DOSSIERS
Alle dossiers

Contracten  

IEF 14813

Muziekstudio vordert inkomsten van levensliedzanger

Rechtbank Amsterdam 18 maart 2015, IEF 14813;  ECLI:NL:RBAMS:2015:1684 (Muziekstudio levensliedzanger)
Contractenrecht. Omkering bewijslast. Vordering muziekstudio op levensliedzanger uit hoofde van overeenkomst op grond waarvan de zanger een deel van inkomsten gegenereerd met optredens aan de muziekstudio diende af te dragen. Rechtbank ziet aanleiding bewijslast om te keren. In rechte staat vast dat de zanger heeft opgetreden, maar hij stelt daarvoor geen geld te hebben ontvangen. Nu onvoldoende is betwist dat de zanger zijn administratie niet op orde had en hij (en niet de muziekstudio) degene is die de contracten sloot met de derden waar hij optredens gaf, wordt de zanger opgedragen te bewijzen dat hij voor deze optredens geen, dan wel een lagere vergoeding ontving.

Non-recording
Terzake inkomsten uit non-recording activities (optredens (…)) zal 8Ball 60% van de (100%) netto exploitatie inkomsten aan [eiser sub 1] doorbetalen: Deze 60% wordt als volgt tussen partijen verdeeld:
Artiest: 40% aldus (2/3) van de door [eiser sub 1] ontvangen bedragen
Maatschappij:    20% aldus (1/3) van de door [eiser sub 1] ontvangen bedragen

2.4.
Op 11 januari 2011 heeft 8Ball de samenwerkingsovereenkomst ontbonden vanwege uitblijvende successen.

4.1.
Tussen partijen staat vast dat de overeenkomst op 9 augustus 2012 is geëindigd. De vraag die voor ligt is of [gedaagde] gehouden is uit hoofde van de overeenkomst bedragen aan [eisers gezamenlijk] te voldoen over de periode tot 9 augustus 2012. Het primaire verweer van [gedaagde] dat niet hij maar 8Ball zou moeten worden aangesproken, ziet in feite op de vordering van [eisers gezamenlijk] voor zover die is gegrond op artikel 4 van de overeenkomst. Nu ter gelegenheid van de zitting door [eisers gezamenlijk] is erkend dat er geen inkomsten worden gevorderd die vallen onder artikel 4, kan het antwoord op de vraag op wie de betalingsverplichting uit hoofde van dat artikel rust, verder in het midden blijven.
4.6.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij voor zijn optredens geen geld heeft ontvangen. De rechtbank stelt voorop dat op grond van geldend bewijsrecht in beginsel op [eisers gezamenlijk] de bewijslast rust van hun stelling dat [gedaagde] betaalde optredens heeft gegeven, nu zij zich beroepen op het rechtsgevolg van die stelling, te weten afdracht van een percentage van de inkomsten uit die optredens. De rechtbank is echter van oordeel dat in de onderhavige situatie de eisen van redelijkheid en billijkheid tot een andere bewijslastverdeling nopen. Daartoe is het volgende redengevend. Ofschoon uit de overeenkomst geen expliciete administratieplicht volgt, vloeit uit het bepaalde in artikel 5 voort dat partijen inzichtelijk moeten kunnen maken wat zij aan inkomsten genereren. Evident is dat [eisers gezamenlijk] er belang bij heeft te weten welke optredens [gedaagde] heeft gegeven en wat hij daarmee heeft verdiend. [gedaagde] heeft onvoldoende betwist dat hij zijn administratie niet op orde had. Het voorgaande heeft reeds tot gevolg dat het risico van de omstandigheid dat uit de administratie van [gedaagde] niet zonder meer is af te leiden of, en zo ja hoeveel inkomsten hij met optredens heeft gegenereerd, voor rekening van [gedaagde] dient te komen. [gedaagde] is ook steeds degene geweest die de wederpartij was in de relatie tussen hem en de derde van wie hij gelden ontving en zal uit dien hoofde over onderliggende contracten en betalingsbewijzen beschikken. [eiser sub 1] stond hier volledig buiten. Ook dat noopt tot een andere risicoverdeling. Aldus vloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voort.
IEF 14791

Schijn van vervlechting ondernemingen door zelfde postbus, logo en website

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2015, IEF 14791; ECLI:NL:GHARL:2015:1093 (Golf en Country Club Edda Huzid tegen Docky)
Als randvermelding. Verschillende vennootschappen maken gebruik van zelfde postbus, zelfde aanduidingen, zelfde logo en zelfde website. Vergaande (schijn van) vervlechting tussen ondernemingen en gezamenlijke presentatie aan het publiek. Aangedragen feiten zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat Docky niet met GCC Edda Huzid heeft gecontracteerd.

