21 jan 2026
Tussenvonnis over kwalificatie van bijdrage aan filmproductie, naamsvermelding en billijke vergoeding; rechtbank overweegt deskundigenbericht
Rb. Amsterdam 21 januari 2026, IEF 23429; ECLI:NL:RBAMS:2026:1669 ([eiser] tegen [gedaagde 1] c.s.). In dit tussenvonnis staat een geschil centraal over de bijdrage van eiser aan de totstandkoming van een film van gedaagden en de vraag hoe die bijdrage juridisch moet worden gekwalificeerd. Partijen hebben in februari 2023 een medewerkersverklaring ondertekend waarin eiser voor 25 draaidagen als regieassistent wordt aangesteld tegen een vergoeding van € 1.600 exclusief btw, maar eiser stelt dat zijn feitelijke werkzaamheden verder gingen en dat hij als coregisseur moet worden aangemerkt. Hij vordert daarom onder meer een verklaring voor recht dat hij als coregisseur moet worden vermeld, aanpassing van de credits in intro, aftiteling en IMDb, een billijke vergoeding op grond van art. 25c jo. 45d Aw, een aanvullende billijke vergoeding op grond van art. 25d jo. 45d lid 7 Aw, en exploitatie-informatie op grond van art. 25ca Aw. Gedaagden erkennen dat eiser creatieve inbreng heeft geleverd en dus maker is in de zin van de Auteurswet, en ook dat hij recht heeft op een billijke vergoeding, maar betwisten dat hij als coregisseur heeft gefungeerd. De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijke afspraak inderdaad uitgaat van de functie van regieassistent, maar dat niet is uitgesloten dat de samenwerking tijdens de productie anders is gaan lopen. Dat betekent echter nog niet dat eiser juridisch als coregisseur moet worden aangemerkt. De rechtbank merkt bovendien op dat de vorderingen tegen [gedaagde 1] in privé uiteindelijk in ieder geval zullen worden afgewezen, omdat onvoldoende is weersproken dat diens onderneming in de BV is ingebracht.
De rechtbank zet vervolgens het relevante Auteurswet-kader uiteen. Op grond van art. 45e sub a Aw heeft een maker van een film recht op naamsvermelding met zijn hoedanigheid of bijdrage op gebruikelijke plaatsen zoals aftiteling, intro credits, filmposter en IMDb. Op grond van art. 25c lid 1 jo. 45d lid 1 Aw, mede in het licht van art. 18 DSM-richtlijn, heeft iedere maker die bij de totstandkoming van een film is betrokken recht op een billijke vergoeding; daarnaast kan op grond van art. 25d lid 1 jo. 45d lid 7 Aw een aanvullende vergoeding worden gevorderd wanneer een grote onevenredigheid bestaat tussen de aanvankelijk overeengekomen vergoeding en de exploitatie-opbrengsten. Ook geldt op grond van art. 25ca Aw in beginsel een informatieverplichting over de exploitatie, waarbij de uitzondering voor een niet-significante maker niet opgaat wanneer een beroep wordt gedaan op de bestsellerbepaling van art. 25d Aw. De rechtbank oordeelt dat de begrippen regieassistent en coregisseur in wet en praktijk onvoldoende scherp omlijnd zijn en dat ook voor de beoordeling van de hoogte van de billijke en aanvullende vergoeding de aangevoerde bronnen onvoldoende houvast bieden. Wel overweegt de rechtbank voorlopig dat eiser, zelfs uitgaande van zijn eigen omschrijving, niet zonder meer als een aan gedaagde 1 gelijkwaardige coregisseur lijkt te hebben gewerkt, met name omdat artistieke eindverantwoordelijkheid en intensieve betrokkenheid bij pre- en postproductie vooralsnog onvoldoende uit de stukken blijken. Omdat de rechtbank voor zowel de kwalificatievraag als de vergoedingsvraag behoefte heeft aan nadere deskundige voorlichting, is zij voornemens een deskundigenbericht te bevelen met drie deskundigen, van wie één juridisch deskundige en twee deskundigen uit de filmindustrie; de voorkeur van de rechtbank gaat uit naar prof. mr. D.J.G. Visser als juridisch deskundige en voorzitter. Partijen mogen zich uitlaten over de persoon van de deskundigen en de vraagstelling, terwijl eiser als bewijsplichtige het voorschot op de deskundigenkosten zal moeten voldoen. De zaak wordt verwezen naar de rol van 18 februari 2026 en iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Voorgenomen deskundigenbericht
4.11.
