijgen van Rule 115 over private transcripties eerder duidt op toelating dan op een verbod en dat praktische en ethische waarborgen eventuele misbruiken kunnen ondervangen. Volgens Amazon is een schriftelijke transcriptie, desnoods via een assistent of stenograaf onder toezicht van haar UPC‑raadsman, een legitiem hulpmiddel voor interne dossiervorming, internationale coördinatie en eventuele verdere processtappen, zowel binnen als buiten de UPC, zonder dat daarmee de audio‑opname als enige authentieke bron wordt aangetast.

IEF 23427

Artikel door Fulco Blokhuis, Boekx Advocaten.

Vibe coding en het probleem van de auteursrechtelijke bescherming van software (preview)

Artikel door Fulco Blokhuis. Oorspronkelijk verschenen in AI-Forum 2026-1.

Inleiding: Vibe coding - een revolutie in softwareontwikkeling

Het werk van veel ontwikkelaars wordt steeds meer door generatieve AI (GenAI) gedaan. Software tools, zoals Lovable, Cursor, Claude Cowork, Codex en AI Studio kunnen werkende software ontwikkelen, testen en uitvoeren op basis van een of meerdere prompts. Deze vorm van programmeren wordt – sinds februari 2025[1] – vibe coding genoemd. Vibe coding is inmiddels mainstream aan het worden.

Met behulp van Claude wordt nu in een paar uur of dagen software gebouwd waar dat normaal maanden kostte. Ontwikkelaars in Silicon Valley sturen meerdere AI agents aan, ook wel agent coding genoemd. De agents schrijven zelf code, of delegeren die taak aan andere AI agents. OpenAI maakte bekend dat haar AI Agents een miljoen regels aan code hadden geschreven, aan de hand van een uitgebreide instructie, maar zonder menselijke interventie. Het aantal apps in de appstore is in december 2025 met 60% toegenomen.

Deze verschuiving van handmatig programmeren naar "prompten" heeft fundamentele gevolgen voor de juridische bescherming van software. Het traditionele auteursrechtelijke model gaat uit van menselijke creativiteit die zich uit in code, maar bij vibe-coding is de menselijke creativiteit verschoven naar de prompt, terwijl de AI de code schrijft. Dat roept de vraag op: is software nog te beschermen door het auteursrecht?

In dit artikel worden de auteursrechtelijke gevolgen van deze ontwikkeling geschetst.

IEF 23435

Conclusie A-G over exportvrijstelling bij ABC’s: geen vooraf vereiste handelsvergunning, geen eis van reeds rechtenvrije exportlanden en ruimte voor voorraadvorming voor export

Hoge Raad 27 apr 2026, IEF 23435; ECLI:NL:PHR:2026:318 (Janssen Biotech Inc tegen Samsung Bioepis NL B.V.), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/conclusie-a-g-over-exportvrijstelling-bij-abc-s-geen-vooraf-vereiste-handelsvergunning-geen-eis-van-reeds-rechtenvrije-exportlanden-en-ruimte-voor-voorraadvorming-voor-export

Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2026, IEF 23435; ECLI:NL:PHR:2026:318 (Janssen tegen SB). In Conclusie A-G Van Peursem staat de uitleg centraal van de productie-voor-export-vrijstelling van art. 5 lid 2, onder a, sub i en ii, van Verordening (EG) nr. 469/2009 inzake aanvullende beschermingscertificaten voor geneesmiddelen, zoals gewijzigd door Verordening (EU) 2019/933. Janssen is houdster van aanvullende beschermingscertificaten voor ustekinumab in onder meer Denemarken en Italië en stelt dat Samsung Bioepis NL B.V. (SB) inbreuk maakt door een biosimilar van ustekinumab (SB17) in die landen te vervaardigen en/of op te slaan voor export naar derde landen zoals het VK, Canada en Zuid-Korea. SB heeft in oktober 2023 kennisgevingen gedaan bij de Deense en Italiaanse autoriteiten waarin zij productie en opslag aankondigt met het oog op “export and storing”, en heeft later de beoogde exportlanden en uiteindelijk ook de referentienummers van de handelsvergunningen meegedeeld zodra die publiek beschikbaar kwamen. Tussen partijen staat vast dat SB voor productie voor de Uniemarkt voldeed aan de afzonderlijke EU-stockpile-vrijstelling; het geschil ziet dus alleen op de exportvrijstelling. In eerste aanleg en in hoger beroep is Janssen in het ongelijk gesteld. In cassatie betoogt zij dat het hof de doelstellingen van de gewijzigde ABC-Verordening verkeerd heeft uitgelegd, ten onrechte voorraadvorming voor toekomstige export naar derde landen heeft aanvaard, en heeft miskend dat bij kennisgeving of uiterlijk bij aanvang van de productie al een handelsvergunning moet bestaan en dat de exportlanden dan ook al rechtenvrij moeten zijn. De A-G concludeert echter dat deze cassatieklachten niet slagen en ziet in dit kort geding ook geen noodzaak om prejudiciële vragen te stellen, hoewel hij onderkent dat hierover in Europa uiteenlopende rechtspraak bestaat.