3.3. Het hof neemt bij de beoordeling tot uitgangspunt dat GCC Edda Huzid en RP Edda Huzid ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst met Docky op hetzelfde adres waren gevestigd, dat zij gebruik maakten van dezelfde postbus, dat zij gebruik maakten van (vrijwel) dezelfde aanduidingen en logo op het briefpapier, dat zij gebruik maakten van dezelfde website en dat hun administraties werden gevoerd vanuit hetzelfde adres. De naam “Edda Huzid” was bij hun uitingen het meest in het oog springend en toonaangevend. GCC Edda Huzid en RP Edda Huzid traden onder die gezamenlijke noemer op, zoals GCC Edda Huzid ook onderkent (zie memorie van grieven onder 26). Op deze wijze werd voor het publiek het beeld gecreëerd van een eenheid tussen beide ondernemingen, zonder dat zonder meer duidelijk was dat sprake was van te onderscheiden rechtspersonen. Dat aan Docky dit onderscheid wel duidelijk is gemaakt, is onvoldoende gesteld of gebleken. GCC Edda Huzid heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat bij de besprekingen voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst niet over dit onderscheid is gesproken en dat locaties van zowel GCC Edda Huzid als van RP Edda Huzid zijn bezocht. De betwisting dat Docky ook het clubhuis van GCC Edda Huzid heeft bezocht, is tegenover de concrete stellingen van Docky terzake onvoldoende gemotiveerd.

3.12. Door GCC Edda Huzid is niet, althans niet voldoende concreet en specifiek, bewijs aangeboden van feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Voor zover door GCC Edda Huzid in hoger beroep bewijs is aangeboden, betreft dat stellingen waarover door GCC Edda Huzid onvoldoende is gesteld (zodat aan bewijs niet wordt toegekomen) of betreft het feiten die niet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat Docky niet met GCC Edda Huzid heeft gecontracteerd of om anderszins tot andere conclusies te kunnen komen. Het bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.
IEF 14785

Groeien naar volwaardige partnership is nog geen verdeeld handelsnaamrecht S’Oranje

Vzr. Rechtbank Rotterdam 20 maart 2015, IEF 14785; ECLI:NL:RBROT:2015:2166 (Soho tegen gedaagde)
Uitspraak ingezonden door Timme Geerlof, Ploum Lodder Princen. Handelsnaamrecht. Soho organiseert jaarlijks een muziekfestival ter viering van Koninginnedag, thans Koningsdag onder de naar Sohoranje/S'Oranje. Gedaagde heeft meegewerkt aan de organisatie en promotie en heeft de domeinnaam soranje.nl/.com en Facebookaccount S'Oranje geregistreerd. Uit de stukken blijkt de intentie om in 3 jaar te groeien naar een volwaardige partnership, maar dat is onvoldoende om aan de onderneming in oprichting het handelsnaamrecht van S’Oranje toe te schrijven. Soho vordert met succes de domeinnamen en Facebook-pagina op.

4.7. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat S en C intensief met elkaar hebben samengewerkt ten behoeve van de organisatie van het festival S'Oranje' aan het Plein te Rotterdam in 2014. Naast het geven van organisatorische input zagen de werkzaamheden van C onder meer) op het nader invulling geven aan het muzikale gedeelte van het festival en het verrichten van promotieactiviteiten via Internet. Dat dit allen onder de vlag van een gezamenlijke onderneming in oprichting, dan wel een partnership van S en C is gebeurd is voorshands niet aannemelijk geworden. De benodigde vergunning, de contracten en de facturen ten behoeve van het festival staan allen op naam van Soho Rotterdam en ter terechtzitting heeft Soho Rotterdam onbetwist gesteld dat de productiekosten voor het festival valledig voor naar rekening zijn gekomen. hoewel uit de stukken genoegzaam blijkt dat partijen de intentie hadden om in een periode van 3 jaar toe te groeien Haar een volwaardig partnership met gelijke rechten en plichten, is dit onvoldoende om, daarop vooruitlopend, aan die nog op te richten onderneming het handelsnaamrecht op de naam S'Oranje toe te kunnen schrijven. Daar zij aan toegevoegd dat er blijkbaar nog geen enkele formele stap was gezet om vorm te (gaan) geven aan een gezamenlijke onderneming, Welke gezamenlijke onderneming, zo valt uit de uitlatingen van partijen of te Leiden, er ook niet meer lijkt te gaan komen. Er is dus geen entiteit (of rechtspersoon) aan wie het recht op het voeren handelsnaam zou kunnen toekomen. De vraag die dan moet worden beantwoord of het recht op die handelsnaam toekomt aan Soho Rotterdam of aan C.
4.8. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat gelet op de hiervoor onder 4.7 beschreven gang van zaken, maar ook gelet op de geschiedenis van het festival zoals beschreven in 2.3 in welk kader de voorzieningenrechter overweegt dat de namen van de festivals vooralsnog wel degelijk verband met elkaar lijken te houden, aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de handelsnaam S'Oranje toekomt aan Soho Rotterdam. C kan zich haar voorlopig oordeel niet beroepen op een ouder recht op de handelsnaam.(...)
Ten slotte wordt hierbij nog in aanmerking genomen dat C ter zitting heeft aangegeven niet zelf van plan te zijn onder de handelsnaam zelf een festival te gaan registreren. Dat C mogelijk de naam S'Oranje in zijn voor Soho Rotterdam uitgevoerde werkzaamheden heeft bedacht, hetgeen door Soho Rotterdam wordt betwist, maakt dit niet anders. Datzelfde geldt voor een belangenafweging. Op het punt van de verbroken samenwerking kan, zonder financiële stukken, niet worden vastgesteld of Soho Rotterdam de gemaakte afspraak voor het eerste jaar (de winstverdeling) correct is nagekomen. Wat wel vaststaat is dat er een betaling aan C is gedaan. Daar staat tegenover dot C ten aanzien van zijn investeringsverplichting voor het tweede jaar heeft verklaard dot zijn jarenlange ervaring zijn investering zou zijn. Dat lijkt niet een investering die in de voorgenomen afspraken tussen partijen is neergelegd, zodat aangenomen met worden dot C zijn verplichtingen voor het tweede jaar niet zou gaan nakomen. Die tekortkoming lijkt omvangrijker don de, nog nader vast te stellen, tekortkoming van Soho Rotterdam op het punt van de winstverdeling.

