Overige  

IEF 12175

IE-Klassiekers ongeoorloofde mededinging

HR 5 maart 1948, BIE 1943, 69 (Niveau/Hamea); Hof Amsterdam 9 april 1942, BIE 1942, 106 (N.V. Pharmaceutische Fabriek A. Mijnhardt/N.V. Beiersdorf; Nivea/Hamea)
Omdat de merknamen Nivea en Hamea in zulke mate de verpakking beheersen bestaat er geen risico voor verwarringsgevaar. Gebruik van niet-verwarrende verpakking is niet onrechtmatig.

 

HR 26 juni 1953, BIE 1953, 55 (Machinefabriek Thole/Hyster; Hyster Karry Krane)
Leer van de slaafse nabootsing. Vrij om industriële producten een zo groot mogelijke deugdelijkheid en bruikbaarheid te geven, tenzij IE-rechten daaraan in de weg staan - ten eigen voordele en mogelijk tot nadeel van een concurrent, van in diens producten geopenbaarde resultaten van inspanning, inzicht of kennis gebruik te maken, zelfs wanneer bij het publiek verwarring mocht kunnen ontstaan.

HR 21 december 1956, BIE 1957, 11 (Borsumij/Lion; Drukasbak)
Dat `slaafse' navolging van een product van een concurrent onrechtmatig kan zijn, ook al ligt de navolging niet op technisch terrein, al heeft de concurrent het desbetreffend product niet zelf ontworpen en al kan het publiek dankzij de navolging het product verkrijgen tegen lageren prijs dan voorheen.

HR 8 januari 1960, BIE 1960, 19 (Spear/Hausemann; BoardScript; Scrabble)
De zorgvuldigheid eist niet, dat het eigen product van dat van den concurrent verschilt op alle punten waarop dat zonder aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid afbreuk te doen mogelijk zou zijn, doch zij wel de verplichting meebrengt om bij de nabootsing te doen wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om te voorkomen, dat door gelijkheid de kans op verwarring ontstaat of vergroot wordt.

HR 15 maart 1968, BIE 1968, 43 (Plastics/Schumm; plastic stapelschalen)
Daar de bij nabootsing van't product van een ander in acht te nemen zorgvuldigheid verplicht, om bij die nabootsing alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door gelijkheid de kans op verwarring ontstaat of vergroot wordt; dat door een andere vormgeving te kiezen zonder daarmede aan de deugdelijkheid en de bruikbaarheid van zijn product afbreuk te doen, tevens de verplichting medebrengt zulks te doen.

HR 12 juni 1970,BIE 1970, 90 (Hazenveld/Tomado; Klerenhanger)
Het thans besproken middel faalt voor zover het opkomt tegen 's Hofs stelling, dat ook een nabootsing, die - gezien tegen de achtergrond van bij afnemers bestaande behoeften of wensen - in een ander dan technisch opzicht nodig is ter bevordering van de deugdelijkheid of bruikbaarheid van't product, op zich zelf niet onrechtmatig is.

HR 29 maart 1985, BIE 1985, 37 (Pokon/Substral)
Bij de beoordeling van in de concurrentiestrijd gedane mededelingen als de onderhavige behoort immers in de eerste plaats te worden onderzocht of die mededelingen (mede) betrekking hebben op een bepaalde mededinger of diens product, dan wel (enkel) op het eigen product. Dient deze vraag in eerstgemelde zin te worden beantwoord, dan zijn toch andere en strengere normen van toepassing, dan wanneer het antwoord in laatstgemelde zin luidt.

HR 25 april 1986, BIE 1987, 16 (Verenigde Sloten- en Bouwbeslagfabrieken/Priem; sloten voor deuren)
Een product dat zich in zijn verschijningsvorm niet onderscheidt van 'n aantal andere, soortgelijke producten, kan onderscheidend vermogen missen, óók als het zich van weer andere soortgelijke producten wel onderscheidt.

HR 27 juni 1986, BIE 1986, 71 (Holland Nautic/Racal Decca; Decca Navigator System)
Dat profiteren of aanhaken bij de prestaties van een ander is op zichzelf niet in strijd is met de zorgvuldigheid die Holland Nautic als concurrent van Decca jegens deze in het maatschappelijk verkeer betaamt, ook niet als dit Decca daardoor nadeel toebrengt.

HR 23 oktober 1987 (NOS/KNVB)
Niettemin moet worden aangenomen dat de KNVB en zijn clubs op een zekere bescherming ter zake van de uitzending van wedstrijden aanspraak kunnen maken, zij het ook een aanspraak van een ander karakter dan aan een absoluut recht van de bovenbedoelde soort zou kunnen worden ontleend.

HR 20 november 1987 (De Staat/Den Ouden)
Art. 11, op wetten, besluiten en verordeningen geen auteursrecht. Niet in strijd met de haar jegens de Staat in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid.

HR 27 november 1987, BIE 1988, 25 (Chloé/Peeters)
Degene die kennis draagt van onrechtmatig handelen van een derde heeft geen rechtsplicht daarvan aan de benadeelde mededeling te doen.

