IEF 23548
13 mei 2026
Uitspraak

Rb. Midden-Nederland wijst verzoek tot inzage in scenario RTL-serie af wegens risico op preventieve censuur

 
IEF 23547
13 mei 2026
Artikel

Het wetsvoorstel Nieuw naburig recht deepfakes van personen: een kritische bespreking van twee onderbelichte aspecten – Jorn Torenbosch & Charlotte Vrendenbarg

 
IEF 23546
12 mei 2026
Uitspraak

HvJ EU geeft duidelijkheid over vergoeding voor nieuwscontent op platforms

 
IEF 23548

Rb. Midden-Nederland wijst verzoek tot inzage in scenario RTL-serie af wegens risico op preventieve censuur

Rechtbank Midden-Nederland 13 mei 2026, IEF 23548; ECLI:NL:RBMNE:2026:2353 ([verzoekende partij] tegen RTL en Videoland), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-verzoek-tot-inzage-in-scenario-rtl-serie-af-wegens-risico-op-preventieve-censuur

Rb. Midden-Nederland 13 mei 2026, IEF 23548; ECLI:NL:RBMNE:2026:2353 ([verzoekende partij] tegen RTL en Videoland). De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 mei 2026 een verzoek afgewezen van een man die vooraf inzage wilde krijgen in het scenario van een nog niet gepubliceerde dramaserie van RTL en Videoland over het Nederlandse koningshuis. In de serie komt een verhaallijn voor over prinses [A], de voormalige echtgenote van verzoeker. Verzoeker stelde dat hij vreesde voor ongewenste en onjuiste berichtgeving over hem en wilde kunnen beoordelen of de wijze waarop hij in de serie wordt genoemd, verbeeld of herkenbaar in beeld komt, een onrechtmatige publicatie zou opleveren. Op grond van art. 196 en 197 Rv verzocht hij daarom om een voorlopige bewijsverrichting in de vorm van inzage in de relevante delen van het scenario. RTL en Videoland voerden aan dat zij de vrijheid hebben om een dramaserie te maken zonder de inhoud daarvan vooraf aan betrokkenen te hoeven voorleggen. De rechtbank stelt voorop dat verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen in beginsel worden toegewezen, tenzij zich een van de wettelijke uitzonderingsgronden voordoet, waaronder het bestaan van “gewichtige redenen” die zich tegen toewijzing verzetten.

IEF 23547

Het wetsvoorstel Nieuw naburig recht deepfakes van personen: een kritische bespreking van twee onderbelichte aspecten – Jorn Torenbosch & Charlotte Vrendenbarg

Klik hier om het artikel te lezen. 

Voorpublicatie IER 2026/3 – Wetsvoorstel deepfakes onder de loep
Deepfakes zijn in korte tijd uitgegroeid van technologische curiositeit tot een juridisch en maatschappelijk urgent onderwerp. Het onlangs gepubliceerde wetsvoorstel Nieuw naburig recht deepfakes van personen moet natuurlijke personen meer zeggenschap geven over het gebruik van hun stem en beeltenis in AI-gegenereerde content. Het voorstel heeft inmiddels geleid tot stevige discussies over de verhouding tot het privacyrecht, het auteursrecht en de wenselijkheid van een nieuw exploiteerbaar deepfake-recht.

In onderstaande bijdrage bespreken Jorn Torenbosch en Charlotte Vrendenbarg twee aspecten van het wetsvoorstel die in het debat tot nu toe onderbelicht zijn gebleven: de verenigbaarheid met het geharmoniseerde privacyrecht en de concrete inhoud en systematiek van het voorgestelde naburige recht. Deze bijdrage betreft een voorpublicatie. Het artikel zal binnenkort verschijnen in IER 2026/3.

Het wetsvoorstel deepfakes — en de thema’s die in dit artikel aan bod komen — zullen bovendien worden besproken tijdens het IE Zomerforum op 4 juni 2026.

Meld je hier aan voor het IE Zomerforum! 

