Gepubliceerd op dinsdag 14 april 2026
IEF 23470
Rechtbank Den Haag ||
18 mrt 2026
Rechtbank Den Haag 18 mrt 2026, IEF 23470; ECLI:NL:RBDHA:2026:8966 ([verzoekster] tegen gerekwestreerden), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/afwijzing-inzageverzoek-na-ie-bewijsbeslag-in-kwekersrechtzaak

Afwijzing inzageverzoek na IE-bewijsbeslag in kwekersrechtzaak

Rb. Den Haag 18 maart 2026, IEF 23470; ECLI:NL:RBDHA:2026:8966 ([verzoekster] tegen gerekwestreerden). In deze eindbeschikking wijst de Rechtbank Den Haag een verzoek af tot inzage in bescheiden waarop eerder IE-bewijsbeslag was gelegd in een geschil over kwekersrecht. In de tussenbeschikking van 1 december 2025 had de rechtbank het oorspronkelijke verzoek te ruim geacht en verzoekster opgedragen haar verzoek te beperken tot concreet omschreven gegevens over de 750.000 bollen die in 2022 door [verweerders sub 1] waren verhandeld, met vermelding van van welke partij of partijen zij die gegevens wenste te verkrijgen. Verzoekster heeft vervolgens geen aangepast verzoekschrift ingediend, maar zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank van een onjuiste maatstaf was uitgegaan: volgens haar geldt onder het nieuwe bewijsrecht niet langer de specifieke IE-maatstaf dat aannemelijk moet zijn dat sprake is van een (dreigende) inbreuk op een IE-recht, maar slechts dat zij voldoende belang heeft bij de gevraagde inzage. Ook betoogde zij dat de licentieovereenkomst en de afstandsverklaring een zelfstandig contractueel controle- en inzagerecht boden. De rechtbank vat dit op als een verzoek om terug te komen van bindende eindbeslissingen uit de tussenbeschikking, maar wijst dat af. Zij overweegt dat van heroverweging alleen plaats is indien de eerdere beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, en daarvan is hier geen sprake. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis bevestigt de rechtbank dat het nieuwe bewijsrecht voor IE-zaken geen lagere drempel heeft ingevoerd.

Voor zover verzoekster haar verzoek nog had toegespitst op stukken over prijzen en voorwaarden, communicatie over de 750.000 bollen, stukken over teelt, behandeling, transport, opslag en verhandeling, gegevens over de plantgoedopbrengst en stukken ter toetsing van een door [verweerders sub 4] overgelegde handgeschreven verklaring, oordeelt de rechtbank dat zij haar belang daarbij onvoldoende heeft geconcretiseerd. De rechtbank stelt vast dat verzoekster reeds beschikte over onder meer de koopovereenkomsten, afleverbonnen en het overzicht van verkopen, waarin ook de prijzen waren vermeld, en dat zij niet heeft toegelicht waarom deze stukken ontoereikend waren of waarom daarnaast nog behoefte bestond aan de overige gevraagde bescheiden. Juist gelet op de eerdere opdracht tot beperking en concretisering van het verzoek had die toelichting wel mogen worden verwacht. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Verzoekster wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Hoewel de zaak onder artikel 1019 Rv valt en [verweerders sub 4] aanspraak had gemaakt op volledige proceskostenvergoeding ex artikel 1019h Rv, kent de rechtbank die niet toe omdat geen kostenspecificatie is overgelegd; daarom begroot zij de kosten aan de zijde van zowel [verweerders] als [verweerders sub 4] afzonderlijk op € 2.862, te vermeerderen met de in het dictum genoemde nakosten en eventuele betekeningskosten.

2.7.

De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] reeds beschikt over de koopovereenkomsten met betrekking tot de 750.000 bollen, de afleverbonnen en het overzicht van verkopen, nu deze stukken al eerder door [verweerders] zijn overgelegd. In deze stukken zijn ook prijzen vermeld.

[verzoekster] heeft niet toegelicht waarom deze stukken voor haar ontoereikend zouden zijn. [verzoekster] heeft evenmin toegelicht waarom zij naast deze stukken belang heeft bij de door haar onder b), c), d en e) bedoelde stukken. Dat had wel van haar mogen worden verwacht.

2.8.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom is dat het verzoek wordt afgewezen.