HR 24 februari 1989 (Elvis Presley I)
Pre-WNR. Eénlijnsprestatie. Aan BMG is mede overgedragen de aanspraak op bescherming die Presley als uitvoerend kunstenaar had.

HR 1 december 1989, BIE 1991, 68 (Monte/Kwikform)
Toepassing van't niet door enig absoluut recht van industriële eigendom beschermde systeem staat in beginsel vrij, tenzij nabootsing. Waarbij niet redelijkerwijs mogelijke en nodige is gedaan om verwarring te voorkomen.

HR 1 november 1991, BIE 1993, 40 (Cacharel / Geparo I)
Verplichting zich als buitenstaander van verkoop van producten uit een - gesloten - verkooporganisatie te onthouden bestaat niet zonder meer, doch slechts o.g.v. bijkomende omstandigheden.

HR 31 mei 1991, BIE 1992, 15 (Borsumij/Stenman; raamuitzetter)
Slaafse nabootsing; na afloop van een octrooi niet alleen de uitvinding van zijn concurrent mag toepassen, maar ook het model van diens product.

HR 7 juni 1991, BIE 1992, 16 (Otto Simon e.a./E. Hertzano e.a.; Rummikub)
Uiterlijk van't product vereist slechts onderscheidend vermogen.

HR 25 november 2005, LJN AU4019 (Lycos/Pessers)
Verplichting van hosting provider tot het verstrekken van NAW-gegevens aan derde die stelt schade te lijden.

HR 20 november 2009, LJN BJ6999 (Lego/Mega Brands)
Nabootsing van product dat niet (langer) wordt beschermd door een IE-recht. Behoefte aan standaardisatie.


Heeft u een afschrift van een 'klassieker' die nog niet digitaal beschikbaar is, of meent u dat een andere inhoudsindicatie treffender is, tipt u dan de redactie: redactie@ie-forum.nl.

IEF 12162

Geen onrechtmatige daad nu hij niet herkenbaar in beeld is verschenen

Hof Amsterdam 18 december 2012, zaaknr. 200.092.289/01 (Appellant X tegen Noordkaap c.s & SBS broadcasting)

Uitspraak ingezonden door Josine van den Berg en Patty de Leeuwe, Klos Morel Vos & Schaap.

Als randvermelding. In navolging van IEF 9651. Onrechtmatige publicatie. In 2009 vond er een ontmoeting plaats tussen X en de presentator van het programma "Undercover in Nederland" (uitgezonden door Noordkaap c.s.). In de uitzending zijn beelden van contacten via het internet tussen X en de presentator, die zich voordeed als een veertienjarig meisje. Uiteindelijk liep dit uit tot een lijfelijke ontmoeting die X zou hebben geregeld en waar X geconfronteerd met de inhoud van de chatsessies en telefoongesprekken met seksuele lading. Daarna heeft X kritiek geuit op de werkwijze van Noordkaap op zijn Hyves-pagina.

X stelt dat Noordkaap c.s onrechtmatig handelt door X als een pedofiele hulpverlener 'neer te zetten' en dat Noordkaap c.s. wordt verboden de uitzending te herhalen danwel aan derden ter beschikking te stellen. Hof oordeelt dat X onvoldoende heeft toegelicht dat zijn portretrecht is geschonden, mede omdat vast staat dat hij niet herkenbaar in beeld is gebracht. X heeft onvoldoende onderbouwd dat hij in de uitzending als hulpverlener is herkend. De enkele omstandigheid dat hij reeds online voor pedofiel was uitgemaakt voordat hij zelf op zijn Hyves-pagina heeft geschreven dat hij in de uitzending figureerde, is daarvoor onvoldoende.

3.15. Ten slotte faalt ook grief IX. De stelling van X dat zijn portretrecht is geschonden is onvoldoende door hem toegelicht, in aanmerking genomen dat vast staat dat hij niet herkenbaar in beeld is gebracht. X heeft onvoldoende onderbouwd dat hij wel als de hulpverlener in de uitzending is herkend. De enkel omstandigheid dat X reeds online voor pedofiel was uitgemaakt voordat hij zelf op zijn Hyves-pagina heeft geschreven dat hij in de uitzending figureerde, is daarvoor onvoldoende. (..)

Beslissing
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank waarvan beroep;
Veroordeelt X in de proceskosten van het hoger beroep.

IEF 12149

Interne gevoelens kunnen iemand niet opgelegd worden

Ktr. Rechtbank Breda 6 december 2012, LJN BY6447 ('broodfokker')

Onrechtmatige publicaties. Internetterreur. Het recht op vrijheid van meningsuiting versus het recht op bescherming van eer en goede naam. Wetsverwijzing BW 6:162; EVRM 10, 8. Geen rectificatie.

