DOSSIERS
Alle dossiers

Rechtspraak  

IEF 23506

Gerecht EU: geen herstel van kwekersrecht Melrose na te late betaling jaarlijkse taks

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23506; ECLI:EU:T:2026:295 (Romagnoli Fratelli SpA tegen Community Plant Variety Office), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-eu-geen-herstel-van-kwekersrecht-melrose-na-te-late-betaling-jaarlijkse-taks

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23506, LS&R 2379; IEFbe 4204; ECLI:EU:T:2026:295 (Romagnoli Fratelli SpA tegen Community Plant Variety Office). In Romagnoli Fratelli/CPVO bevestigt het Gerecht de beslissing van de Kamer van Beroep van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) over de beëindiging van het communautaire kwekersrecht voor het aardappelras Melrose. Het kwekersrecht was in 2012 verleend en sinds 2018 in handen van Romagnoli Fratelli. Nadat de jaarlijkse taks niet tijdig was betaald, stuurde het CPVO een debetnota en vervolgens een formele herinnering via het elektronische gebruikersportaal MyPVR. Omdat betaling uitbleef, beëindigde het CPVO het kwekersrecht bij besluit van 21 maart 2022 op grond van artikel 21 lid 2 onder c Verordening 2100/94. Een eerder verzoek om restitutio in integrum wegens de gemiste betalingstermijn was al afgewezen; het beroep daartegen werd door het Gerecht en vervolgens door het Hof van Justitie verworpen. In deze procedure ging het om een tweede verzoek tot restitutio, gericht op herstel van de termijn om beroep in te stellen tegen het beëindigingsbesluit van 21 maart 2022. Dat beroep was pas op 6 januari 2023 ingesteld, terwijl de beroepstermijn op 30 mei 2022 was verstreken. De Kamer van Beroep achtte zichzelf bevoegd om over dat verzoek te beslissen, omdat het ging om een termijn die tegenover haarzelf in acht moest worden genomen. Het Gerecht bevestigt die bevoegdheid op basis van artikel 80 Verordening 2100/94, het beginsel van parallelle bevoegdheid en de vergelijkbare regeling bij EUIPO.

IEF 23470

Afwijzing inzageverzoek na IE-bewijsbeslag in kwekersrechtzaak

Rechtbank Den Haag 18 mrt 2026, IEF 23470; ECLI:NL:RBDHA:2026:8966 ([verzoekster] tegen gerekwestreerden), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/afwijzing-inzageverzoek-na-ie-bewijsbeslag-in-kwekersrechtzaak

Rb. Den Haag 18 maart 2026, IEF 23470; ECLI:NL:RBDHA:2026:8966 ([verzoekster] tegen gerekwestreerden). In deze eindbeschikking wijst de Rechtbank Den Haag een verzoek af tot inzage in bescheiden waarop eerder IE-bewijsbeslag was gelegd in een geschil over kwekersrecht. In de tussenbeschikking van 1 december 2025 had de rechtbank het oorspronkelijke verzoek te ruim geacht en verzoekster opgedragen haar verzoek te beperken tot concreet omschreven gegevens over de 750.000 bollen die in 2022 door [verweerders sub 1] waren verhandeld, met vermelding van van welke partij of partijen zij die gegevens wenste te verkrijgen. Verzoekster heeft vervolgens geen aangepast verzoekschrift ingediend, maar zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank van een onjuiste maatstaf was uitgegaan: volgens haar geldt onder het nieuwe bewijsrecht niet langer de specifieke IE-maatstaf dat aannemelijk moet zijn dat sprake is van een (dreigende) inbreuk op een IE-recht, maar slechts dat zij voldoende belang heeft bij de gevraagde inzage. Ook betoogde zij dat de licentieovereenkomst en de afstandsverklaring een zelfstandig contractueel controle- en inzagerecht boden. De rechtbank vat dit op als een verzoek om terug te komen van bindende eindbeslissingen uit de tussenbeschikking, maar wijst dat af. Zij overweegt dat van heroverweging alleen plaats is indien de eerdere beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, en daarvan is hier geen sprake. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis bevestigt de rechtbank dat het nieuwe bewijsrecht voor IE-zaken geen lagere drempel heeft ingevoerd.