Lees de uitspraak (pdf/html)

IEF 14765

Geen exploitatieovereenkomst bij aankoop Charging bull

Vzr. Rechtbank Amsterdam 4 februari 2015, IEF 14765; ECLI:NL:RBAMS:2015:1117 (Charging Bull exploitatie)
Zie eerder IEF 14739. Eiser heeft in Amerika van een kunstenaar een replica van het beeld “charging bull” gekocht. Het beeld is geplaatst op het Beursplein te Amsterdam. Eiser stelt dat er met de kunstenaar ook een exploitatieovereenkomst is gesloten, waarvan hij nakoming vordert. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat er op basis van Nederlands recht geen exploitatieovereenkomst tot stand is gekomen bij gebreke van een bij de kunstenaar op dat rechtsgevolg gerichte wil. De vorderingen worden afgewezen.

4.4. De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] in het concept van de exploitatieovereenkomst een rechtskeuze voor Nederlands recht heeft opgenomen. [gedaagde] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt zodat aan de hand van het hiervoor genoemde artikel 10 lid 1 ervan moet worden uitgegaan dat indien de exploitatieovereenkomst geldig zou zijn daarop Nederlands recht van toepassing zou zijn en de vraag óf de exploitatieovereenkomst tot stand is gekomen dus ook naar Nederlands recht moet worden beantwoord. Naar Nederlands recht komt een overeenkomst tot stand door aanbod en aanvaarding, welke beide zowel mondeling als schriftelijk kunnen plaatsvinden. Zowel aanbod als aanvaarding moeten zijn gebaseerd op een op rechtsgevolg gerichte wil, waarbij deze wil reeds aanwezig kan worden geacht indien daartoe - alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend - aanleiding bestaat. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat uit de overgelegde correspondentie tussen [naam 1] (namens [eiser]) en [advocaat 1] (namens [gedaagde]) blijkt dat op 22 december 2011 in verregaande mate overeenstemming bestond over de essentialia en overige bepalingen van de te sluiten exploitatieovereenkomst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in het onderhavige geval echter niet worden aangenomen dat de wil van [gedaagde] reeds op 22 december 2011 (of op enig moment daarvoor) was gericht op de totstandkoming van de exploitatieovereenkomst. Daartoe is redengevend dat naar het recht van [plaats], zoals op grond van de onbetwiste verklaring van [advocaat 1] kan worden aangenomen, een overeenkomst als de onderhavige tot stand komt indien over alle voorwaarden schriftelijk overeenstemming bestaat en de overeenkomst door partijen is ondertekend. Aangezien zowel [eiser] als [gedaagde] woonachting zijn in [plaats], het aanvankelijke contact tussen [eiser] en [gedaagde] over de aankoop en plaatsing van het beeld in Amsterdam heeft plaatsgevonden in [plaats] en de onderhandelingen in de periode van 11 tot 22 december 2011 namens [gedaagde] zijn voortgezet door [advocaat 1], een in [plaats] gevestigde advocaat, kan er voorshands niet vanuit worden gegaan dat [gedaagde] zich realiseerde, laat staan ermee instemde dat de betekenis van de onderhandelingen (mogelijk) door het Nederlandse recht zouden worden beheerst en dat dat mee zou kunnen brengen dat ook als de onderhandelingen niet hebben geresulteerd in een schriftelijke, door partijen ondertekende overeenkomst, het bestaan van een overeenkomst zou kunnen worden aangenomen. Ook is niet gebleken dat dit onderwerp expliciet door partijen is besproken. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de aanvaarding door [advocaat 1] namens [gedaagde] van ‘the substance of the agreement’ op 12 december 2011 en van de aanvullende bepalingen op 20 december 2011, daargelaten dat kan worden betwijfeld of [advocaat 1] met die aanvullende bepalingen (volledig) heeft ingestemd, was gebaseerd op de wil reeds op dat moment een rechtsgeldige overeenkomst tot stand te laten komen. Toepassing van het Nederlandse recht leidt de voorzieningenrechter derhalve tot de conclusie dat de exploitatieovereenkomst tussen partijen in de periode tussen 11 december en 22 december 2011 niet tot stand is gekomen. Nu gesteld noch gebleken is dat de exploitatieovereenkomst na 22 december 2011 op enig moment wél tot stand is gekomen, moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Daarbij komt dat ook indien de exploitatieovereenkomst wel zou moeten worden geacht tot stand te zijn gekomen, [gedaagde] terecht heeft aangevoerd dat de licentie- en exploitatierechten volgens die exploitatieovereenkomst niet aan [eiser] maar aan [bedrijf y] zouden worden toebedeeld en dat de vorderingen van [eiser], die de vorderingen niet (mede) namens [bedrijf y] heeft ingesteld, om die reden niet toewijsbaar zouden zijn.
IEF 14757