IEF 23546

HvJ EU geeft duidelijkheid over vergoeding voor nieuwscontent op platforms

HvJ EU 12 mei 2026, IEF 23546; ECLI:EU:C:2026:395 ((Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni) ), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/hvj-eu-geeft-duidelijkheid-over-vergoeding-voor-nieuwscontent-op-platforms

HvJ EU 12 mei 2026, IEF23546; ECLI:EU:C:2026:395 (Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni). In deze zaak draait het om de uitleg van artikel 15 DSM-richtlijn. De zaak speelt tussen Meta Platforms Ireland en de Italiaanse communicatieautoriteit AGCOM. Centraal staat een Italiaanse regeling die persuitgevers exclusieve rechten geeft op online gebruik van hun perspublicaties door online platforms. De regeling bepaalt daarnaast dat uitgevers aanspraak kunnen maken op een billijke vergoeding en legt verschillende verplichtingen op aan platforms. Meta maakte bezwaar tegen een besluit van AGCOM waarin criteria waren vastgesteld voor de berekening van die vergoeding. Volgens Meta geeft artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers uitsluitend exclusieve rechten, zoals reproductie en beschikbaarstelling, en geen zelfstandig vergoedingsrecht. Ook zou de Italiaanse regeling te ver ingrijpen in de contractsvrijheid en ondernemingsvrijheid van platforms, onder meer doordat zij verplicht worden te onderhandelen, gegevens te delen en de zichtbaarheid van perscontent tijdens onderhandelingen niet te beperken. Meta beriep zich daarnaast op strijd met verschillende bepalingen van Unierecht, waaronder artikel 109 en 119 VWEU en de e-commercerichtlijn. Het Hof heeft die onderdelen echter niet inhoudelijk beoordeeld, maar de betreffende prejudiciële vragen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet relevant waren voor de beslechting van het hoofdgeding. Het Hof stelt voorop dat artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers exclusieve rechten verleent om online gebruik van hun perspublicaties toe te staan of te verbieden. De inhoud van die rechten volgt uit Richtlijn 2001/29. Lidstaten mogen deze exclusieve rechten niet vervangen door een louter vergoedingsrecht. Tegelijkertijd sluit artikel 15 DSM-richtlijn niet uit dat toestemming voor gebruik wordt gekoppeld aan betaling van een vergoeding, zolang het exclusieve karakter van het recht behouden blijft. Dat betekent dat persuitgevers toestemming moeten kunnen weigeren en hun rechten ook kosteloos moeten kunnen licentiëren, bijvoorbeeld via royaltyvrije licenties. Platforms mogen bovendien niet verplicht worden een vergoeding te betalen wanneer zij de publicaties niet gebruiken of niet willen gebruiken. Volgens het Hof mogen lidstaten regels vaststellen die het gebruik van deze rechten structureren, mits die regels de exclusieve rechten niet uithollen en aansluiten bij de doelstellingen van de DSM-richtlijn, waaronder een hoog beschermingsniveau en een sterkere onderhandelingspositie voor persuitgevers.

IEF 23545

Kantonrechter: blokkade domeinnamen gerechtvaardigd wegens onbetaalde hostingfacturen

Rechtbank Midden-Nederland 22 apr 2026, IEF 23545; ECLI:RBMNE:2026:2141 (([eiser] tegen [gedaagde])), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/kantonrechter-blokkade-domeinnamen-gerechtvaardigd-wegens-onbetaalde-hostingfacturen