IEF 23432

Kort geding over verwijdering van door de Arbeidsinspectie gekopieerde camerabeelden; vordering afgewezen wegens belang bij behoud van bewijsmateriaal

Rechtbank Gelderland 25 feb 2026, IEF 23432; ECLI:NL:RBGEL:2026:1384 ([eiser] tegen De Staat), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/kort-geding-over-verwijdering-van-door-de-arbeidsinspectie-gekopieerde-camerabeelden-vordering-afgewezen-wegens-belang-bij-behoud-van-bewijsmateriaal

Rb. Gelderland 25 februari 2026, IEF 23432; IT 5173; ECLI:NL:RBGEL:2026:1384 ([eiser] tegen De Staat). In dit kort geding vordert [eiser], exploitant van een supermarkt, dat de Staat wordt bevolen om door de Arbeidsinspectie gemaakte kopieën van camerabeelden definitief te verwijderen. Aanleiding is een controle van de Arbeidsinspectie op 5 december 2025 in de supermarkt van eiseres op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet arbeid vreemdelingen en de Arbeidstijdenwet. Tijdens die controle neemt de Arbeidsinspectie meerdere harde schijven mee waarop onder meer camerabeelden van de supermarkt zijn opgeslagen. Eiseres verzoekt vervolgens om teruggave van de harde schijven en verwijdering van eventuele kopieën. Nadat de Staat kopieën van de camerabeelden heeft gemaakt, worden de harde schijven op 19 december 2025 aan eiseres teruggegeven. Daarna verzoeken ook een aantal medewerkers zowel eiseres als de Staat op grond van de AVG om vernietiging van de camerabeelden. In dit kort geding vordert eiseres daarop dat de Staat de camerabeelden onmiddellijk en definitief verwijdert. Een tijdens de procedure gedaan aanvullend verzoek om ook eventuele “vervolgacties” op basis van die beelden te laten verwijderen, wijst de voorzieningenrechter af, omdat niet duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld en omdat dit niet in het petitum is gevorderd.

IEF 23431

Eindvonnis na tussentijds hoger beroep over bestuurdersaansprakelijkheid voor onbetaalde Buma- en Sena-vergoedingen bij exploitatie van Fresh FM

Rechtbank Amsterdam 10 dec 2025, IEF 23431; ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 (Buma/Sena tegen Scoezh, [gedaagde 2], [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding en de curator [gedaagde 2]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/eindvonnis-na-tussentijds-hoger-beroep-over-bestuurdersaansprakelijkheid-voor-onbetaalde-buma-en-sena-vergoedingen-bij-exploitatie-van-fresh-fm