Vernietiging licentieovereenkomst wegens dwaling

Hof 's-Hertogenbosch 10 maart 2015, IEF 14757; ECLI:NL:GHSHE:2015:842 (Holding tegen Project Management)
Geïntimeerde verleent door ondertekening aan appellant als licentiehouder het recht de door geïntimeerde ontwikkelde programma’s te verhandelen en uit te voeren. Appellant vordert vernietiging van licentieovereenkomst wegens dwaling. Die vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling treft ook de verbintenissen van beide partijen zoals in de overeenkomst vastgelegd, en dan kan geen sprake meer zijn van een tekortkoming in de nakoming daarvan (Zie in dezelfde zin HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3765). De vorderingen die partijen verder over en weer uit hoofde van de overeenkomst hebben ingesteld worden daarom allemaal afgewezen.

 


3.8.2. Bovendien was [appellante] al medio 2006, dus kort na het sluiten van de licentieovereenkomst, op de hoogte van de rol van [voormalig trainer geïntimeerde] en de trainingen die [voormalig trainer geïntimeerde] verzorgde. en een vordering tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling is dus al in 2009 verjaard.

3.8.5.
[geïntimeerde] heeft niet gemotiveerd de stelling van [appellante] betwist dat [appellante], indien zij van het bovenstaande op de hoogte zou zijn geweest vóór het sluiten van de licentieovereenkomst, die overeenkomst niet of in elk geval niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. Dit brengt mee dat het beroep van [appellante] op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling, dat klaarblijkelijk gebaseerd is op de in artikel 6:228 lid 1 sub b genoemde dwalingsgrond, in beginsel voor honorering in aanmerking komt.

3.8.6.
Het voorgaande brengt mee dat een oordeel gegeven moet worden over het beroep dat [geïntimeerde] heeft gedaan op verjaring van de bevoegdheid van [appellante] om de overeenkomst te vernietigen wegens dwaling. [geïntimeerde] heeft dienaangaande aangevoerd dat [appellante] al in 2006 op de hoogte was van de samenwerking van [geïntimeerde] met MKB Cursus & Advies en de rol die [voormalig trainer geïntimeerde] daarbij speelde. Ter onderbouwing van die stelling heeft [geïntimeerde] verwezen naar een e‑mail van [voormalig trainer geïntimeerde] aan [Project Management] van 11 juni 2006 en een e-mail van [voormalig trainer geïntimeerde] aan [Project Management] van 21 juni 2013.

3.8.7.
Het hof verwerpt dit beroep op verjaring.
IEF 14739

Geen dwaling over merchandiselicentie bij aankoop Charging bull

Rechtbank Amsterdam 16 juli 2014, IEF 14739; ECLI:NL:RBAMS:2014:4506 (Charging Bull miniaturen)
Uitleg exploitatie/koopovereenkomst. Eiser heeft het beeld "Charging Bull" gemaakt. Tussen partijen is een koopovereenkomst en voor miniaturen een exploitatie- en licentieovereenkomst gesloten. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat door de plaatsing van het beeld op het beursplein te Amsterdam de voorwaarde van artikel 4.2 (placed in a public place in Amsterdam) van de koopovereenkomst voor de betaling van het restant van de koopsom is vervuld. Ook al is de plaatsing met een tijdelijk objectvergunning of zelfs zonder vergunning. Zonder exploitatiemogelijkheden had gedaagde het beeld nooit gekocht. Het beroep van gedaagde op dwaling, opschorting, ontbinding en artikel 6:248 BW faalt en betaling van restbedrag €326.607,50 wordt toegewezen.

2.1. [naam eiser] heeft het beeld “Charging Bull” gemaakt (hierna ook: het beeld).

2.2. Partijen zijn in november en december 2011 in onderhandeling getreden over het sluiten van een exploitatie- en licentieovereenkomst ten aanzien van het beeld. De exploitatie zou bestaan uit het vervaardigen van merchandise, zoals miniaturen en dergelijke, en het verkopen van deze merchandise in winkels om en nabij de plaats waar het beeld zou worden geplaatst.

Dwaling
4.7. [naam gedaagde] onderbouwt zijn beroep op dwaling als volgt. Feitelijk was er sprake van een financieringsconstructie. De koopsom van $ 400.000,00 is veel hoger dan de eigenlijke waarde van het beeld, maar door middel van de exploitatie van het beeld zou deze investering worden terugverdiend. Zonder exploitatiemogelijkheden had [naam gedaagde] het beeld nooit gekocht van [naam eiser]. Uit de feiten blijkt dat voor [naam gedaagde] de inhoud en de totstandkoming van de exploitatie- en licentieovereenkomst essentieel waren voor het sluiten van de koopovereenkomst. Nu [naam eiser] stelt dat er geen exploitatie- en licentieovereenkomst is tot stand gekomen, heeft [naam gedaagde] gedwaald ten aanzien van het sluiten van de koopovereenkomst, aldus steeds [naam gedaagde].

