Gepubliceerd op donderdag 16 april 2026
IEF 23477
Rechtbank Den Haag ||
8 apr 2026
Rechtbank Den Haag 8 apr 2026, IEF 23477; ECLI:NL:RBDHA:2026:8206 (Ferrari tegen [gedaagde]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/ferrari-replica-levert-merkinbreuk-en-auteursrechtinbreuk-op-slaafse-nabootsing-afgewezen-wegens-gebrek-aan-belang

Ferrari-replica levert merkinbreuk en auteursrechtinbreuk op; slaafse nabootsing afgewezen wegens gebrek aan belang

Rb. Den Haag 8 april 2026, IEF 23477; ECLI:NL:RBDHA:2026:8206 (Ferrari tegen [gedaagde]). In deze bodemzaak oordeelt de rechtbank Den Haag dat [gedaagde], een Nederlandse autohandelaar en reparateur, met het aanbieden van een op een Toyota MR2 gebaseerde replica van een Ferrari F355 inbreuk heeft gemaakt op zowel de Uniemerken van Ferrari als op het auteursrecht op het ontwerp van de Ferrari F355. Het voertuig was via de eigen website en via Marktplaats aangeboden voor € 59.950 en werd in de advertenties uitdrukkelijk aangeduid als onder meer “Ferrari Turbo F355” en “replica Ferrari F355”; bovendien waren op het voertuig en in de advertenties Ferrari-tekens aangebracht. De rechtbank acht zich voor de merkrechtelijke vorderingen bevoegd voor de gehele Europese Unie, maar voor auteursrecht en slaafse nabootsing slechts voor Nederland. De merkinbreuk wordt aangenomen op grond van art. 9 lid 2 sub a UMVo, omdat [gedaagde] zonder toestemming tekens gebruikte die gelijk zijn aan Ferrari’s Uniemerken voor dezelfde waren, namelijk voertuigen. Dat [gedaagde] had aangeboden de Ferrari-tekens van het voertuig te verwijderen, doet daaraan niet af, omdat de reeds gepleegde inbreuk en de daardoor veroorzaakte schade daarmee niet ongedaan worden gemaakt en evenmin was toegezegd dat in de toekomst geen gelijkende of identieke Ferrari-tekens meer zouden worden gebruikt. Ook de auteursrechtelijke grondslag slaagt. Tussen partijen was niet in geschil dat de Ferrari F355 een auteursrechtelijk beschermd werk is en dat Ferrari rechthebbende is. De rechtbank past vervolgens het door het HvJ EU in Mio geformuleerde criterium toe en onderzoekt of oorspronkelijke creatieve elementen van de Ferrari F355 zonder toestemming zijn gebruikt en of juist die elementen op herkenbare wijze zijn overgenomen in het aangeboden voertuig. Daarbij zijn volgens de rechtbank niet beslissend of beide voertuigen dezelfde algemene visuele indruk wekken of hoe ruim de beschermingsomvang van de Ferrari F355 is. De rechtbank vergelijkt de voertuigen zoals die op de markt zijn gebracht en acht de combinatie van een lange, brede en omhooggerichte voorzijde, een naar achter gerichte cockpit, twee zijsteunen achter de cockpit, luchtinlaten in beide zijkanten en een opvallende horizontale bodyline rondom het voertuig auteursrechtelijk relevante trekken die in het aangeboden voertuig op herkenbare wijze zijn overgenomen. De door [gedaagde] aangevoerde verschillen, onder meer in motorkap, koplampen, grille, daklijn, interieur, motor, achterlichten, velgen, geluid en afwerking, doen daar volgens de rechtbank niet aan af, mede omdat een deel daarvan geen betrekking heeft op de externe vormgeving. De rechtbank concludeert daarom dat de buitenkant van het voertuig auteursrechtinbreuk oplevert. De vordering wegens slaafse nabootsing wordt afgewezen, niet omdat die grondslag inhoudelijk faalt, maar omdat Ferrari naast het toe te wijzen EU-wijde merkenverbod en het Nederlandse auteursrechtverbod onvoldoende zelfstandig belang heeft bij een aanvullend verbod op die grondslag.