Via marktplaats.nl, cavalierpage.com en facebook en twitter heeft gedaagde berichten geplaatst over een kennel die aan Broodfok doet (vóór de leeftijd van 16 maanden een hond laten dekken). Het begrip ‘broodfokker’, hetgeen de voornaamste belediging inhoudt, is naar algemeen aanvaarde maatstaven een negatief begrip.

Gedaagde betwist niet dat de uitlatingen enkel zijn gedaan op  basis van vermoedens en deze niet op feiten berusten. Daarmee zijn de uitlatingen onrechtmatig. Dit geldt te meer nu het gekozen medium, internet, een grote impact heeft daar informatie hierop wijd verspreid kan worden en het eenvoudig en voor veel mensen bereikbaar is.

De vordering tot rectificatie wordt afgewezen. Oprechte excuses aanbieden en vermelding dat eisers het beste voor hebben met de honden en dit ook altijd hebben gehad, is het opleggen van interne gevoelens. Interne gevoelens kunnen iemand niet opgelegd worden. De kantonrechter gebiedt gedaagde gedurende een half jaar geen uitlatingen jegens eisers (meer) te doen waarbij het woord ‘broodfokker’ wordt gebruikt of woorden van gelijke strekking.

 


3.11 Nu [gedaagde] niet betwist dat zij de gestelde uitlatingen gedaan heeft enkel op basis van vermoedens en deze uitlatingen derhalve niet op feiten berusten, en de kantonrechter onder 3.10 reeds overwogen heeft dat de uitlatingen suggestief en grievend zijn, betekent dit dat [gedaagde] met de door haar geplaatste uitlatingen en publicaties onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres 1] en [eiser 3]. Dit geldt te meer nu het gekozen medium, internet, een grote impact heeft daar informatie hierop wijd verspreid kan worden en het eenvoudig en voor veel mensen bereikbaar is. Hieruit volgt dat het recht van [eiseres 1] en [eiser 3] op bescherming van haar eer en goede naam dient te prevaleren boven het recht van [gedaagde] op de vrijheid van meningsuiting. De kantonrechter begrijpt dat het doel van [gedaagde] was een mogelijke misstand waarover zij zich zorgen maakte, te weten het in een te vroeg stadium fokken met [Y], aan de kaak te stellen. Deze omstandigheid brengt echter geen rechtvaardiging mee nu een gegronde feitelijke onderbouwing van deze mogelijke misstand ontbreekt.

3.12 Ten aanzien van de vordering onder I is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] niet tot deze rectificatie gehouden kan worden. De rectificatie houdt in dat [gedaagde] haar oprechte excuses moet aanbieden en dat zij moet rectificeren dat ‘[eisers]. het beste voor hebben met de honden en dit ook altijd hebben gehad’. Het gaat hier om interne gevoelens. Interne gevoelens kunnen iemand niet opgelegd worden. De rechter kan namelijk niet bevelen dat iemand zijn (onrechtmatige) mening verandert. Daarnaast ligt het niet in de macht van [gedaagde] om uitvoering te geven aan de vordering, nu zij onder andere geen beheerder van de genoemde websites is. De vordering zal daarom worden afgewezen.

3.14 Ten aanzien van de vordering onder IV gebiedt de kantonrechter [gedaagde] gedurende een half jaar, geen uitlatingen jegens [eiseres 1] en [eiser 3] (meer) te doen waarbij het woord ‘broodfokker’ wordt gebruikt of woorden van gelijke strekking.
IEF 12142

De ongebreide procedeerlust van Pretium

Rechtbank 's-Gravenhage 12 december 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6985 (Pretium tegen VARA)

Uitspraak ingezonden door Peter Kok en Bas Le Poole, Houthoff Buruma.

Als randvermelding. Onrechtmatige publicaties. Onderwerp van de procedure zijn twee artikelen die in het Kassa Magazine zijn verschenen.

Centraal in deze zaak staat het artikel "Aan de bel". Dit artikel is onmiskenbaar kritisch over Pretium. De teneur ervan is dat er vele klachten van consumenten over de telefonische wervingsmethode van Pretium binnenkomen, maar dat Pretium het, door zijn ongebreide procedeerlust [zie hier], het de media - waaronder het programma Kassa - moeilijk maakt om over deze klachten te berichten. Op zichzelf is juist dat een dergelijk artikel de goede naam van Pretium aantast en daarmee schade toebrengt aan Pretium.

Aan de orde is daarmee de botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van de Vara c.s., en het recht op eerbiediging van de goede naam van Pretium. De vorderingen van Pretium worden afgewezen. De rechtbank gaat er van uit dat de Vara CS. daarmee ook hun standpunt dat een volledige proceskostenveroordeling moet volgen hebben laten varen; de aangekondigde specificatie van de (volledige) proceskosten is uitgebleven. De rechtbank gaat uit van het liquidatietarief.