Rb. Midden-Nederland 22 april 2026, IEF23545; IT5268; ECLI:RBMNE:2026:2141 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak staat een geschil centraal tussen een webhosting- en onderhoudsbedrijf ([eiser]) en een ondernemer ([gedaagde]) over onbetaalde facturen voor technisch websiteonderhoud, webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. Tussen partijen bestond een overeenkomst op grond waarvan [eiser] technisch onderhoud verrichtte aan de websites van [gedaagde] en daarnaast zorgde voor webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. Volgens [eiser] waren drie facturen – na een gedeeltelijke betaling op één daarvan – onbetaald gebleven, voor een totaalbedrag van € 373,97. Later vermeerderde [eiser] haar eis met een vierde factuur voor domeinregistratie na de datum waarop de overeenkomst was ontbonden. [gedaagde] erkende een deel van de facturen verschuldigd te zijn, maar voerde onder meer aan dat een abonnement al in februari 2024 zou zijn opgezegd en dat sommige facturen hem nooit hadden bereikt. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de vermeende opzeggingsbrief [eiser] daadwerkelijk heeft bereikt. Daarbij verwijst de kantonrechter naar artikel 3:37 lid 3 BW, waarin is bepaald dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring pas werking heeft zodra deze de geadresseerde heeft bereikt. Omdat [gedaagde] niet kon aantonen dat de opzegging was verzonden of ontvangen, liep de overeenkomst door en bleef hij de abonnementskosten verschuldigd. Ook het verweer dat facturen niet zouden zijn ontvangen slaagt niet, nu de facturen later alsnog per e-mail zijn toegestuurd en ontvangst daarvan niet werd betwist. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat [gedaagde] na het verstrijken van de in de aanmaningen en ingebrekestellingen genoemde termijnen in verzuim is geraakt, zodat wettelijke handelsrente verschuldigd is. Verder stond vast dat [gedaagde] ondanks herhaalde aanmaningen en ingebrekestellingen een betalingsachterstand had laten ontstaan. De kantonrechter acht die tekortkoming ernstig genoeg om ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. Daarbij weegt mee dat [eiser] al sinds 2016 correspondeerde over onbetaalde facturen en dat ook na juridisch advies geen volledige betaling volgde.

IEF 23544

Rb. Den Haag wijst aanhoudingsverzoek in zaak tussen ANWB Retail en Canada Goose af

Rechtbank Den Haag 29 apr 2026, IEF 23544; ECLI:NL:RBDHA:2026:10255 ((ANWB Retail tegen Canada Goose c.s.)), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-den-haag-wijst-aanhoudingsverzoek-in-zaak-tussen-anwb-retail-en-canada-goose-af

Rb. Den Haag 29 april 2026, IEF23544; ECLI:NL:RBDHA:2026:10255 (ANWB Retail tegen Canada Goose c.s.). In deze zaak staat een geschil centraal tussen ANWB Retail en de ondernemingen achter het kledingmerk Canada Goose c.s. over het gebruik van de tekens HUMANATURE en HUMAN NATURE voor kleding. De Rechtbank Den Haag hoefde zich in dit stadium nog niet uit te spreken over de gestelde merkinbreuk, maar besliste wel op een incident waarin Canada Goose c.s. verzocht de procedure aan te houden in afwachting van doorhalingsprocedures (door de rechtbank aangeduid als nietigheidsprocedures) bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE). ANWB Retail, verantwoordelijk voor de retailactiviteiten van de ANWB-groep, is houdster van verschillende HUMAN NATURE-merken voor onder meer kleding in klasse 25. Het gaat onder meer om een Benelux-woordmerk HUMAN NATURE uit 1997 en twee beeldmerken. Canada Goose c.s. beschikt op haar beurt over onder meer het Uniewoordmerk HUMANATURE voor kleding en advertentiediensten en een internationaal woordmerk HUMANATURE voor verschillende waren- en dienstenklassen. Volgens ANWB Retail gebruikte Canada Goose c.s. het teken HUMANATURE op de Nederlandstalige webshop van Canada Goose om kleding aan te prijzen. Ook zou HUMAN NATURE staan op labels van kleding die in Nederland wordt geleverd. ANWB Retail stelt dat daardoor sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub b en sub c BVIE. ANWB Retail beroept zich daarbij op verwarringsgevaar tussen de tekens en op de bekendheid van de HUMAN NATURE-merken, waarvan Canada Goose c.s. volgens haar ongerechtvaardigd voordeel zou trekken. ANWB Retail vordert in de hoofdzaak onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van merkinbreuk, een inbreukverbod, een recall, een bevel richting wederverkopers, opgave van relevante informatie, dwangsommen en winstafdracht of schadevergoeding. Ook vordert zij volledige proceskostenvergoeding op grond van artikel 1019h Rv.