IEF 23205

Ontbinding van licentieovereenkomst zonder effect wegens ontbreken van relevante rassen

Rechtbanken 24 dec 2025, IEF 23205; ECLI:NL:RBDHA:2025:25422 ([partij A] tegen [partij B]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/ontbinding-van-licentieovereenkomst-zonder-effect-wegens-ontbreken-van-relevante-rassen

Rb. Den Haag 24 december 2025, IEF 23205; LS&R 2335; ECLI:NL:RBDHA:2025:25422 ([partij A] tegen [partij B]). [Partij A] is veredelaar, teler en verkoper van planten en snijheesters in de volle grond, waaronder diverse astrantia- en astilbe-rassen. [Partij B] drijft een handelskwekerij in planten en snijbloemen en houdt zich bezig met de teelt en verkoop van stekken, planten en bloemen. Vanaf het begin van deze eeuw zijn deze partijen gaan samenwerken en hebben afspraken neergelegd in een licentieovereenkomst. Hierin gaf [partij A] aan [partij B] een exclusieve licentie om een moederbestand op te bouwen en te onderhouden en om de rassen van [partij A] (hierna: de Rassen) te produceren en te verhandelen aan kwekers binnen een bepaald territorium. Op 15 oktober 2022 heeft [partij A] bij e-mail de licentieovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, omdat [partij A] stelde dat [partij B] niet voldeed aan zijn betalingsverplichtingen en niet-tijdig de cijfers voor de royaltyberekening aanleverde. Volgens [partij A] bedroeg zijn vordering op dat moment € 284.688,08. Volgens [partij B] voldeed hij wel aan al zijn verplichtingen en heeft de ontbinding geen effect gehad waardoor de licentie in stand is gebleven. [Partij B] is hierna doorgegaan met de verkoop van de Rassen.

IEF 23157

Rechtbank acht inzageverzoek toewijsbaar bij vermoede inbreuk op kwekersrecht

Rechtbank Den Haag 1 dec 2025, IEF 23157; ECLI:NL:RBDHA:2025:23153 ([verzoekster] tegen HVV c.s. en [bedrijf 2]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rechtbank-acht-inzageverzoek-toewijsbaar-bij-vermoede-inbreuk-op-kwekersrecht

Rb. Den Haag 1 december 2025, IEF 23157; LS&R 2334; ECLI:NL:RBDHA:2025:23153 ([verzoekster] tegen HVV c.s. en [bedrijf 2]). [verzoekster] is houdster van een portefeuille communautaire en Nederlandse kwekersrechten voor lelierassen, waaronder het communautair kwekersrecht voor het lelieras ‘Zambesi’. HVV heeft geruime tijd bollen van verschillende lelierassen van [verzoekster] vermeerderd en geteeld. Voor het ras Zambesi had HVV op grond van een met [verzoekster] gesloten licentieovereenkomst een licentie om dit ras te telen. [verzoeker] verzoekt inzage in geschriften. HVV en [bedrijf 2] hebben onvoldoende opheldering gegeven over de herkomst van de Zambesi-bollen die HVV in 2022 heeft verhandeld. Het heeft er alle schijn van dat de bollen afkomstig zijn van eigen (zonder licentie) teelt door HVV en/of [bedrijf 2]. Hiermee hebben HVV en [bedrijf 2] een inbreuk gemaakt op het kwekersrecht van [verzoekster] en is HVV tekortgeschoten in de nakoming van de afstandsverklaring, aldus [verzoeker].  

IEF 22976

Gerecht bevestigt opening nietigheidsprocedure Cripps Pink en Cripps Red

Gerecht EU (voorheen GvEA) 24 sep 2025, IEF 22976; ECLI:EU:T:2025:895 (WAAA tegen CPVO en Teak Enterprises Pty Ltd), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-opening-nietigheidsprocedure-cripps-pink-en-cripps-red