2.8. In het decembernummer 2008 van het blad Kassa Magazine heeft Veenstra als Kassa-eindredacteur, in de rubriek "Consumentennieuws" een zelfgeschreven artikel gepubliceerd met als titel "Aan de bel". De aanhef van dit artikel (in groot lettertype) luidt voor zover relevant als volgt:

"Klachten of kritische stukken over telecombedrijf Pretium kunnen je zomaar op een fax van een van hun advocaten komen te staan, merkten De Telegraaf/KPN, de Ombudsman, De Gooi- en Eemlander, MAX, Radar, de Consumentenautoriteit - wat is er aan de hand met die firma? Renzo Veenstra, als Kassa-eindredacteur ervaringsdeskundig, legt uit"

2.11. Naar aanleiding van deze uitspraak van het hof is in het maart-nummer van 2010 van Kassa Magazine een tweede artikel van Veenstra verschenen, onder de titel "De praktijken van Pretium (2)". In dat artikel is beschreven dat de Vara c.s. het door Pretium aanhangig gemaakte kort geding bij de rechtbank verloren, maar dat de Vara c.s. bij het hof alsnog gelijk kregen in het arrest van 12 januari 2010.

2.12. Pretium heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 12 januari 2010. Bij arrest van 16 december 2011 heeft de Hoge Raad de klachten van Pretium met toepassing van artikel 81 RO verworpen.

4.1. Centraal in deze zaak staat het artikel "Aan de bel". Dit artikel is onmiskenbaar kritisch over Pretium. De teneur ervan is dat er vele klachten van consumenten over de telefonische wervingsmethode van Pretium binnenkomen, maar dat Pretium het, door zijn ongebreide procedeerlust, het de media - waaronder het programma Kassa - moeilijk maakt om over deze klachten te berichten. Op zichzelf is juist dat een dergelijk artikel de goede naam van Pretium aantast en daarmee schade toebrengt aan Pretium.

[…tussenkoppen…]
Omschrijving van rechterlijke uitspraken in "Aan de bel" onrechtmatig?
Heeft Veenstra ten onrechte bericht dat er een grote hoeveelheid klachten over Pretium bestaat?
Veenstra suggereert in het artikel ten onrechte dat de eigenaar van een website met negatieve content over Pretium zijn content slechts onder advocatendruk heeft gewist
Veenstra beweert in het artikel ten onrechte dat Pretium tracht Kamervragen in de doofpot te (doen) stoppen
Veenstra had Pretium in de gelegenheid moeten stellen om op de in het artikel "Aan de hel" geuite beschuldigingen te reageren.
[…tussenkoppen…]

4.35. Het bovenstaande brengt mee dat de vorderingen van Pretium worden afgewezen Pretium zal als de m het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het gedmg. De Vara c.s. hebben aanvankelijk betoogt dat Pretium met de onderhavige procedure misbruik van procesrecht maakte. De Vara c.s. heeft dit standpunt bij gelegenheid van de compantie van 28 maart 2011 laten varen. De rechtbank gaat er van uit dat de Vara CS. daannee ook hun standpunt dat een volledige proceskostenveroordeling moet volgen hebben laten varen; de aangekondigde specificatie van de (volledige) proceskosten is uitgebleven. De rechtbank gaat daarom uit van het liquidatietarief De kosten aan de zijde van de Vara c.s. worden confonn dat tarief begroot op € 263,= aan griffierecht en € 2.486 = aan salaris advocaat (5 Vt punten x het toepasselijke tarief van € 452,=). De gevorderde wettelijke rente over de kosten kan - als onbestieden - worden toegewezen als gevorderd.

Op andere blogs:
Charlotteslaw.nl (Vrijheid van meningsuiting vs. eer en goede naam)
MediaReport (Artikel in Kassa Magazine ook in bodemprocedure niet onrechtmatig jegens Pretium)

IEF 12138

Belang: beweerdelijk inbreuk in het verleden

Rechtbank 's-Gravenhage 12 december 2012, zaaknr. 395991 / HA ZA 11-1715 (HPS c.s. tegen Geddeg B.V./Bomée B.V.)

Octrooirecht. Procesrecht. Onrechtmatig beslag. Proceskosten. In opdracht van HPS c.s. is door Patentwerk ten aanzien van de geldigheid van EP1062095 een rapport opgesteld, daarin is geconcludeerd dat conclusie 1 en 12 zijn niet nieuw ten opzichte van EP’382 en het openbaar voorgebruik door Color Wings. Bovendien zijn deze conclusies niet inventief ten opzichte van de combinatie van de NUR Blueboard printer "(...) ben ik van mening dat EP’095 niet verleend had mogen worden omdat alle conclusies niet nieuw althans niet inventief zijn. EP’095 is dus nietig”.

HPS vordert vernietiging van het Nederlandse deel en een verklaring dat Geddeg onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen en het betrekken van AVI, X en Y in kort geding. Geddeg stelt dat HPS inbreuk maakt op haar Nederlands octrooi met haar EU-octrooi. In reconventie vordert Geddeg verklaring voor recht dat er onrechtmatig is gehandeld door het openbaar voorgebruik te verzwijgen voor Color Wings.