IEF 23541

Levering van 'Strekdrop' in Den Haag bevestigt bevoegdheid Rb. Den Haag in merkinbreuk-zaak

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026, IEF 23541; ECLI:NL:RBDHA:2026:9738 ((Haribo c.s. tegen Felko c.s.)), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/levering-van-strekdrop-in-den-haag-bevestigt-bevoegdheid-rb-den-haag-in-merkinbreuk-zaak

Rb. Den haag 22 april 2026, IEF23541; ECLI:NL:RBDHA:2026:9738 (Haribo c.s. tegen Felko c.s.). In deze zaak staat een merkenrechtelijk geschil centraal tussen Haribo c.s. en Felko c.s. over het gebruik van de tekens TREKDROP, STREKDROP en REKDROP voor dropproducten. Haribo behoort tot het wereldwijd opererende Haribo-concern en richt zich op de verkoop van snoepgoed in Nederland en België. Haribo c.s. is houdster van onder meer het Uniewoordmerk TREKDROP uit 1988 en een Beneluxwoordmerk TREKDROP uit 2024 voor snoep en drop in klasse 30. Felko Holland produceert en verhandelt al vanaf 2003 snoepgoed en Felko Beheer liet in 2025 de Beneluxmerken STREKDROP en REKDROP registreren en diende daarnaast een aanvraag in voor het Beneluxwoordmerk TREKDROP voor snoepgoed in klasse 30. Aanleiding voor het geschil vormt de introductie van een dropproduct onder de naam “Strekdrop” op de Nederlandse markt in augustus 2025. Haribo stelde zich op het standpunt dat daarmee inbreuk werd gemaakt op haar Trekdrop-merken en sommeerde Felko om het gebruik van de tekens te staken en de registraties van STREKDROP en REKDROP door te halen. Felko wees die bezwaren van de hand en startte op haar beurt bij het BBIE procedures tot nietig- en vervallenverklaring van Trekdrop-merken van Haribo. Het gaat daarbij om het Trekdrop Beneluxmerk uit 2024 én om een oudere Beneluxregistratie TREKDROP uit 1988. In de hoofdzaak vordert Haribo onder meer een verbod op merkinbreuk, nietigverklaring van de Felko-merken, een opgave- en recallbevel, schadevergoeding of winstafdracht, dwangsommen en proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. Subsidiair beroept Haribo zich op oneerlijke mededinging en onrechtmatige daad. Volgens Haribo heeft Felko bovendien te kwader trouw merken aangevraagd. In een incident ex artikel 223 Rv vorderde Haribo alvast voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding, waaronder een voorlopig inbreukverbod en een bevel tot staking van de daden van oneerlijke mededinging, een dwangsom en proceskosten. Felko voerde in een bevoegdheidsincident aan dat de rechtbank Den Haag niet bevoegd zou zijn om van de zaak kennis te nemen. Volgens Felko was de gestelde merkinbreuk na de sommatie gestaakt, zodat ten tijde van de dagvaarding geen sprake meer zou zijn geweest van inbreukmakende handelingen of oneerlijke handelspraktijken in Nederland. Daarom zou de rechtbank Noord-Holland bevoegd zijn op grond van de woonplaats van gedaagden (art. 99 Rv) en zou de rechtbank Den Haag zich op grond van artikel 110 Rv onbevoegd moeten verklaren. De rechtbank Den Haag volgt dat standpunt niet. Zij kwalificeert de merkinbreukvorderingen én de vorderingen gebaseerd op oneerlijke handelspraktijken/oneerlijke mededinging als vorderingen uit onrechtmatige daad. Vervolgens verwijst de rechtbank naar artikel 102 Rv, dat bevoegdheid toekent aan de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Daarbij sluit de rechtbank aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 7 lid 2 Brussel I-bis-Vo, waarin onder meer is bepaald dat onder “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” de plaats van de veroorzakende gebeurtenis én de plaats waar de schade intreedt valt.

