Gepubliceerd op maandag 11 mei 2026
IEF 23540
Rechtbank Rotterdam ||
8 apr 2026
Rechtbank Rotterdam 8 apr 2026, IEF 23540; ECLI:NL:RBROT:2026:4497 ((Ravestein tegen Cargotec & MacGregor c.s.)), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-rotterdam-wijst-alle-vorderingen-van-ravestein-af-in-de-langlopende-calais-port-2015-zaak

Rb. Rotterdam wijst alle vorderingen van Ravestein af in de langlopende Calais Port 2015-zaak

Rb. Rotterdam 8 april 2026, IEF23540; ECLI:NL:RBROT:2026:4497 (Ravestein tegen Cargotec & MacGregor c.s.). Deze zaak draait om een langlopend geschil tussen linkspanbouwer Ravestein en MacGregor en Cargotec over het project Calais Port 2015. Ravestein verwijt MacGregor c.s. dat zij via hoofdaannemer Bouygues vertrouwelijke tekeningen en technische knowhow van Ravestein gebruikten bij de bouw van linkspans voor de haven van Calais. Ravestein beriep zich op auteursrecht, slaafse nabootsing, bedrijfsgeheimen en profiteren van wanprestatie. Daarnaast legde Ravestein in 2020 conservatoir beslag op Linkspan Calais 10, waarna MacGregor c.s. in reconventie schadevergoeding vorderden wegens onrechtmatige beslaglegging. Voor het eindvonnis van 8 april 2026 wees de rechtbank meerdere tussenvonnissen en besliste zij in verschillende incidenten. In 2023 en 2024 draaide de procedure vooral om exhibitie-incidenten op grond van artikel 843a Rv. De rechtbank verplichtte MacGregor toen om onder meer correspondentie met Bouygues en contractstukken over de linkspans te geven, zodat Ravestein bewijs kon verzamelen voor haar stelling dat MacGregor toegang had tot vertrouwelijke ontwerptekeningen en bedrijfsinformatie van Ravestein. Aan de afgifte van deze stukken was een dwangsom verbonden van € 5.000 per dag(deel), tot een maximum van € 100.000, maar in een later tussenvonnis oordeelde de rechtbank dat MacGregor aan deze verplichtingen had voldaan en dat er geen dwangsommen waren verbeurd. In het tussenvonnis van 3 september 2025 oordeelde de rechtbank echter dat Ravestein niet slaagde in de opgedragen bewijslevering. Volgens de rechtbank lieten de stukken, getuigenverklaringen en documenten uit de 843a-procedure onvoldoende zien dat MacGregor de volledige set vertrouwelijke tekeningen en bedrijfsgeheimen van Ravestein had gekregen of gebruikt. Ook onderbouwde Ravestein volgens de rechtbank onvoldoende dat Bouygues en MacGregor verborgen afspraken of schikkingen hadden gemaakt. Daarom kondigde de rechtbank al aan dat zij alle vorderingen van Ravestein zou afwijzen. In reconventie wees de rechtbank daarnaast de vordering van MacGregor c.s. wegens onrechtmatig procederen expliciet af, omdat geen sprake was van misbruik van procesrecht.