Het in het geding gebrachte rapport is niet weersproken en de vernietigingsvordering wordt toegewezen. Dat HPS c.s. geen belang meer zou hebben, omdat EP 095 inmiddels is vervallen, wordt niet gevolgd nu de gevorderde vernietiging onder meer relevant is voor een schadevergoedingsvordering die ziet op beweerdelijk inbreuk in het verleden. Er is niet onrechtmatig gehandeld met het wapperen en entameren kort geding.

Evenmin weersproken is dat HPS c.s. het voormelde rapport van Patentwerk, waarin de nietigheid van het octrooi onderbouwd wordt toegelicht vier dagen voor het geappointeerde kort geding, aan Geddeg heeft doen toekomen. Dat is anders wat het door Geddeg gelegde conservatoir beslag. Volgens vaste jurisprudentie handelt degene die een beslag legt op eigen risico en is diegene, bijzondere omstandigheden daargelaten, gehouden de door het beslag geleden schade te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, zulks ook in het geval hij, op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd, bij het leggen van beslag niet lichtvaardig te werk is gegaan.

Onder verwijzing naar HvJ Bericap-Plastinnova, waarover partijen zich nog niet hebben kunnen uitlaten en zij daartoe in de gelegenheid worden gesteld, is de vraag of 1019h Rv van toepassing is wanneer uitsluitend de nietigheid van een IE-recht aan de orde is. Geddeg wordt in haar reconventionele vordering niet-ontvankelijk verklaard.

vernietiging Nederlands deel EP 095
4.2. HPS c.s. heeft betoogd dat het Nederlandse deel van EP 095 nietig is, vanwege een gebrek aan nieuwheid en inventiviteit, waarbij zij heeft verwezen naar het door haar als productie in het geding gebrachte rapport van Patentwerk. Nu dit door Geddeg in ieder geval wat het gebrek aan nieuwheid en inventiviteit ten opzichte van de in het rapport genoemde publicaties betreft in het geheel niet is weersproken (ten aanzien van het daarnaast gestelde openbaar voorgebruik refereert Geddeg c.s. zich), ligt de vordering tot vernietiging van het na gedeeltelijke afstand luidende Nederlandse deel van EP 095, althans voor de periode dat het octrooi van kracht is geweest, reeds om die reden voor toewijzing gereed. Het standpunt van Geddeg dat, zoals zij nog heeft aangevoerd, HPS c.s. geen belang meer zou hebben bij haar vordering, omdat EP 095 voor Nederland inmiddels is vervallen, wordt niet gevolgd. HPS c.s. heeft immers onweersproken gesteld dat de gevorderde vernietiging onder meer relevant blijft in verband met een mogelijk door Geddeg in te stellen schadevergoedingsvordering die ziet op beweerdelijke inbreuk in het verleden. De vordering tot vernietiging van het Nederlandse deel van EP 095 zoals dat luidt na de akte van afstand van 22 juni 2010 zal derhalve worden toegewezen als hierna in het dictum verwoord.

Wapperen/entameren kort geding
4.5. (...) Van een serieuze, niet te verwaarlozen kans dat het octrooi geen stand zou houden in een nietigheidsprocedure behoefde Geddeg naar het oordeel van de rechtbank op dat moment niet uitgaan. Daarbij is van belang dat Geddeg c.s. onweersproken heeft gesteld dat zij HPS c.s. voorafgaand aan het kort geding verschillende malen tevergeefs heeft verzocht om haar te voorzien van informatie waaruit de nietigheid van EP 095 zou blijken. Evenmin weersproken is dat HPS c.s. het voormelde rapport van Patentwerk, waarin de nietigheid van het octrooi onderbouwd wordt toegelicht, eerst op 4 december 2010, zijnde vier dagen voor het geappointeerde kort geding, aan Geddeg heeft doen toekomen. Dat Geddeg van de nietigheid van het octrooi al had uit te gaan uit andere bron, zoals HPS c.s. stelt, is door Geddeg c.s. betwist en vervolgens door HPS c.s. niet nader onderbouwd, zodat die stelling als ongegrond wordt verworpen. Datzelfde geldt voor de stelling dat Geddeg c.s. ook na december 2010 handelingen ter handhaving van haar octrooirecht heeft verricht, welke stelling, gelet op de betwisting daarvan door Geddeg c.s., onvoldoende is onderbouwd. De vordering tot een verklaring voor recht van onrechtmatig handelen en de gevorderde schadevergoeding zal in zoverre derhalve worden afgewezen.

kosten procedure in conventie tussen HPS c.s. en Geddeg
4.14. Het arrest dat het Hof van Justitie heeft gewezen in de zaak Bericap – Plastinnova (HvJ EU 15 november 2012, C-180/11) roept de vraag op of dat artikel grond biedt voor een volledige proceskostenveroordeling in een zaak waarin uitsluitend de nietigheid van een intellectueel eigendomsrecht aan de orde is, zoals in de onderhavige zaak in conventie. In dat arrest heeft het hof namelijk onder meer het volgende overwogen over het toepassingsbereik van de handhavingsrichtlijn, waarvan onder meer artikel 1019h Rv de implementatie vormt: (...)