IEF 23543

AG kiest voor Rome-I bij overdracht exclusieve gebruiksrechten op foto’s

Duitse Gerechten 23 apr 2026, IEF 23543; ECLI:EU:C:2026:349 ((IU tegen BT)), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/ag-kiest-voor-rome-i-bij-overdracht-exclusieve-gebruiksrechten-op-foto-s

Oberlandsgericht Düsseldorf 23 april 2026, IEF23543; ECLI:EU:C:2026:349 (IU tegen BT). In deze zaak staat de vraag centraal welk nationaal recht geldt voor de formele geldigheid van een auteursrechtlicentie wanneer een derde die geldigheid betwist in een procedure over auteursrechtinbreuk. BT, een Duitse verkoper van autoaccessoires, staat tegenover concurrent IU. Tussen 2014 en 2018 liet BT in Polen productfoto’s maken van automatten door een Poolse fotograaf. De echtgenoot van BT bracht de automatten steeds naar de studio. Daarna kreeg BT de foto’s op een USB-stick. Partijen spraken mondeling af dat BT de foto’s mocht gebruiken voor eBay-aanbiedingen. Een schriftelijke overeenkomst kwam er niet. IU gebruikte dezelfde foto’s later in eigen eBay-aanbiedingen zonder toestemming van BT. BT stapte daarom naar de Duitse rechter wegens  auteursrechtinbreuk. De Landgericht gaf BT gelijk. Volgens de rechter had de fotograaf exclusieve gebruiksrechten aan BT overgedragen. IU maakte dus inbreuk door de foto’s zonder toestemming te reproduceren. In hoger beroep betoogde IU dat BT niet mocht procederen. Volgens IU was de overdracht of exclusieve licentie ongeldig. Pools recht bepaalt namelijk dat een overdracht van auteursrechten schriftelijk moet gebeuren. Omdat partijen alleen een mondelinge afspraak maakten, zou geen geldige overdracht of exclusieve licentie bestaan. BT maakte onderscheid tussen de formele geldigheid van de overdracht van auteursrechten en de geldigheid van de overeenkomst daaronder. Volgens BT geldt voor die overdracht artikel 8 lid 1 van de Rome II-Verordening. Daardoor zou het recht gelden van het land waarvoor bescherming wordt ingeroepen. Omdat BT bescherming vraagt in Duitsland, zou Duits recht van toepassing zijn. Volgens de verwijzende rechter kent het Duitse auteursrecht geen schriftelijkheidsvereiste voor een overdracht of exclusieve licentie als deze. De Oberlandesgericht Düsseldorf legde vervolgens twee prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie. De Duitse rechter wil weten of artikel 8 lid 1 Rome II ook geldt voor de formele geldigheid van een overdracht van exclusieve gebruiksrechten op auteursrechtelijk beschermde foto’s. Als dat niet zo is, wil de rechter weten of de Rome I-Verordening geldt, vooral de artikelen 4 en 11 over het toepasselijke recht en de formele geldigheid van overeenkomsten.

IEF 23542

Rb. Amsterdam: geen geldige overdracht van Puri Safe-merken voorafgaand aan faillesement

Rechtbank Amsterdam 29 apr 2026, IEF 23542; ECLI:NL:RBAMS:2026:3937 ((Indsun tegen de curator en TransHeroes)), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-amsterdam-geen-geldige-overdracht-van-puri-safe-merken-voorafgaand-aan-faillesement

