Gepubliceerd op vrijdag 20 februari 2026
IEF 23292
Rechtbank Midden-Nederland ||
21 jan 2026
Rechtbank Midden-Nederland 21 jan 2026, IEF 23292; ECLI:NL:RBMNE:2026:424 (de Provincies tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/vondsten-en-documentatie-moeten-terug-naar-de-provincies-auteursrecht-geen-blokkade

Vondsten én documentatie moeten terug naar de provincies – auteursrecht geen blokkade

Rb. Midden-Nederland 21 januari 2026, IEF 23292; ECLI:NL:RBMNE:2026:424 (de Provincies tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]). De rechtbank oordeelt dat archeologische vondsten die onder de Monumentenwet 1988 zijn gedaan, eigendom zijn van de provincie waar zij zijn aangetroffen (art. 50 Monumentenwet 1988). Dat was tussen partijen ook het uitgangspunt. In deze zaak bleek dat naast eerder overgedragen vondsten nog duizenden projecten met bijbehorende vondsten en documentatie bij gedaagden aanwezig waren. De provincies vorderden daarom afgifte op grond van art. 5:2 BW (revindicatie). Volgens de rechtbank zijn niet alleen de fysieke vondsten, maar ook de bijbehorende analoge en digitale opgravingsdocumentatie eigendom van de provincies. Die documentatie vormt naar verkeersopvatting een bestanddeel van de opgraving (art. 3:3 BW): zonder rapporten, foto’s, veldtekeningen en registraties is een opgraving wetenschappelijk en maatschappelijk onvolledig. Dat sluit aan bij art. 46 lid 3 Monumentenwet 1988, dat bepaalt dat zowel de geconserveerde vondsten als de documentatie aan de rechthebbende moeten worden overgedragen.

Het beroep op het auteursrecht (art. 55 lid 2 Monumentenwet 1988) slaagt niet. De rechtbank legt uit dat eigendom van de stukken en het auteursrecht daarop twee verschillende rechten zijn: ook als het auteursrecht bij de maker ligt, moet de eigenaar afgifte van de fysieke (of digitale) documenten kunnen eisen. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat gedaagden rechthebbenden zijn op het auteursrecht; overdracht daarvan vereist een akte en daarvan is niets gebleken. De werkzaamheden waren verricht door eerdere vergunninghoudende vennootschappen, en in de akte van cessie was geen auteursrecht overgedragen. Ook het verweer dat de provincies een zorgplicht zouden hebben geschonden door niet-betalende opdrachtgevers niet tot betaling te dwingen, wordt verworpen: dat betalingsrisico behoort tot het ondernemingsrisico van het opgravingsbedrijf. De rechtbank wijst de vorderingen toe, beveelt afgifte binnen vier weken, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en legt een hoofdelijk verschuldigde dwangsom op bij niet-naleving.

Het beroep van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op het auteursrecht verzet zich niet tegen afgifte van de opgravingsdocumentatie

3.17.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verzetten zich tegen afgifte van de opgravingsdocumentatie met een beroep op artikel 55 lid 2 Monumentenwet 1988. Dat artikel bepaalde dat het auteursrecht op de rapporten (waarin na de voltooiing van de opgraving de resultaten van de opgraving zijn beschreven) en de daarin opgenomen werken is voorbehouden. Dit verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt verworpen.

3.18.

Het eigendom en het auteursrecht op de opgravingsdocumentatie kunnen bij verschillende personen liggen. Een eigenaar kan dus aanspraak maken op afgifte van de

documentatie, zonder dat hij het auteursrecht daarop heeft. De Monumentenwet 1988 gaat ook van een dergelijke constructie uit. In het tweede lid van artikel 55 Monumentenwet 1988 is bepaald dat het auteursrecht ligt bij de makers van de rapporten en de daarin opgenomen werken, maar de provincie waarop de opgravingswerkzaamheden zijn uitgevoerd zijn eigenaar van de archeologische vondsten en documentatie.2

3.19.

Daarnaast geldt dat het niet aannemelijk is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het auteursrecht hebben waarop zij zich beroepen. De opgravingswerkzaamheden zijn namelijk verricht door een van de onder 3.4 genoemde archeologische bedrijven. Deze bedrijven hadden ieder de vereiste vergunning om deze werkzaamheden uit te voeren en hebben ook de daarbij behorende opgravingsdocumentatie opgesteld. Op grond van de Monumentenwet 1988 ligt het auteursrecht dan ook bij (een van) de onder 3.4 genoemde archeologische bedrijven. Overdracht van een auteursrecht moet bij akte geschieden en daarvan is door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niets gesteld. In de akte van cessie is ook niets over een auteursrecht opgenomen. Verder geldt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet beschikken over een vergunning en niet zijn gecertificeerd en dus ook geen opgravingswerkzaamheden mogen uitvoeren.3 Ook daarom ligt het auteursrecht op opgravingsdocumentatie niet bij hen.