4.8. De rechtbank neemt in aanmerking dat onduidelijk is gebleven of [naam gedaagde] doelt op de dwalingsgrond bedoeld in artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder a, b of c Burgerlijk Wetboek (BW). Als gevolg daarvan is zijn beroep op dwaling onvoldoende onderbouwd en dient het te worden afgewezen. Er wordt ook overigens tevergeefs een beroep gedaan op dit verweermiddel nu de (eventuele) dwaling in de omstandigheden van dit geval voor rekening van [naam gedaagde] behoort te blijven. Het had immers op zijn weg gelegen om te bedingen en contractueel vast te (doen) leggen dat hij van de verplichtingen uit de koopovereenkomst zou worden bevrijd bij niet-totstandkoming (of niet-nakoming) van de exploitatie- en licentieovereenkomst, voor zover die overeenkomst voor hem essentieel was. In plaats daarvan is in artikel 4.5 van de koopovereenkomst enkel opgenomen dat [naam gedaagde] de keuze heeft het beeld terug te geven als het beeld niet “ in a public place in Amsterdam, The Netherlands ” zou worden geplaatst, respectievelijk het beeld (ook dan) te kopen en de resterende koopsom te betalen (zie r.o. 2.3).

Opschorting en ontbinding
4.12. Uit het voorgaande blijkt dat in het midden kan blijven of de exploitatie- en licentieovereenkomst tot stand is gekomen en welk recht op deze rechtsvraag van toepassing is.

Artikel 6:248 BW
4.14. De rechtbank neemt in aanmerking dat voor een veroordeling tot nakoming (reeds) geen plaats is omdat [naam gedaagde] heeft nagelaten een daarop gerichte reconventionele vordering in te stellen. Het beroep op artikel 6:248 BW faalt ook voor het overige, hetgeen als volgt wordt toegelicht. Er ontbreekt een (gedocumenteerde) inschatting van de waarde van het beeld. Daardoor kan niet worden beoordeeld of het vasthouden aan de afgesproken koopsom in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bovendien heeft [naam gedaagde] op de comparitie (samengevat) verklaard dat hij tot de gekozen constructie is gekomen om [naam eiser] financieel te helpen, wat gebondenheid aan de afgesproken koopsom in de gegeven omstandigheden juist aanvaardbaar zou kunnen doen zijn. Tot slot voorziet artikel 4.5 van de koopovereenkomst in een optie voor [naam gedaagde] om het beeld in de daar genoemde situatie te kopen, maar in een verlaging van de koopsom is (ook) in die bepaling niet voorzien (r.o. 2.3).

4.15. Nu de weren van [naam gedaagde] falen, betekent dat gelet op hetgeen in r.o. 4.5 is overwogen, dat de gevorderde hoofdsom met rente zal worden toegewezen.

Dictum
De rechtbank
5.1. veroordeelt [naam gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam eiser] te betalen het bedrag van $ 326.607,50, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119a BW over $ 300.000,00 vanaf 2 augustus 2013 tot aan de dag van algehele voldoeni
IEF 14741

Negatieve uitlatingen in Whatsapp-privégesprekken niet onrechtmatig

Vzr. Rechtbank Limburg 21 januari 2015, IEF 14741; ECLI:NL:RBLIM:2015:492 (Sky-Access tegen ex-werknemer)
Mediarecht. Ex-werknemer zou zich schuldig hebben gemaakt aan smaad en/of laster jegens ex-werkgever door negatieve uitlatingen te doen in gevoerde Whatsapp-gesprekken en in sociale media. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatige gedragingen, noch van handelingen die in strijd zijn met het geheimhoudingsbeding dan wel de arbeidsovereenkomst.

3.1. Sky-Access vordert na vermeerdering van eis om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[gedaagde] te verbieden negatieve uitlatingen over Sky-Access aan derden te doen, waaronder mede doch niet uitsluitend begrepen haar medewerkers, oud-werknemers, concurrenten, klanten en relaties. (...)

3.2. Sky-Access voert ter onderbouwing van haar vordering het navolgende aan. [gedaagde] heeft zich schuldig gemaakt aan smaad, laster en aantasting van de goede naam jegens haar. [gedaagde] heeft met zowel huidige als voormalige werknemers van Sky-Access contact opgenomen en zich jegens hen negatief over Sky-Access uitgelaten. Voorts heeft [gedaagde] een klacht ingediend bij IRATA, terwijl [gedaagde] IRATA niet op de hoogte had mogen stellen van vertrouwelijke onderwerpen die betrekking hebben op Sky-Access. Voorts heeft [gedaagde] zich negatief over Sky-Access uitgelaten op LinkedIn. Ook heeft [gedaagde] de overeengekomen geheimhoudingsplicht geschonden door overlegging van zijn logboek aan vier andere bedrijven. Ten slotte heeft hij ten onrechte beweerd dat namens Sky-Access een negatieve referentie is afgegeven in het kader van een sollicitatie van [gedaagde] bij het ministerie van defensie.