Zoals reeds overwogen rust op [eiser] de stelplicht en bewijslast. Het is aan hem om nader bewijs te leveren op de geschilpunten die hierboven zijn behandeld. Voor zowel het geschilpunt over de kwalificatievermelding als het geschilpunt over de vergoeding geldt dat de door partijen aangehaalde bronnen vanuit de filmindustrie komen en onvoldoende duidelijkheid bieden om op dit punt in de procedure tot een oordeel te kunnen komen. De rechtbank heeft dan ook behoefte aan deskundige voorlichting en is van plan drie deskundigen te benoemen. Omdat de bewijslast op [eiser] rust, zal hij het voorschot van het salaris van de deskundige(n) moeten betalen. De voorkeur van de rechtbank gaat uit naar drie deskundigen, van wie één een juridische achtergrond heeft en twee vanuit de filmindustrie komen. Een juridisch deskundige die door beide partijen is genoemd, is prof. mr. D.J.G. Visser. De rechtbank heeft mr. Visser al benaderd en hij is bereid en in staat om als deskundige op te treden. De rechtbank stelt voor om hem als voorzitter te benoemen, aangevuld met twee deskundigen vanuit het werkveld. Dit voorstel wordt gesteund door mr. Visser. Partijen zullen de gelegenheid krijgen om – bij voorkeur in onderling overleg – enkele andere deskundigen (met CV) aan te dragen die hen geschikt lijken. De rechtbank is voornemens de volgende vragen aan de deskundigen voor te leggen. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld wijzigingen en aanvullende vragen voor te stellen:
Hoe moet de billijke vergoeding van artikel 25c Aw worden bepaald?
Wat zijn de elementen die relevant zijn om die billijke vergoeding te bepalen?
Is de overeengekomen vergoeding van € 1.600 (lumpsum) in dit geval een billijke vergoeding voor de werkzaamheden die [eiser] heeft verricht?
Hoe moet de aanvullende billijke vergoeding van artikel 25d Aw worden bepaald?
Wat zijn de elementen die relevant zijn om die billijke vergoeding te bepalen?
Welke financiële informatie over de exploitatie(resultaten) van de film zijn nodig om de hoogte van deze vergoeding te kunnen bepalen?
Welke aanvullende billijke vergoeding is in dit geval redelijk voor [eiser] ?
8. Wat houdt de functie van regieassistent in?
9. Wat houdt de functie van coregisseur in?
10. Hoe verhoudt een coregisseur zich tot de andere (co)regisseur?
a. Is er een hiërarchie tussen deze twee of is dat niet noodzakelijkerwijs het geval?
Indien 10a ontkennend wordt beantwoord:
b. hoe functioneren twee coregisseurs dan naast elkaar?
c. wie draagt dan de eindverantwoordelijkheid?
11. Hoe ziet de verhouding tussen producent en regisseur in het algemeen eruit, en in het bijzonder in dit geval waarin [gedaagde 1] beide rollen vervult?
11. Wat is de rol van een (co)regisseur tijdens de pre- en postproductie?
11. De werkzaamheden van [eiser] in ogenschouw nemend (waarbij de Excel-sheet die als prod. 88 is overgelegd tot uitgangspunt kan dienen), zou u zijn rol kwalificeren als regieassistent of als coregisseur?
11. Betekent dit dat [eiser] als coregisseur moet worden vermeld op de intro credits, aftiteling en IMDb?