Gerecht EU 24 september 2025, IEF 22976; IEFbe 4000; ECLI:EU:T:2025:895 (WAAA tegen CPVO en Teak Enterprises Pty Ltd). Het Gerecht verwerpt het beroep van Western Australian Agriculture Authority (WAAA) tegen de beslissing van de Raad van Beroep van het CPVO van 12 januari 2024 om nietigheidsprocedures te openen voor de communautaire kwekersrechten op de appelrassen Cripps Pink (Pink Lady) en Cripps Red (Sundowner). De procedurele context: WAAA vroeg vernietiging van die beslissing; opmerkelijk is dat het CPVO in rechte de stellingen van WAAA steunde, terwijl Teak Enterprises als interveniënt verdedigde dat de beslissing van de Raad moest blijven staan. Het Gerecht bevestigt de twee-fasen-toets van art. 53a Verordening 874/2009: in fase 1 is alleen de vraag of de door de nietigheidsaanvrager overgelegde gegevens “serious doubts” over de geldigheid wekken; pas in fase 2 volgt het volledige, contradictoire onderzoek. Binnen die beperkte toets mocht de Raad concluderen dat vier nieuwe stukken-Exhibit 3 (rapport Special Rural Research Fund, 17-2-1988), Exhibit 15 (statutory declaration Allan Price, 2017), Exhibit 17 (statutory declaration John Cripps, 2018) en Exhibit 19 (statutory declaration teler Francis Atherton, 2018), op zichzelf voldoende ernstige twijfel vestigen over nieuwheid (art. 10(1) Verordening 2100/94) vóór de novelty bar date 29-8-1989. Dat eerdere Pink Lady-arrest uit 2019 (T-112/18) niet tot nietigheid leidde, blokkeert een nieuwe aanvraag niet: het gaat om een andere aanvrager, andere bewijsstukken (met name leveringen in 1987-1989 zonder restricties) en dus om een nieuwe feitelijke basis; art. 53a fungeert als filter tegen lichtvaardige herhalingen.

IEF 22973

Kweekmateriaal in labs valt onder koop

Rechtbank Den Haag 30 jul 2025, IEF 22973; ECLI:NL:RBDHA:2025:13183 (FlorXL tegen HPP c.s.), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/kweekmateriaal-in-labs-valt-onder-koop

Rb. Den Haag 30 juli 2025, IEF 22973; ECLI:NL:RBDHA:2025:13183 (FlorXL tegen HPP c.s.). FlorXL verkoopt aan HPP c.s. het Agapanthus-plantmateriaal inclusief kwekersrechten voor € 47.500. In de (aangepaste) overeenkomst staat dat ook “het eventuele materiaal dat zich in de diverse laboratoria bevindt” wordt overgedragen; bij overdracht van de kwekersrechten wordt HPP daarvan eigenaar en verantwoordelijk. Later blijken bij twee laboratoria reeds opgekweekte plantjes te staan; op verzoek van HPP worden die vernietigd. De laboratoria factureren in totaal € 64.300 (excl. btw) voor opkweek en ruimen. FlorXL betaalt en vordert dit bedrag op HPP c.s. De rechtbank past Haviltex toe maar hecht doorslaggevende betekenis aan de tekst: alle plantmateriaal, óók bij de laboratoria, is onderdeel van de koop; eigendom en verantwoordelijkheid gaan over op HPP. HPP voert aan dat zij ervan uitging dat in de labs slechts beperkte moederstock stond en beroept zich op non-conformiteit; de rechtbank honoreert dit beroep omdat FlorXL door haar mededelingen de indruk wekt dat nog niets was opgekweekt. Toch blijft HPP in beginsel betalingsplichtig voor de labkosten, nu het eigendom overgaat en de overeenkomst dat zo regelt.

IEF 22855

Rechtsgeldige MyPVR-betekening bij vervallen kwekersrecht

HvJ EU 1 aug 2025, IEF 22855; ECLI:EU:C:2025:619 ((Romagnoli Fratelli SpA tegen CPVO)), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rechtsgeldige-mypvr-betekening-bij-vervallen-kwekersrecht