In het eindvonnis van 8 april 2026 maakt de rechtbank die afwijzing definitief. De vorderingen van Ravestein tegen Cargotec stranden al omdat Cargotec geen contractspartij van Ravestein was. Ook de vorderingen tegen MacGregor wijst de rechtbank volledig af. Daarmee staat vast dat Ravestein onvoldoende heeft bewezen dat MacGregor auteursrechtinbreuk pleegde, slaafs nabootste, bedrijfsgeheimen onrechtmatig gebruikte of profiteerde van wanprestatie. De rechtbank overweegt daarbij onder meer dat de Wet bescherming bedrijfsgeheimen in deze zaak niet van toepassing is, zodat ook de bijzondere proceskostenregeling van artikel 1019ie Rv buiten toepassing blijft. Daarnaast bevestigt de rechtbank haar eerdere oordeel dat Ravestein onrechtmatig handelde door in 2020 beslag te leggen op Linkspan Calais 10 en dat beslag enige tijd te laten liggen. Volgens de rechtbank leidde dat voor MacGregor c.s. tot vertragingen en extra kosten binnen het Calais-project. Ravestein is daarom aansprakelijk voor die schade, die in een aparte schadestaatprocedure wordt vastgesteld. De rechtbank wijst de gevraagde voorschotten op de schadevergoeding af, omdat de omvang van de schade nog onvoldoende vaststaat. Voor de proceskosten kiest de rechtbank voor een gecombineerde begroting, waarbij een derde van de zaak geldt als IE-geschil en twee derde volgens het reguliere liquidatietarief wordt begroot. In zaak 23-969 moet Ravestein de proceskosten van Cargotec betalen, bestaande uit € 4.131,00 aan griffierecht. In zaak 21-308 in conventie wordt Ravestein veroordeeld in de proceskosten van MacGregor, in totaal € 29.872,00 (bestaande uit € 4.200,00 aan griffierecht, € 7.000,00 aan salaris advocaat voor het IE-deel, € 18.524,00 aan salaris advocaat voor het niet-IE-deel en € 148,00 aan nakosten). In reconventie in zaak 21-308 moet Ravestein daarnaast € 5.236,33 aan proceskosten van MacGregor c.s. voldoen (met daarin € 4.000,00 salaris advocaat IE-deel, € 1.088,33 salaris advocaat niet-IE-deel en € 148,00 nakosten). In de eerdere 843a-incidenten krijgt Ravestein grotendeels gelijk. Daarom moet MacGregor de kosten van die incidenten betalen, in totaal € 2.474,50 (waarvan € 2.285,50 salaris advocaat en € 189,00 nakosten). Het eindvonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

3.5. Een deel van de vorderingen in deze procedure heeft betrekking op handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv. De rechtbank zal een derde deel toeschrijven aan deze IE-rechtelijke grondslag.

3.6. De rechtbank ziet aanleiding om bij de vraag of en in hoeverre sprake is van redelijke en evenredige kosten aansluiting te zoeken bij de indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 februari 2026). Dat er reden zou zijn om van deze tarieven af te wijken is onvoldoende onderbouwd door MacGregor gesteld en ook niet gebleken. In de indicatietarieven is voor “normale” bodemzaken als de onderhavige een maximumbedrag genoemd van € 21.000,00. Van dit bedrag zal een derde worden toegewezen aan het IE-deel van de procedure, te weten € 7.000,00. Dat tot tenminste dat bedrag kosten zijn gemaakt is voldoende gebleken.

4.30. MacGregor c.s. vorderen een volledige proceskostenvergoeding op grond van artikel 1019h Rv. De rechtbank is van oordeel dat de aan het beslag gekoppelde schadevergoedingsvorderingen deels betrekking hebben op handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv. Aan het beslag was immers mede inbreuk op een recht van intellectuele eigendom ten grondslag gelegd (zie verzoekschrift onder 1 op pagina 3). De rechtbank zal net als in conventie ook in reconventie een derde deel toeschrijven aan deze IE-rechtelijke grondslag.

4.31. Ook in reconventie is sprake van een “normale” bodemzaak in de zin van de indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 februari 2026), waarvoor een maximumbedrag van € 21.000,00 geldt. Een derde daarvan is € 7.000,00. Omdat de procedure in reconventie deels samenhangt met de procedure in conventie en het aantal proceshandelingen in reconventie beperkt is, ziet de rechtbank aanleiding om niet het maximale bedrag toe te wijzen. Een bedrag van € 4.000,00 komt de rechtbank in de gegeven omstandigheden redelijk en evenredig voor. Voldoende gebleken is dat tenminste tot dat bedrag kosten zijn gemaakt in reconventie.

4.32. De proceskosten voor het resterende deel van de vorderingen (twee derde) worden berekend aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief. De rechtbank ziet aanleiding om bij de bepaling van het toepasselijke tarief uit te gaan van uitsluitend de toewijsbare vorderingen. Omdat nog onduidelijk is tot welk bedrag MacGregor c.s. als gevolg van het beslag schade hebben geleden, wordt het tarief toegepast dat hoort bij vorderingen van onbepaalde waarde (€ 653,00). Vermenigvuldigd met 2,5 punten levert dat een bedrag op van € 1.632,50. Twee derde daarvan en dus € 1.088,33 is toewijsbaar voor wat betreft het niet-IE-deel van de vorderingen in reconventie.