4.4. Volgens Sky-Access heeft [gedaagde] door het onder 2.6. weergegeven Whats App-gesprek met [naam werknemer] opzettelijk de eer en de goede naam van Sky-Access aangetast.

Voor het oordeel over het al dan niet onrechtmatig zijn van de gedane uitlatingen is onder meer relevant in welke bewoordingen de uitlatingen zijn gedaan en in welke context dat is geschied. Het gegeven dat [gedaagde] met een oud-medewerker via Whats App een privé-gesprek voert waarin hij zijn boosheid uit, maakt niet dat dit gedrag zonder meer onrechtmatig is. Op grond van hetgeen Sky-Access heeft aangevoerd, alsmede op grond van voormeld weergegeven gesprek, kan niet worden geconcludeerd dat Sky-Access er in is geslaagd zodanige feiten en omstandigheden te stellen, dat deze met zich brengen dat door toedoen van [gedaagde] een subjectief recht van Sky-Access is geschonden, althans dat door [gedaagde] is gehandeld in strijd met hetgeen hem in het maatschappelijke verkeer zou hebben betaamd. Zonder deze nadere toelichting, die ontbreekt, kan voorshands niet worden geoordeeld dat van onrechtmatig handelen sprake is.

4.5. Volgens Sky-Access had [gedaagde] IRATA niet op de hoogte mogen brengen van vertrouwelijke zaken die op haar betrekking hebben, zoals hij heeft gedaan met zijn klacht per e-mail. Hij had eerst met Sky-Access, in de persoon van [naam directeur], over deze kwestie contact dienen op te nemen, aldus Sky-Access.

Ook ten aanzien van deze klacht bij IRATA is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet aannemelijk dat sprake is van onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] jegens Sky-Access. Gebleken is dat [gedaagde] jegens IRATA naar waarheid heeft verklaard over zijn ervaringen bij Sky-Access. Los van de vraag of die ervaringen leiden tot de conclusie dat er al dan niet sprake was van een onveilige situatie - partijen verschillen daarover van mening - kan dat niet als onrechtmatig worden bestempeld. De mogelijkheid dat [gedaagde] zijn klachten niet eerder intern heeft geuit - wat Sky-Access stelt en [gedaagde] betwist - maakt dat niet anders.
4.6. Voorts heeft Sky-Access naar voren gebracht dat zij op 15 augustus 2014 op de hoogte is gesteld van het gegeven dat [gedaagde] zich negatief jegens haar heeft uitgelaten op LinkedIn. Sky-Access stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] ter zake het plaatsen van deze tekst heeft gehandeld in strijd met artikel 7:611 BW en het geheimhoudingsbeding in artikel 11.1 van de arbeidsovereenkomst.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] dit bericht, vrijwel meteen nadat Sky-Access hier contact over had opgenomen, heeft verwijderd en nadien geen voor Sky-Access negatief gekleurde berichten meer heeft geplaatst. De voorzieningenrechter overweegt dan ook dat ervan moet worden uitgegaan dat er aan de zijde van [gedaagde] thans geen sprake is van onrechtmatige gedragingen, noch van handelingen die in strijd zijn met het geheimhoudingsbeding dan wel de arbeidsovereenkomst. Daarenboven is er geen aanleiding te veronderstellen dat dit in de toekomst anders zal zijn, nu niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] sinds 15 augustus 2014 nog enig bericht met een soortgelijke strekking op LinkedIn heeft geplaatst en [gedaagde] daarenboven onweersproken heeft gesteld dat hij inmiddels een nieuwe baan heeft in een geheel andere branche. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding [gedaagde] een verbod op te leggen, nog los van de vraag of het plaatsen van het bericht onrechtmatig was.

Op andere blogs:
Mitopics

IEF 14738

Auteursrechten overleden kunstenaar zijn overgedragen aan vennootschap

Rechtbank Noord-Holland 24 december 2014, IEF 14738; ECLI:NL:RBNHO:2014:12269 (eisers tegen NIC.)
Auteursrecht. Contractenrecht. De auteursrechten zijn bij leven van de kunstenaar ingebracht in de door hem opgerichte vennootschap ten behoeve van de exploitatie van de kunstwerken/beeldentuin/museum. De rechtbank legt de bepalingen in de akte van oprichting van de vennootschap uit met inachtneming van de omstandigheden van het concrete geval en concludeert dat de vennootschap auteursrechthebbende is.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien overdracht van auteursrechten niet zou worden aangenomen, ervan uit dient te worden gegaan dat een licentieovereenkomst bestaat. De door eisers gevraagde verklaring voor recht dat de licentieovereenkomst is beëindigd, zou in dat geval voor afwijzing gereed liggen aangezien geen sprake is van een redelijke opzegtermijn en bovendien een aanbod tot passende schadeloosstelling geheel ontbreekt. De tegen de certificaathouder van de vennootschap gerichte uitstotingsvordering ontbeert juridische grondslag. Het beroep op artikel 2:336 BW wordt verworpen. Verder worden de vorderingen tot terugbetaling van de leningen en de achterstallige stamrechtuitkering aan de echtgenote van de kunstenaar toegewezen. De algemene schadevergoedingsvordering wordt afgewezen omdat niet is onderbouwd waaruit de gestelde schade bestaat.