Rb. Amsterdam 29 april 2026, IEF23542; ECLI:NL:RBAMS:2026:3937 (Indsun tegen de curator en TransHeroes). In deze zaak staat de vraag centraal of twee Benelux-beeldmerken van het failliete bedrijf Puri Safe Pharmaceuticals rechtsgeldig vóór het faillissement waren overgedragen aan gelieerde vennootschap Indsun Holdings B.V. De Rechtbank Amsterdam oordeelt dat daarvan geen sprake is. Volgens de rechtbank ontbrak een geldige titel voor de overdracht van de merken, waardoor deze onderdeel zijn gebleven van de faillissementsboedel en rechtsgeldig door de curator konden worden verkocht aan TransHeroes. Aan het geschil lag een interne transactie binnen de groep ten grondslag. Indsun stelde dat de merken al vóór het faillissement aan haar waren overgedragen op basis van een lening van € 250.000 van aandeelhouders aan Puri Safe Pharmaceuticals, gecombineerd met een koopovereenkomst voor de IE-rechten van 17 januari 2024. Volgens Indsun zou € 60.000 van die lening zijn verrekend met de koopprijs van de merken. De curator en TransHeroes betwistten dat die overeenkomsten daadwerkelijk bestonden op het moment van de overdracht. De curator vernietigde bovendien buitengerechtelijk de gestelde overdracht op grond van de faillissementspauliana (art. 42 Fw, subsidiair art. 47 Fw). De rechtbank onderzoekt eerst of de overdracht van de merken überhaupt geldig tot stand is gekomen. Daarbij kent zij groot gewicht toe aan de administratie van Puri Safe Pharmaceuticals. In de boekhouding ontbreekt ieder spoor van de gestelde lening van € 250.000, van een terugbetalingsverplichting of van de verrekening van € 60.000 als koopprijs voor de merken. Dat gebrek aan administratieve verwerking acht de rechtbank reeds doorslaggevend. Daarnaast constateert de rechtbank onduidelijkheden over de datum waarop de leningsovereenkomst daadwerkelijk tot stand is gekomen en inconsistenties tussen de feitelijke gang van zaken en de tekst van de koopovereenkomst. Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat de koopovereenkomst ten tijde van de levering nog niet bestond. Daardoor ontbrak een geldige titel als bedoeld in artikel 3:84 BW en is de overdracht van de merken niet rechtsgeldig tot stand gekomen. Puri Safe Pharmaceuticals bleef daarom rechthebbende van de merken, zodat deze in de faillissementsboedel vielen.

IEF 23540

Rb. Rotterdam wijst alle vorderingen van Ravestein af in de langlopende Calais Port 2015-zaak

Rechtbank Rotterdam 8 apr 2026, IEF 23540; ECLI:NL:RBROT:2026:4497 ((Ravestein tegen Cargotec & MacGregor c.s.)), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-rotterdam-wijst-alle-vorderingen-van-ravestein-af-in-de-langlopende-calais-port-2015-zaak