4.15. Aangezien dit arrest is gewezen nadat vonnis was bepaald, hebben partijen zich nog niet kunnen uitlaten over de consequenties van dit arrest voor deze zaak. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld dat alsnog te doen bij akte, waarbij wordt opgemerkt dat de akte uitdrukkelijk tot dit onderwerp beperkt dient te blijven. Voor zover het meer omvat, kan de akte door de rechtbank geheel of gedeeltelijk worden geweigerd. Met het oog op de aktewisseling zal de beslissing over de proceskosten in conventie, ook die in de procedure tussen HPS c.s. en Bomée en Z, waarbij HPS c.s. als de in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt, worden aangehouden.

IEF 12129

Recente lokale streekproducten - december 2012

Recentelijk heeft de Commissie enkele Beschermde Geografische Aanduidingen (BGA) en Beschermde Oorsprongbenamingen (BOB) aan het DOOR-register toegevoegd. Met de volgende tien uitvoeringsverordeningen (EU) van de Commissie van .. oktober 2012, houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen:



Nr. 1096/2012 (14 november) Aischgründer Karpfen (BGA), voor Duitse gebakken karper [aanvr.]
Nr. 1118/2012 (28 november) 东山白卢笋 Dongshan Bai Lu Sun (BGA), voor Chinese verduurzaamde asperges [aanvr.].
Nr. 1173/2012 (4 december) Queso Camerano (BOB), voor Spaanse kaas [aanvr.].


Nr. 1175/2012 (7 december) Sale Marino di Trapani (BGA), voor Italiaans zout [aanvr.].
Nr. 1176/2012 (7 december) Μανταρίνι Χίου Mandarini Chiou (BGA), voor Griekse mandarijnen [aanvr.].
Nr. 1177/2012 Scottish Wild Salmon (BGA), voor Schotse wilde zalm [aanvr.].

Meer weten over Geografische indicaties en herkomstaanduidingen (dossier overige - herkomstaanduiding via linkermenu).

IEF 12128

Nederland vraagt bescherming aan voor Bastersuiker en Schenkstroop

Nederland heeft voor traditionele specialiteiten bescherming aangevraagd bij de EU. Ditmaal gaat het om de producten Schenkstroop en Basterdsuiker. Indien de verzoeken worden ingewilligd, komt Nederland daarmee op een totaal van (slechts) 11 beschermde aanduidingen:

NL/TSG/0007/00901  

   Basterdsuiker

GTS

23/11/2012

Gepubliceerd

NL/TSG/0007/01056  

   Suikerstroop / Schenkstroop / Goudstroop

GTS

21/11/2012

Aangevraagd

NL/PGI/0005/0328  

https://ec.europa.eu/agriculture/quality/door/images/PGI.gifGouda Holland

BGA

03/12/2010

Geregistreerd

NL/PGI/0005/0329  

https://ec.europa.eu/agriculture/quality/door/images/PGI.gif Edam Holland

BGA

03/12/2010

Geregistreerd

NL/TSG/0107/0023  

https://ec.europa.eu/agriculture/quality/door/images/TSG.gif Boerenkaas

GTS

16/02/2007

Geregistreerd

 

NL/PGI/0005/0215  

https://ec.europa.eu/agriculture/quality/door/images/PGI.gif Westlandse druif

BGA

12/11/2003

Geregistreerd

NL/PDO/0005/0059  

https://ec.europa.eu/agriculture/quality/door/images/PDO.gif Kanterkaas ; Kanternagelkaas ; Kanterkomijnekaas

BOB

08/09/2000

Geregistreerd

NL/PDO/0017/0316  

https://ec.europa.eu/agriculture/quality/door/images/PDO.gif Boeren-Leidse met sleutels

BOB

13/06/1997

Geregistreerd

NL/PDO/0017/0313  

https://ec.europa.eu/agriculture/quality/door/images/PDO.gif Opperdoezer Ronde

BOB

21/06/1996

Geregistreerd

NL/PDO/0017/0314  

https://ec.europa.eu/agriculture/quality/door/images/PDO.gif Noord-Hollandse Gouda

BOB

21/06/1996

Geregistreerd

NL/PDO/0017/0315  

https://ec.europa.eu/agriculture/quality/door/images/PDO.gif Noord-Hollandse Edammer

BOB

21/06/1996

Geregistreerd

IEF 12117

Niet duidelijk wat de gegronde reden is om aan de juistheid van het beleid te twijfelen

Ondernemingskamer Hof Amsterdam 16 november 2012, LJN BY5629 (Ciçek tegen Royal T-Stick Europe B.V. en 2 Manage 4 U c.s.)
Ondernemingsrecht en merkrechten. RTS is opgericht op 14 mei 2007 en houdt een onderneming in stand die zich vooral toelegt op het importeren van en de groothandel in theestaafjes onder de merknaam Royal T-Sticks. Ciçek, 2 Manage 4 U, REM en Anderiesen houden ieder 25% van de aandelen in RTS. De notulen van deze aandeelhoudersvergadering houden onder meer in: “Dhr. Ciçek geeft aan dat het logisch lijkt, bij herstructurering de merknaam onder te brengen bij Investor Holding, dit zijn de anderen met hem eens.”