III Auteursrechten
4.11.
De rechtbank overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat op de kunstwerken van [A.] auteursrechten rusten. Evenmin is tussen partijen in geschil dat die auteursrechten bij leven van [A.] en voorafgaand aan de oprichting van de vennootschap bij [A.] rustten. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de auteursrechten bij de oprichting van de vennootschap in de vennootschap zijn ingebracht, dan wel dat de auteursrechten bij [A.] zijn gebleven en na zijn overlijden krachtens erfopvolging zijn overgegaan op [eiser1].
4.12.
Voor overdracht van auteursrechten is ingevolge artikel 2 lid 2 Auteurswet (hierna: Aw) een daartoe bestemde akte vereist. Nu gedaagden zich op het standpunt stellen dat sprake is van overdracht van de auteursrechten aan hen, ligt de bewijslast van het bestaan van een akte van overdracht bij gedaagden. Gedaagden beroepen zich in dat kader onder meer op de oprichtingsakte van de vennootschap. In de oprichtingsakte, zoals vermeld onder 2.4, is voor zover hier van belang, vermeld dat [A.] zijn “gehele” onderneming zal inbrengen, omvattende “alle activa” van gemelde onderneming. In de akte van inbreng, zoals vermeld onder 2.5., is voor zover hier van belang, vermeld dat [A.] het huis met atelier, expositieruimte, erf schuur en weiland en “alle overige activa” omschreven in de akte van oprichting inbrengt en in volle eigendom overdraagt aan de vennootschap.

4.13.
De taalkundige uitleg van de aktes wijst er op dat alles is overgedragen, zonder daarbij een uitzondering te maken voor de auteursrechten. (...)
4.15.
De conclusie van het voorgaande luidt dat de auteursrechten van [A.] bij akte van inbreng in de vennootschap zijn ingebracht, zodat de vennootschap auteursrechthebbende is.
IEF 14736

Buma heeft niet aan inspanningsverplichting voldaan

Rechtbank Noord-Holland 11 februari 2015, IEF 14736 (Van Katwijk tegen Vereniging BUMA)
Uitspraak ingezonden door Ilse Werts en Wim Maas, Deterink. Muziekauteursrecht. Eiser is tekstschrijver/componist voor de artiest René Froger. Buma beheert de muziekauteursrechten. Eiser vordert een verklaring voor recht dat Buma in haar inspanningsverplichting (exploitatie en schikkingsovereenkomsten) toerekenbaar tekort is geschoten. Van Katwijk stelt, terecht, dat Buma toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar inspanningsverplichting en haar verplichting tot uitbetaling van het meer dan 50% geïncasseerde zoals uit de schikkingsovereenkomst volgt. Hoewel met de schikking was gebleken dat Froger geen volledige set- en speellijsten overlegde, is enkel op reguliere wijze geïncasseerd en uitbetaald. Gelet op deze voorgeschiedenis die heeft geleid tot de schikking had het op Buma's weg gelegen op eigen initiatief actie te ondernemen richting (het management van) Froger om de benodigde lijsten te krijgen. De rechtbank stelt Buma in de gelegenheid de e-mail te overleggen waaruit de instemming door Van Katwijk van de uitbetaling blijkt.

4.2. Vervolgens is de vraag aan de orde of Buma heeft voldaan aan de inspanningsverplichting die zij op grond van artikel 5, derde lid, van het reglement heeft. Ondanks het feit dat deze inspanningsverplichting niet onbeperkt is, heeft Buma hieraan niet voldaan. Hoewel met de schikking van 2005 namelijk al was gebleken dat Froger geen volledige set- en speellijsten overlegde, heeft Buma voor optredens van Froger in de periode 2005-2011 alleen op reguliere wijze geïncasseerd en uitbetaald aan Van Katwijk. Pas toen in 2011 op basis van door Van Katwijk geleverde informatie bleek dat er mogelijk wederom door Froger onvolledige set- en speellijsten waren overgelegd, heeft Buma Froger gedagvaard. Vervolgens is gebleken dat meerdere set- en speellijsten inderdaad niet bij Buma bekend waren en is Van Katwijk pas in 2012 uitbetaald voor meerdere optredens van Froger in de periode 2005-2010. Buma is in dit kader dan ook toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar inspanningsverplichting. Gelet op de voorgeschiedenis die heeft geleid tot de schikking had van haar immers mogen worden verwacht dat zij al eerder en op eigen initiatief actie zou ondernemen richting (het management van) Froger om in bezit te komen van de benodigde lijsten. De door Van Katwijk in dit verband geleden schade bestaat uit de wettelijke rente over de bedragen die door Buma zijn uitgekeerd over de periode 2005-20 1 1 te rekenen vanaf het moment dat de reguliere uitkering aan Van Katwijk voor het gebruik van zijn werken door Froger zou hebben plaatsgevonden indien de lijsten direct na het optreden beschikbaar zouden zijn, tot het moment dat Buma Froger heeft gedagvaard. Op dat moment is Buma immers wel aan haar inspanningsverplichting gaan voldoen.