Rb. Rotterdam 8 april 2026, IEF23540; ECLI:NL:RBROT:2026:4497 (Ravestein tegen Cargotec & MacGregor c.s.). Deze zaak draait om een langlopend geschil tussen linkspanbouwer Ravestein en MacGregor en Cargotec over het project Calais Port 2015. Ravestein verwijt MacGregor c.s. dat zij via hoofdaannemer Bouygues vertrouwelijke tekeningen en technische knowhow van Ravestein gebruikten bij de bouw van linkspans voor de haven van Calais. Ravestein beriep zich op auteursrecht, slaafse nabootsing, bedrijfsgeheimen en profiteren van wanprestatie. Daarnaast legde Ravestein in 2020 conservatoir beslag op Linkspan Calais 10, waarna MacGregor c.s. in reconventie schadevergoeding vorderden wegens onrechtmatige beslaglegging. Voor het eindvonnis van 8 april 2026 wees de rechtbank meerdere tussenvonnissen en besliste zij in verschillende incidenten. In 2023 en 2024 draaide de procedure vooral om exhibitie-incidenten op grond van artikel 843a Rv. De rechtbank verplichtte MacGregor toen om onder meer correspondentie met Bouygues en contractstukken over de linkspans te geven, zodat Ravestein bewijs kon verzamelen voor haar stelling dat MacGregor toegang had tot vertrouwelijke ontwerptekeningen en bedrijfsinformatie van Ravestein. Aan de afgifte van deze stukken was een dwangsom verbonden van € 5.000 per dag(deel), tot een maximum van € 100.000, maar in een later tussenvonnis oordeelde de rechtbank dat MacGregor aan deze verplichtingen had voldaan en dat er geen dwangsommen waren verbeurd. In het tussenvonnis van 3 september 2025 oordeelde de rechtbank echter dat Ravestein niet slaagde in de opgedragen bewijslevering. Volgens de rechtbank lieten de stukken, getuigenverklaringen en documenten uit de 843a-procedure onvoldoende zien dat MacGregor de volledige set vertrouwelijke tekeningen en bedrijfsgeheimen van Ravestein had gekregen of gebruikt. Ook onderbouwde Ravestein volgens de rechtbank onvoldoende dat Bouygues en MacGregor verborgen afspraken of schikkingen hadden gemaakt. Daarom kondigde de rechtbank al aan dat zij alle vorderingen van Ravestein zou afwijzen. In reconventie wees de rechtbank daarnaast de vordering van MacGregor c.s. wegens onrechtmatig procederen expliciet af, omdat geen sprake was van misbruik van procesrecht.

IEF 23538

Rb. Den Haag wijst claim op mede-eigendom van LinXis-octrooien af

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026, IEF 23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 ((LinXis tegen [partij 1] en [partij 2])), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-den-haag-wijst-claim-op-mede-eigendom-van-linxis-octrooien-af

Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 (LinXis tegen [partij 1] en [partij 2]). De Rechtbank Den Haag oordeelt in dit geschil tussen biotechbedrijf LinXis en voormalig bestuurder en consultant [partij 1] dat [partij 1] geen aanspraak kan maken op een aandeel in de octrooifamilies van LinXis. In de latere managementovereenkomsten ontbraken weliswaar expliciete IE‑overdrachtsclausules, maar volgens de rechtbank laten de afspraken en de samenwerking tussen partijen zien dat de octrooirechten bij LinXis liggen. [partij 1] werkte sinds 2015 via verschillende vennootschappen voor LinXis als patent consultant en later als CBO, CFO en CEO. In de eerste managementovereenkomst uit 2015 stond een expliciete IE‑overdrachtsclausule. Die bepaling ontbrak in de overeenkomsten uit 2017 en 2019. Tijdens de samenwerking vroeg LinXis meerdere octrooifamilies aan, waarbij [partij 1] deels als uitvinder stond vermeld. Volgens [partij 1] lieten de latere overeenkomsten bewust ruimte voor eigen IE‑rechten en een latere vergoeding voor overdracht. De rechtbank volgt hem daarin niet. De rechtbank vindt het logisch dat LinXis als biotechonderneming alle IE‑rechten binnen het bedrijf wilde houden. Ook weegt mee dat [partij 1] in subsidie‑ en financieringsdocumenten namens LinXis sprak van “solely owned patent applications”. Daarnaast maakten partijen geen concrete afspraken over een aparte vergoeding voor IE‑overdracht. Omdat [partij 1] de overeenkomsten zelf namens beide partijen ondertekende, had hij volgens de rechtbank eventuele mede‑eigendomsrechten expliciet moeten vastleggen. De rechtbank verklaart zowel LinXis als [partij 1] niet‑ontvankelijk in hun vorderingen over het uitvinderschap wegens gebrek aan belang (Art. 3:303 BW). Ook als [partij 1] mede‑uitvinder is, betekent dat volgens de rechtbank nog niet dat hij recht heeft op de octrooien. De rechtbank wijst ook het verzoek af om [partij 1] uit de octrooiregisters te verwijderen. LinXis stemde eerder zelf in met zijn vermelding als uitvinder en maakte onvoldoende duidelijk welk nadeel dat nu oplevert.