Er bestaat een akte dat Ates (zijn aandeel in) de rechten op de merknaam Royal T-Stick overdraagt aan Van As en Olierook. In juni 2012 hebben Olierook en van As ten laste van Ciçek, Ates en Royal Group conservatoir beslag gelegd op een in Alkmaar opgeslagen voorraad T-Sticks. Het verzoekschrift strekkende tot het verkrijgen van verlof voor dit beslag houdt in dat deze voorraad T-Sticks inbreuk maakt op het aan Olierook en Van As toekomende beeld- en woordmerk Royal T-Stick.

3.1. Ciçek heeft aan zijn stelling dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid van RTS en dat onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen kort gezegd het volgende ten grondslag gelegd: (...)

c. De belangen van Ciçek als minderheidsaandeelhouder worden stelselmatig genegeerd doordat
(iii) Olierook en Van As de rechten op het merk Royal T-Stick ten onrechte op hun eigen naam hebben geregistreerd in plaats van op naam van Investor Holding, (...)
e. Er moet gevreesd worden voor de continuïteit van RTS vanwege de verstoorde verhouding met Royal Group, de beëindiging van de distributieovereenkomst met Royal Group en de registratie van de merkrechten ten name van Olierook en Van As.

Naar het oordeel van de Ondernemingskamer heeft Ciçek niet duidelijk gemaakt op grond waarvan de registratie van de rechten op het merk Royel T-Stick ten name van Olierook en Van As een gegronde reden zou zijn om aan de juistheid van hetbeleid van RTS te twijfelen. De kamer wijst de vorderingen af.

De merkrechten 3.14 Naar het oordeel van de Ondernemingskamer heeft Ciçek niet duidelijk gemaakt op grond waarvan de registratie van de rechten op het merk Royel T-Stick ten name van Olierook en Van As een gegronde reden zou zijn om aan de juistheid van hetbeleid van RTS te twijfelen. Ciçek heeft niet gesteld dat deze merkenrechten toekomen aan RTS; Ciçek heeftgesteld dat tussen hemzelf, Ates, Olierook en Van As in 2008 is afgesproken dat de merkrechten geregistreerd zouden worden op naam van Royal Group en dat nadien, in juli 2011, is besproken dat de merkenrechten in het kader van een herstructurering ondergebracht zullen worden in Investor Holding (zie 2.7). Gelet op de beëindiging van de samenwerking tussen RTS en Royal Group als gevolg van de door Ciçek als bestuurder van Royal Group verzonden e-mails van 28 maart 2012 en 3 april 2012 (zie 2.11 en 2.12),moet worden aangenomen dat het belang van RTS thans niet gediend is met registratie van de merkenrechten ten name van Royal Group en voorts dat de bedoelde herstructurering, waarbij ook Royal Group zou zijn betrokken, geen doorgang meer zal vinden. De omstandigheid dat Ates in een gerechtelijke procedure betwist dat hij zijn aandeel in de merkenrechten bij akte van 2 februari 2012 heeft overgedragen aan Olierook en Van As, is voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van het verzoek van Ciçek niet van belang. Zonder nadere toelichting, die Ciçek niet heeft verschaft, valt niet in te zien dat, indien Olierook en Van As de rechthebbende zijn op het merk T-Stick, het risico zou ontstaan dat RTS deze merknaam niet zou kunnen voeren. Integendeel: RTS heeft onweersproken gesteld dat zij sinds haar oprichting gebruik maakt van dat merk op basis van een licentieovereenkomst met (toen nog) Olierook, Van As en Ates.

IEF 12112

Afschaffing onderhandse akten in wet op de elektronische akten

Belastingplan wetsvoorstel Wijziging van de Registratiewet 1970 in verband met de invoering van de elektronisch registratie van notariële akten en de gedeeltelijke afschaffing van de onderhandse akten, Handelingen II, 2012/13, nr. 23, item 14.

Registratie van onderhandse akten (registratie / bewijs auteursrechtclaims, concepten, etc.) komen niet voor in wet op de elektronische akten. Verzoek tot nota van wijziging: Het is simpel, kost een paar euro in het register, bij de notaris €250. Het voorziet in een behoefte. Reactie Weekers: Belastingdienst terug naar de kerntaak, geen oneigenlijke taken, hoe fijn (en goedkoop) dat misschien ook is.