4.3. Daarnaast is Buma toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar inspanningsverplichting door naar aanleiding van de getuigenverklaring van Froger geen nader onderzoek te doen naar de door hem aangeleverde setlijsten. Froger heeft in 2011 aan Buma setlijsten van zijn optredens in de periode 2007-2011 overgelegd waaruit naar voren komt dat hij tijdens zijn optredens alleen de nummers “Just say hello”, “Are you ready for loving me” en “Calling out your name” uitvoert. Op basis hiervan heeft Buma aan Van Katwijk in 2012 voor de optredens van Froger in de periode 2005-20 10 uitgekeerd. Froger heeft tijdens zijn getuigenverhoor op 8 februari 2013 echter verklaard dat hij tijdens optredens ook de nummers “Man with a mission” en “Your place or mine” uitvoert. Nu Buma geen onderzoek heeft gedaan naar deze tegenstrijdigheid, levert dit een schending van haar inspanningsverplichting op.

De rechtbank 5.1. Stelt Buma in de gelegenheid de e-mail te overleggen waaruit naar voren komt dat Van Katwijk heeft ingestemd met de uitbetaling voor optredens in de periode 2005-2010 aan hem in 2012 door Buma gedaan en verwijst de zaak hiertoe naar de rolzitting van 11 maart2015;

IEF 14717

Niet naleven gebruikersvoorwaarden free disclaimer is auteursrechtinbreuk

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 11 december 2013, IEF 14717 (eiser tegen Reputations Corporate Communication)
Vgl. IEF 14691. Auteursrecht. Voorwaarden. Eiser heeft in het najaar van 2002 een internetdisclaimer geschreven. Deze is te raadplegen via www.freedisclaimer.eu en mag, met inachtneming van de gebruiksvoorwaarden, door anderen door middel van een hyperlink openbaar worden gemaakt. Eiser heeft Reputations diverse malen verzocht de disclaimer van haar website te verwijderen ofwel de bron of naam van eiser bij de disclaimer te vermelden. Hieraan werd niet voldaan en heeft de inbreukmakende URL op de zwarte lijst van zijn pagina geplaatst, waarop gedaagde verzoekt om verwijdering. De wijze waarop gedaagde de disclaimer gebruikt, levert een inbreuk op van het aan eiser toekomend auteursrecht.

4.6. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of Reputations zich aan de door [eiser] gestelde voorwaarden heeft gehouden. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de gebruiksvoorwaarden voldoende duidelijk blijkt dat indien een (rechts)persoon/ organisatie de disclaimer op zijn of haar website wil plaatsen, hij/zij daarvoor op die desbetreffende website een link met de html-regel dient op te nemen, zoals vermeld onder 1. van de gebruiksvoorwaarden. Daar staat immers ‘slechts linken naar de disclaimer d.m.v. de vorenbedoelde html-regel;’. Indien een gebruiker van een website voornoemde link aanklikt, zal de disclaimer verschijnen. In dit geval heeft Reputations niet de hyperlink getoond op haar website, maar de disclaimer gekopieerd en geplakt. Deze werkwijze is niet conform de door [eiser] gewenste wijze van tonen van de disclaimer. [eiser] heeft echter verklaard dat hij het kopiëren en plakken van de disclaimer gedoogd, mits zijn naam en/of de bron wordt vermeld. Vaststaat dat ook dat niet is gebeurd. Het verweer van Reputations dat in de gebruiksvoorwaarden niet is vermeld dat de disclaimer niet gekopieerd en geplakt mag worden en dat in het geval dit wel gebeurt de bron moet worden vermeld, slaagt niet. Immers, zoals gezegd is de te hanteren werkwijze voor openbaarmaking duidelijk omschreven en Reputations heeft zich daaraan niet gehouden. Dat in de gebruiksvoorwaarden niet is opgenomen dat indien de disclaimer wordt gekopieerd en geplakt de bron moet worden vermeld, is gelet op het vorenstaande logisch omdat dit niet de te volgen werkwijze conform de gebruiksvoorwaarden is. [eiser] is gerechtigd om aan de ‘gedoogde’ werkwijze tot openbaarmaking van de disclaimer een voorwaarde te verbinden. Deze voorwaarde heeft hij aan Reputations kenbaar gemaakt in het e-mailbericht van 19 september 2013. Nu Reputations zich niet houdt aan die voorwaarde handelt zij ook in die zin in strijd met het auteursrecht van [eiser].

4.7. Nu aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de disclaimer een auteursrechtelijk beschermd werk is en vaststaat dat Reputations zich niet houdt aan de door [eiser] gestelde voorwaarden aan het gebruik van de disclaimer, is voldoende aannemelijk dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Reputations inbreuk maakt op de auteursrechten van [eiser]. De vordering tot het staken en gestaakt houden van de inbreuk makende handelingen zal gelet daarop worden toegewezen, met dien verstande dat Reputations wel gerechtigd de disclaimer op haar website te tonen indien zij dat doet overeenkomstig de daaraan door [eiser] gestelde voorwaarden.

Op andere blogs:
SOLV