Gepubliceerd op donderdag 12 februari 2026
IEF 23281
Rechtbank Zeeland-West-Brabant ||
29 jan 2026
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 jan 2026, IEF 23281; ECLI:NL:RBZWB:2025:9811 ([producent A] tegen [producent B]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/afwijzing-ie-vorderingen-inzake-vouwbare-oprijplaten

Afwijzing IE-vorderingen inzake vouwbare oprijplaten

Rb. Zeeland-West-Brabant 29 januari 2025, IEF 23281; ECLI:NL:RBZWB:2025:9811 ([producent A] tegen [producent B]). In het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant vorderde producent A onder meer een verklaring voor recht dat producent B inbreuk maakte op haar auteursrechten op vouwbare oprijplaten met scharnierconstructie, zich schuldig maakte aan slaafse nabootsing en misleidende of vergelijkende reclame, alsmede diverse verboden, rectificatie, terughaal- en vernietigingsmaatregelen en schadevergoeding. De rechtbank toetst het beroep op auteursrecht aan art. 1 en 10 Aw, uitgelegd conform de rechtspraak van het HvJ EU (o.a. Cofemel en Brompton): vereist is dat het voortbrengsel een oorspronkelijk werk is dat het resultaat vormt van vrije en creatieve keuzes. De door producent A aangewezen elementen, het profielpatroon, de handgrepen, het scharnier en het (optionele) kantelbare klepprofiel, acht de rechtbank overwegend technisch of functioneel bepaald. Producent A heeft onvoldoende concreet onderbouwd welke creatieve keuzes daarin tot uitdrukking komen. Ook de combinatie van deze elementen levert geen eigen intellectuele schepping op. De oprijplaat mist daarom het vereiste oorspronkelijk karakter en komt niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking.

Het beroep op slaafse nabootsing wordt eveneens afgewezen. Nabootsing van een product is in beginsel geoorloofd, tenzij het nagebootste product een eigen gezicht op de relevante markt heeft en door de nabootsing nodeloos verwarringsgevaar ontstaat. De rechtbank oordeelt dat producent A onvoldoende heeft aangetoond dat haar oprijplaat zich ten tijde van de marktintroductie door producent B duidelijk onderscheidde van andere, vergelijkbare oprijplaten. Veel uiterlijke kenmerken zijn bovendien functioneel bepaald en kunnen daarom niet bijdragen aan een eigen gezicht op de markt. Ook van ongeoorloofde vergelijkende of misleidende reclame (art. 6:194a BW) of ander onrechtmatig handelen is niet gebleken. Alle vorderingen in de hoofdzaak en het incident worden afgewezen. Producent A wordt als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de volledige proceskosten op grond van art. 1019h Rv.

4.10.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.10.1.

Het patroon van het profiel. Op de zitting heeft [producent A] gezegd dat het profiel wordt gemaakt met een mal van een fabriek die hij tegen betaling mag gebruiken. Daarmee is duidelijk dat [producent A] geen auteursrecht kan hebben op dit profiel. Zij kan zich er niet op beroepen dat dit voor haar een auteursrechtelijk beschermd element is.

4.10.2.

De handgrepen. De rechtbank vindt dat [producent A] niet voldoende uiteen heeft gezet dat hierbij sprake is geweest van creatieve keuzes waarin de persoonlijkheid van de maker tot uitdrukking komt, (terwijl dit - gezien haar stelplicht - wel op haar weg had gelegen). Tegenover de summiere stelling van [producent A] staat de gemotiveerde betwisting door [producent B] . Volgens [producent B] is de plaats van de handgrepen functioneel bepaald, namelijk in het midden zodat het gewicht evenredig wordt verdeeld. De vormgeving is gebogen omdat dit nu eenmaal prettig in de hand ligt en eenvoudig gehanteerd kan worden. De afmetingen van de handgrepen zijn niet opvallend groot of klein. Het is niet duidelijk wat [producent A] met materiaalafwerking bedoelt, het materiaal is volgens [producent B] in elk geval van aluminium om de oprijplaat zo licht en handzaam mogelijk te houden. De rechtbank kan de betwisting van [producent B] goed volgen. [producent A] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht om te kunnen concluderen dat niettemin sprake is van een vrije en creatieve keuze. De handgrepen kwalificeren niet als auteursrechtelijk beschermd element.

4.10.3.

Het scharnier. Ook hiervoor geldt dat [producent A] niet heeft voldaan aan haar stelplicht. [producent B] heeft het volgende aangevoerd. Het scharnier is in het midden geplaatst zodat de opvouwbare delen even lang zijn. Een scharnier moet nu eenmaal worden bevestigd aan de delen. Voor een oprijplaat is het van belang dat een scharnier kan worden geborgd in open stand zodat het niet inklapt. Het scharnier is niet opvallend groot of klein en de materiaalafwerking is niet toegelicht. Het scharnier is een technisch of functioneel bepaald onderdeel van de oprijplaat, en van een creatieve keuze is niet gebleken. Ook hier kan de rechtbank de betwisting van [producent B] goed kan volgen. [producent A] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht om te kunnen concluderen dat niettemin sprake is van een vrije en creatieve keuze. Het scharnier kwalificeert niet als auteursrechtelijk beschermd element.

4.10.4.

Het kantelbaar klepprofiel. [producent A] heeft gesteld dat deze als optie wordt aangeboden. [producent B] heeft aangevoerd dat het hierbij eveneens gaat om een functioneel bepaald element, omdat zo gemakkelijk een opgang wordt verkregen en de oprijplaat daardoor ook geschikt is voor kleinere wielen. Daar is door [producent A] onvoldoende tegenin gebracht. De rechtbank vindt dat het kantelbaar klepprofiel niet geldt als auteursrechtelijk beschermd element.

4.10.5.

De combinatie van het geheel. Volgens [producent A] levert de verzameling van de hiervoor genoemde niet auteursrechtelijk beschermde elementen toch een auteursrechtelijk werk op. Het is echter niet duidelijk welke beschermingswaardige creativiteit [producent A] heeft toegepast om met de combinatie van deze niet auteursrechtelijk beschermde elementen een (wel) auteursrechtelijk beschermd werk te creëren. Zij heeft niet voldoende onderbouwd op grond waarvan de combinatie van de onbeschermde elementen de persoonlijke visie van de maker tot uiting komt. Op grond van de door partijen overgelegde afbeeldingen staat voldoende vast dat er veel oprijplaten op de markt worden aangeboden. Hieronder bevindt zich ook een opvouwbare oprijplaat en een oprijplaat met (zwarte) handvatten. Onvoldoende blijkt daaruit dat de oprijplaten van [producent A] zich daarvan wezenlijk onderscheiden. Er zal altijd wel ergens een verschil zijn te bespeuren, maar het moet hier gaan om een wezenlijk verschil, waaruit dus de persoonlijke visie van de maker naar voren komt. Daarvan is hier geen sprake.