HvJ EU 1 aug 2025, IEF 22855; ECLI:EU:C:2025:619 (Romagnoli Fratelli SpA tegen CPVO). Romagnoli Fratelli SpA bezit sinds 2012 een communautair kwekersrecht voor het aardappelras Melrose. In oktober 2021 plaatst het Communautair Bureau voor Plantenrassen (CPVO) via het digitale platform MyPVR een factuur voor de jaarlijkse instandhoudingsvergoeding. Omdat betaling uitblijft, volgt in januari 2022 een digitale aanmaning via MyPVR en in februari een extra herinnering per e-mail. Wanneer de termijn verstrijkt zonder betaling, trekt het CPVO in maart 2022 het kwekersrecht in. Romagnoli dient vervolgens een verzoek tot restitutio in integrum in op grond van artikel 80 van Verordening 2100/94 en betaalt alsnog, maar het CPVO wijst het verzoek af omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden en de formele termijnen niet zijn nageleefd. Het Gerecht van de EU verwerpt in 2024 het beroep en oordeelt dat de elektronische betekening via MyPVR rechtsgeldig is, waarbij het benadrukt dat Romagnoli zelf bewust voor deze communicatiewijze heeft gekozen. Ook oordeelt het Gerecht dat Romagnoli niet aantoont dat alle vereiste zorg is betracht of dat sprake is van overmacht.

IEF 22523

Geschil over splitsing van familiebedrijf en kwekersrechten: juridische afwikkeling in hoger beroep

Hof Amsterdam 28 jan 2025, IEF 22523; ECLI:NL:GHAMS:2025:204 (Appellanten tegen geïntimeerden), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/geschil-over-splitsing-van-familiebedrijf-en-kwekersrechten-juridische-afwikkeling-in-hoger-beroep

Hof Amsterdam 28 januari 2025, IEF 22523, LS&R 2275; ECLI:NL:GHAMS:2025:204 (Appellanten tegen geïntimeerden). Twee broers runden samen een bedrijf in tulpen en pioenen via hun eigen vennootschappen. In 2017 kregen ze ruzie en besloten ze hun samenwerking te beëindigen en het bedrijf te splitsen. De afwikkeling verliep echter moeizaam. In maart 2019 sloten ze een vaststellingsovereenkomst over de verdeling van activa, schulden, personeel en onroerend goed, en spraken ze af hoe de splitsing juridisch en fiscaal zou worden vormgegeven. Om verdere escalatie en een dreigend faillissement te voorkomen, maakten ze in oktober 2019 onder leiding van ABN AMRO aanvullende afspraken. Dit leidde op 31 december 2019 tot een juridische afsplitsing. Na de splitsing ontstond een geschil over kwekersrechten die niet waren meegenomen in de verdeling van het bedrijf. Een deel werd alsnog verdeeld, maar andere kwekersrechten konden niet worden overgedragen omdat mede-eigenaren hier geen toestemming voor gaven. Dit leidde tot een rechtszaak waarin meerdere geschilpunten aan de rechtbank werden voorgelegd. De rechtbank deed hierover een deeluitspraak en besliste de resterende punten in een eindvonnis. Geïntimeerde vroeg daarna om correctie van een rekenfout in dat eindvonnis, maar de rechtbank wees dit verzoek af. Appellanten stelden hoger beroep in tegen zowel de eerdere uitspraak als het eindvonnis. Geïntimeerde diende op zijn beurt een tegenklacht in over de rekenfout.  

IEF 18277

Hof vernietigt beslissing CPVO: onderzoek naar Braeburn niet voldoende gemotiveerd

HvJ EU 5 feb 2019, IEF 18277; ECLI:EU:T:2019:57 (Mema GmbH tegen CPVO), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/hof-vernietigt-beslissing-cpvo-onderzoek-naar-braeburn-niet-voldoende-gemotiveerd