Rb. Amsterdam 10 december 2025, IEF 23431; ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 (Buma/Sena tegen Scoezh, [gedaagde 2], [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding en de curator [gedaagde 2]). Deze zaak betreft een eindvonnis na tussentijds hoger beroep in een procedure van Buma en Sena tegen SCOEZH, haar indirect bestuurder dan wel feitelijk beleidsbepaler [gedaagde 2], diens holding en diens curator. Aanleiding is dat SCOEZH de radiozender Fresh FM exploiteerde en over de jaren 2010 tot en met mei 2016 vergoedingen verschuldigd was aan Buma en Sena wegens uitzending van muziek uit hun repertoire, maar die vergoedingen niet betaalde en evenmin de benodigde opgaven deed over inkomsten en muziekgebruik. Daardoor konden Buma en Sena hun vergoedingen niet volledig berekenen en brachten zij in elk geval minimumvergoedingen en voorschotten in rekening. De procedure tegen SCOEZH zelf is geschorst wegens haar faillissement in 2018 en niet door de curator voortgezet. In een eerder tussenvonnis had de rechtbank al geoordeeld dat [gedaagde 2] persoonlijk een ernstig verwijt kon worden gemaakt, maar het hof heeft in zijn arrest van 14 mei 2024 geoordeeld dat dit oordeel prematuur was zolang de hoogte van de vorderingen op SCOEZH nog niet was vastgesteld. Daarom moet de rechtbank nu eerst bepalen welke vorderingen Buma en Sena nog daadwerkelijk op SCOEZH hebben, en pas daarna beoordelen in hoeverre [gedaagde 2] daarvoor persoonlijk aansprakelijk is. Buma en Sena vorderen onder meer een verbod voor [gedaagde 2] om nog inbreuk te (doen) maken op hun rechten, verificatie van hun vorderingen in het faillissement van [gedaagde 2], erkenning daarvan door de curator en een bevel tot aanvullende opgave conform de modelovereenkomst. De rechtbank wijst het gevorderde inbreukverbod toe, maar wijst de gevorderde opgave af omdat die verplichting op SCOEZH rustte en niet op [gedaagde 2] in persoon. Daarna beoordeelt de rechtbank per post welke bedragen nog als vordering op SCOEZH kunnen gelden. Voor Buma accepteert zij onder meer een deel van de vordering uit het oude vonnis van 26 mei 2010, een deel van de voorschotfacturen voor etheruitzendingen en latere proceskostenveroordelingen, maar niet de aanvullende licentievergoeding van € 55.000, omdat die nooit aan SCOEZH is gefactureerd en dus niet opeisbaar is geworden, en ook niet de gevorderde webcastingvergoeding, omdat onvoldoende is gebleken dat SCOEZH daarvoor contractueel of anderszins aansprakelijk was. Voor Sena accepteert de rechtbank een deel van de facturen voor etheruitzendingen, een belangrijk deel van de facturen voor webcasting op basis van de tussen Sena, SCOEZH en [gedaagde 2] gesloten vaststellingsovereenkomst, en een proceskostenveroordeling uit een eerder kort geding. Zo komt de rechtbank uit op een vordering van € 124.403,61 voor Buma en € 60.124,60 voor Sena op SCOEZH.

IEF 23429

Tussenvonnis over kwalificatie van bijdrage aan filmproductie, naamsvermelding en billijke vergoeding; rechtbank overweegt deskundigenbericht

Rechtbank Amsterdam 21 jan 2026, IEF 23429; ECLI:NL:RBAMS:2026:1669 ([eiser] tegen [gedaagde 1] c.s.), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/tussenvonnis-over-kwalificatie-van-bijdrage-aan-filmproductie-naamsvermelding-en-billijke-vergoeding-rechtbank-overweegt-deskundigenbericht

Rb. Amsterdam 21 januari 2026, IEF 23429; ECLI:NL:RBAMS:2026:1669 ([eiser] tegen [gedaagde 1] c.s.). In dit tussenvonnis staat een geschil centraal over de bijdrage van eiser aan de totstandkoming van een film van gedaagden en de vraag hoe die bijdrage juridisch moet worden gekwalificeerd. Partijen hebben in februari 2023 een medewerkersverklaring ondertekend waarin eiser voor 25 draaidagen als regieassistent wordt aangesteld tegen een vergoeding van € 1.600 exclusief btw, maar eiser stelt dat zijn feitelijke werkzaamheden verder gingen en dat hij als coregisseur moet worden aangemerkt. Hij vordert daarom onder meer een verklaring voor recht dat hij als coregisseur moet worden vermeld, aanpassing van de credits in intro, aftiteling en IMDb, een billijke vergoeding op grond van art. 25c jo. 45d Aw, een aanvullende billijke vergoeding op grond van art. 25d jo. 45d lid 7 Aw, en exploitatie-informatie op grond van art. 25ca Aw. Gedaagden erkennen dat eiser creatieve inbreng heeft geleverd en dus maker is in de zin van de Auteurswet, en ook dat hij recht heeft op een billijke vergoeding, maar betwisten dat hij als coregisseur heeft gefungeerd. De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijke afspraak inderdaad uitgaat van de functie van regieassistent, maar dat niet is uitgesloten dat de samenwerking tijdens de productie anders is gaan lopen. Dat betekent echter nog niet dat eiser juridisch als coregisseur moet worden aangemerkt. De rechtbank merkt bovendien op dat de vorderingen tegen [gedaagde 1] in privé uiteindelijk in ieder geval zullen worden afgewezen, omdat onvoldoende is weersproken dat diens onderneming in de BV is ingebracht.