Omtzigt (CDA): Wij vinden het bijzonder spijtig dat onderhandse akten niet voorkomen in de wet op de elektronische akten. Wil de staatssecretaris per nota van wijziging er alsnog voor zorgen dat andere typen akten hierin worden opgenomen? Het is heel simpel. In het register kost het een paar euro en op de andere wijze, bij de notaris, kost het € 250. Het voorziet dus in een behoefte. Het kan elektronisch gebeuren bij de Belastingdienst. De staatssecretaris moet dat ook kostendekkend doen, want de rest van de Nederlandse samenleving hoeft dit niet te subsidiëren. Het is de makkelijke manier om akten geregistreerd te krijgen.
Staatssecretaris Weekers: De heer Omtzigt vraagt naar de onderhandse akte. Daar ben ik in de schriftelijke stukken al uitgebreid op ingegaan. Ik heb ook al aangegeven dat voor gevallen van onderhandse akten waarin het juridisch nodig is een uitzondering is geregeld. Voor andere gevallen ben ik niet bereid om een nota van wijziging in te dienen. Ik wil dat de Belastingdienst teruggaat naar de kerntaak. Ik wil niet dat deze allerlei oneigenlijke taken op zich neemt, hoe fijn sommige mensen dat misschien ook vinden omdat het daar dan goedkoop gedaan zou kunnen worden.
IEF 12109

Geen beslissing over fundamentele vormen van vrijheid van meningsuiting in kort geding

Vzr. Rechtbank Breda 29 november 2012, LJN BY5493 (DAHABSHIIL TRANSFER SERVICES LIMITED tegen STICHTING ASSOCIATED SOMALI JOURNALISTS)

Rechtspraak.nl: In deze zaak gaat het over een groot aantal publicaties op internet, waarvoor gedaagde, respectievelijk Stichting ASOJ, journalistieke verantwoordelijkheid erkent. In de publicaties wordt Dahabshiil beschuldigd van banden met terrorisme, het aanzetten tot moord en het aanzetten tot het plegen van strafbare feiten. De publicaties betreffen onderwerpen van belang voor het publieke debat in en over Somalië: terrorismebestrijding, veiligheid, opheldering van belangenposities en beëindiging van geweld in Somalië. Nu het hier gaat om fundamentele vormen van vrijheid van meningsuiting is grote terughoudendheid op zijn plaats om beslissingen te baseren op een summiere behandeling in kort geding.

 

4.1. In deze zaak gaat het over een groot aantal publicaties op internet, waarvoor [gedaagde 1], respectievelijk Stichting ASOJ, journalistieke verantwoordelijkheid erkent.

De publicaties betreffen onderwerpen van belang voor het publieke debat in en over Somalië : terrorismebestrijding, veiligheid, opheldering van belangenposities en beëindiging van geweld in Somalië. In het bijzonder gaat het om beschuldigingen aan Dahabshiil van terrorisme, aanzetten tot moord en aanzetten tot andere strafbare feiten. Dit zijn zeer ernstige beschuldigingen, die buitengewoon diffamerend zijn. Echter, het gaat dus ook om uitlatingen die vallen onder de meest essentiële vorm van vrijheid van meningsuiting en waarop een beperking niet snel gerechtvaardigd is in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM.


4.2. [gedaagde 1] verdedigt de juistheid en voldoende gegrondheid van deze berichtgeving. Dahabshiil betwist deze. Dahabshiil stelt dat [gedaagde 1] zijn stellingen moet bewijzen en dat hij dit niet doet en niet kan. [gedaagde 1] stelt dat het kort geding zich niet leent voor dit debat. Beide partijen stellen een veelheid van feiten en leggen elk vele schriftelijke stukken over ter verdediging van hun respectieve standpunten.

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het kort geding zich niet leent voor de beoordeling van de verweten publicaties. Aangezien het hier gaat om fundamentele vormen van vrijheid van meningsuiting is grote terughoudendheid op zijn plaats om beslissingen te baseren op een summiere behandeling in kort geding.

Voor de zorgvuldige beoordeling van de zaak is bewijsvoering nodig, waarvoor dit kort geding zich niet leent. Daar komt bij dat het voor een groot deel gaat om publicaties die al in 2009, 2010 en 2011 zijn geplaatst, zodat een bodemprocedure daarover reeds lang had kunnen zijn gestart. Het is juist dat in dit kort geding is gebleken dat [gedaagde 1] in het eerdere kort geding opzettelijk in strijd met de waarheid heeft ontkend verantwoordelijk te zijn voor een groot aantal publicaties. Dat verweer hoefde Dahabshiil echter niet ervan te weerhouden de bodemprocedure te beginnen en die ontkenning daarin te weerleggen. Hoezeer zijn genoemde onwaarachtigheid de geloofwaardigheid van [gedaagde 1] in algemene zin ook schaadt, het is niet voldoende om zonder verder onderzoek zijn verweer ten aanzien van de inhoud van de berichtgeving in alle opzichten ongeloofwaardig te oordelen.

Tenslotte weegt mee dat blijkens een door Dahabshiil zelf overgelegd rapport de Somalische journalistiek geen enkel gezag geniet. Dit relativeert het spoedeisend belang bij een correctie.