HvJ EU 5 februari 2019, IEF 18277; IEFbe 2832; ECLI:EU:T:2019:57 (Mema GmbH tegen CPVO). Mema GmbH LG (hierna: Mema) heeft bij het Communautair Bureau voor plantenrassen (hierna: CPVO) een aanvraag tot verlening van een communautair kwekersrecht ingediend voor het ras Braeburn 78 (een appel ras). Hierna is op verzoek van het CPVO een onderzoek gedaan naar dit ras. De conclusie: het ras Braeburn 78 is onvoldoende onderscheidbaar van het referentieras Royal Braeburn en de X9466. Tegen deze afwijzingsbeslissing heeft Mema beroep ingesteld. Dit verzoek is afgewezen. Hierop is Mema naar het Hof van Justitie gestapt, en verzoekt het gerecht de bestreden beslissing te vernietigen, en om de zaak terug te verwijzen naar de kamer van beroep van het CPVO voor verder onderzoek. Het Hof oordeelt dat het niet op haar weg ligt om bevelen te geven aan het CPVO en beoordeelt deze vordering dus als niet ontvankelijk. Hierna behandelt het hof de vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing. Hiertoe voert Mema drie middelen aan waarbij het eerste middel in wezen is ontleend aan misbruik van bevoegdheid en schending van artikel 57 lid 3 van de basisverordening, het tweede aan het feit dat het technisch onderzoek een aantal fouten bevat, en tot slot het derde aan schending van het recht om te worden gehoord en ontoereikende motivering. Eerst behandelt het hof het derde middel, waarbij zij stelt dat niet alle aangevoerde argumenten uitdrukkelijk en uitputtend hoeven te worden beantwoord. Hierna gaat het hof in op het onderzoek zoals dit door het CPVO is meegenomen in haar beoordeling, en stelt hieromtrent vast dat niet kan worden uitgesloten dat de opgeworpen bezwaren invloed hebben op de testresultaten. Daarnaast stelt het hof vast dat de kamer van beroep het betoog van Mema tekort heeft gedaan door deze te weerleggen met de argumenten dat de criteria weliswaar vaag maar hanteerbaar waren, en dat zij vertrouwde op de deskundigheid van de onderzoekers. Dit alles overwegende komt het hof tot de conclusie dat de verwerping van het beroep inderdaad niet voldoende is gemotiveerd.

IEF 15699

28 van de 44 monsters bevatten materiaal van gladiolenras

Hof Den Haag 22 december 2015, IEF 15699; ECLI:NL:GHDHA:2015:3854 (Flower Bulbs tegen Stichting Gladiolen Combinatie)
Kwekersrecht. Geïntimeerde is houdster van het Nederlands kwekersrecht voor het gladiolenras AMSTERDAM. In het Naktuinbouwrapport is vermeld dat 28 van de 44 monsters DNA-profielen hebben die identiek zijn aan de profielen van de referentiemonsters. Derhalve bevatten 28 van de 44 onderzochte monsters materiaal van het ras AMSTERDAM. Naar onweersproken stelling komt dit overeen met 90% van het I-materiaal. De vorderingen van geïntimeerde zijn in conventie toewijsbaar, zoals door de rechtbank geoordeeld [IEF 13522]. Het hof vernietigt dit vonnis slechts voor zover daarin appellant in conventie is veroordeeld om ‘aan salaris advocaat’ te betalen € 39.672,32, veroordeelt om € 25.000,- te betalen.

10.1 In het Naktuinbouwrapport is vermeld dat 28 van de 44 monsters DNA-profielen hebben die identiek zijn aan de profielen van de referentiemonsters. Derhalve bevatten 28 van de 44 onderzochte monsters materiaal van het ras AMSTERDAM. Naar onweersproken stelling van [geïntimeerde sub 1] c.s. onder 17 CvA-ir komt dit overeen met 90% van het I-materiaal.

10.2. De – tweede (zie rov. 5.2) – tussenconclusie luidt mitsdien dat het overgrote deel van het I-materiaal van het ras AMSTERDAM is.

10.4. Geconcludeerd moet worden dat de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] c.s. in conventie toewijsbaar zijn, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld.

10.5. Het door [geïntimeerde sub 1] c.s. op 8 maart 2010 gelegde beslag is dus rechtmatig, voor zover het is gelegd op materiaal van het ras AMSTERDAM.

10.7. De vordering van [appellant] in reconventie is gebaseerd op onrechtmatige daad, die er blijkens zijn zojuist weergegeven stellingname met betrekking tot het niet-AMSTERDAM materiaal hierin bestond dat hij dat materiaal niet vrijelijk kon meenemen, maar alleen onder een voorwaarde. Ingevolge de hoofdregel van 150 Rv rusten de stelplicht en bewijslast in deze op [appellant] , ook waar het gaat om zijn stelling dat aan het aanbod om het niet-AMSTERDAM materiaal op te halen, een voorwaarde was verbonden. De stelling van [geïntimeerde sub 1] c.s., dat dit niet zo was, vormt immers een onderbouwing van hun betwisting van de hen verweten onrechtmatige daad waarvoor zij niet de bewijslast hebben. Voor zijn voormelde stelling heeft [appellant] geen (voldoende) specifiek bewijsaanbod gedaan, zodat die stelling onbewezen is gebleven en de daarop gebaseerde onrechtmatige daad niet kan worden aangenomen.