De rechtbank wijst vervolgens een groot deel van de nevenvorderingen toe, maar beperkt deze op enkele punten. [gedaagde] wordt bevolen iedere merkinbreuk in de hele Europese Unie en iedere auteursrechtinbreuk in Nederland te staken en gestaakt te houden. De ruimere formulering “en daarmee overeenstemmende voertuigen” wordt afgewezen omdat die te onbepaald en onvoldoende onderbouwd is. De dwangsom wordt gematigd tot € 1.000 per dag of, naar keuze van Ferrari, € 50.000 per afzonderlijke overtreding, met een maximum van € 200.000. Daarnaast moet [gedaagde] binnen veertien dagen opgave doen, met overlegging van bescheiden, van alle sinds 1 januari 2025 gekochte, verkochte en nog voorradige exemplaren van het voertuig en van alle bij de in- en verkoop betrokken personen of rechtspersonen; ook hier wijst de rechtbank de verder strekkende formulering over “overeenstemmende exemplaren” af. De vernietiging van het in beslag genomen voertuig, inclusief documentatie en toegangssleutels, wordt gelast en Ferrari’s advocaten worden gemachtigd die vernietiging in aanwezigheid van een deurwaarder te laten uitvoeren, maar Ferrari krijgt geen toestemming om van die vernietiging beeldmateriaal te maken en dat wereldwijd te gebruiken, omdat zij daarbij onvoldoende belang heeft. Ook wordt [gedaagde] veroordeeld tot vergoeding van de door Ferrari ten gevolge van de merk- en auteursrechtinbreuk geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Ten slotte wordt [gedaagde] op grond van art. 1019h Rv in de proceskosten veroordeeld. Ferrari had ruim € 33.000 aan advocaatkosten opgevoerd, maar de rechtbank sluit aan bij de Indicatietarieven in IE-zaken, kwalificeert de zaak als een normale bodemzaak en matigt de advocaatkosten tot € 21.000. Inclusief griffierecht, dagvaardingskosten en nakosten komt de proceskostenveroordeling uit op € 22.036,47, te vermeerderen met wettelijke rente; het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Merkinbreuk

4.3.

Op grond van artikel 9 lid 2 sub a UMVo is de houder van een ingeschreven Uniemerk gerechtigd iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, te verhinderen gebruik te maken van een teken wanneer dit teken gelijk is aan het Uniemerk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het Uniemerk is ingeschreven.

4.4.

De stelling dat [gedaagde] op het Voertuig en in haar advertenties gebruik maakt van tekens die gelijk zijn aan de Ferrari Merken wordt door [gedaagde] niet betwist. De tekens worden, zo is niet in geschil, in het economisch verkeer gebruikt voor dezelfde waren (voertuigen) als die waarvoor de Ferrari Merken zijn ingeschreven. Daarmee maakt [gedaagde] merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub a UMVo. De omstandigheid dat [gedaagde] heeft aangeboden de Ferrari Merken van het Voertuig te verwijderen maakt dat niet anders. Het verwijderen van de tekens van het Voertuig neemt de schade die Ferrari heeft geleden doordat de tekens reeds in het economisch verkeer zijn gebruikt immers niet weg. Daarbij heeft [gedaagde] niet toegezegd in de toekomst geen tekens meer te zullen gebruiken die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de Ferrari Merken, zodat nog altijd sprake is van een dreiging van merkinbreuk, op grond waarvan Ferrari recht heeft op een aan [gedaagde] op te leggen verbod.

4.5.

De slotsom luidt dat [gedaagde] met het aanbieden van het Voertuig inbreuk heeft gemaakt op de Ferrari Merken. De rechtbank zal daarom het onder I gevorderde inbreukverbod toewijzen. Nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van merkinbreuk ‘sub a’, behoeven de overige door Ferrari aangevoerde grondslagen (merkinbreuk ‘sub b’ respectievelijk ‘sub c’) geen bespreking.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat de oorspronkelijke creatieve elementen – dat wil zeggen elementen die uitdrukking geven aan de keuzen die de persoonlijkheid van de auteur van dat werk weerspiegelen – van de Ferrari F355 bestaan uit (de combinatie van) de in rechtsoverweging 4.9 genoemde auteursrechtelijke trekken en dat die elementen in het Voertuig op herkenbare wijze zijn overgenomen. De door [gedaagde] genoemde verschillen doen hier niet aan af. Waar het gaat om het uiterlijk van de Ferrari F355 en het Voertuig zijn de hiervoor in rechtsoverweging 4.12, onder gedachtestreepje 9 en 11, genoemde verschillen niet relevant, omdat die niet de externe vormgeving betreffen. De overige verschillen doen, voor zover al niet op zichzelf verwaarloosbaar, niet af aan het oordeel dat in het Voertuig de oorspronkelijke creatieve elementen van de Ferrari F355 op herkenbare wijze zijn overgenomen.

4.14.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vormgeving van (de buitenkant van) het Voertuig inbreuk maakt op de auteursrechten van Ferrari met betrekking tot de Ferrari F355 en het gevorderde bevel om die inbreuk te staken toewijsbaar is.

Slaafse nabootsing

4.15.

Het voorgaande betekent dat de onder I en II gevorderde verboden zullen worden toegewezen, waarbij het merkenrechtelijke verbod geldt voor de gehele Europese Unie. Bij die stand van zaken valt zonder nadere toelichting, die door Ferrari niet is gegeven, niet in te zien welk belang zij nog heeft bij de vraag of [gedaagde] zich met het aanbieden van het Voertuig schuldig heeft gemaakt aan slaafse nabootsing. De rechtbank merkt daarbij op dat een verbod uit hoofde van slaafse nabootsing niets toevoegt aan de reeds aan [gedaagde] op te leggen verboden. Niet valt in te zien wat Ferrari op grond van het leerstuk van slaafse nabootsing daarnaast nog anders of meer zou kunnen vorderen. Het onder III gevorderde zal daarom worden afgewezen.