4 mrt 2026
Uitspraak ingezonden door Peter Teunissen, Radboud Universiteit.
Geen proportionele billijke vergoeding voor Amerikaanse filmmakers onder art. 45d Aw
Rb Midden-Nederland 4 maart 2026, IEF 23322; ECLI:NL:RBMNE:2026:558 (DGA c.s. tegen Ziggo). Deze zaak betreft een vordering van Amerikaanse regisseurs- en schrijversgilden (DGA c.s. en WGAW c.s.), die namens duizenden Amerikaanse filmmakers stellen dat zij als makers aanspraak hebben op de proportionele billijke vergoeding van art. 45d lid 2 Auteurswet voor de uitzending van hun films door Ziggo in Nederland. Deze vergoeding is ingevoerd per 1 juli 2015 en is volgens de rechtbank in de plaats gekomen van de vroegere kabeldoorgiftevergoeding, die is vervallen door het verdwijnen van de kabeltelevisie. DGA c.s. betogen dat de betrokken regisseurs en scenaristen, ook al worden hun bijdragen in de Verenigde Staten veelal als work made for hire (WMFH) aangemerkt, naar Nederlands en Unierechtelijk begrip als feitelijke makers moeten gelden en dat zij hun exploitatierechten aan de producent hebben overgedragen, zodat aan de voorwaarden van art. 45d Aw is voldaan. In de overgelegde Minimum Basic Agreements en standaardcontracten is echter bepaald dat de producent in twee situaties, bij arbeid in dienstverband of bij specifiek opgedragen werk met een expliciete WMFH-clausule, als maker en auteursrechthebbende geldt. Alleen voor het geval een bijdrage onder Amerikaans recht toch niet als WMFH zou kwalificeren, bevatten de contracten een vangnetbepaling waarbij rechten alsnog aan de producent worden overgedragen.
De rechtbank sluit voor de vraag wie als maker en auteursrechthebbende moet worden aangemerkt aan bij de lex originis en oordeelt, in lijn met het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 25 mei 2021, dat dit naar Amerikaans recht moet worden beoordeeld. Omdat de producent onder het WMFH-regime oorspronkelijke maker en rechthebbende is, zijn de betrokken Amerikaanse regisseurs en schrijvers nooit zelf auteursrechthebbende geweest en hebben zij dus ook geen rechten aan de producent kunnen overdragen. Daarom is niet voldaan aan het vereiste van art. 45d lid 2 Aw. Ook het beroep op het overdrachtsvermoeden van art. 45d lid 1 Aw faalt, omdat dat vermoeden alleen geldt als partijen niets anders zijn overeengekomen, terwijl hier juist contractueel is vastgelegd dat de producent maker en rechthebbende is. Vervolgens verwerpt de rechtbank het beroep op art. 18 DSM-richtlijn: zij volgt het standpunt dat het vergoedingsrecht van art. 45d lid 2 Aw niet door het Unierecht is voorgeschreven en evenmin is afgeleid van een door het Unierecht geharmoniseerd uitsluitend recht of een geharmoniseerde beperking, maar een nationale regeling vormt ter invulling van de verplichting tot passende en evenredige vergoeding. Bovendien geldt dat, ook als art. 45d lid 2 Aw wel als Unierechtelijk vergoedingsrecht zou moeten worden gezien, de Amerikaanse filmmakers nog steeds niet voldoen aan het in art. 18 lid 1 DSM-richtlijn besloten liggende overdrachtsvereiste. Ook het beroep op het assimilatiebeginsel van art. 5 lid 1 Berner Conventie slaagt niet, omdat ook dan vereist blijft dat de auteurs hun exploitatierechten aan de producent hebben overgedragen, en juist dat ontbreekt bij WMFH. De rechtbank wijst de vorderingen daarom af en veroordeelt DGA c.s. in de proceskosten van Ziggo, begroot op € 2.209 volgens het liquidatietarief, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente; een volledige kostenveroordeling op grond van art. 1019h Rv blijft achterwege omdat geen sprake is van een IE-handhavingszaak in de zin van art. 1019 Rv.
3.16. “Gelet op het in artikel 18 lid 1 DSM-richtlijn genoemde overdrachtsvereiste is de rechtbank van oordeel dat ook als de vergoeding van artikel 45d lid 2 Aw wel als een Unierechtelijk vergoedingsrecht moet worden beschouwd, dit niet tot een vergoedingsaanspraak leidt voor de Amerikaanse filmmakers. Er wordt immers niet voldaan aan het overdrachtsvereiste, omdat contractueel is bepaald dat de filmproducent de maker en auteursrechthebbende is. Bovendien geldt dat de Amerikaanse filmmakers door tussenkomst van de Guilds recht hebben op een financiële vergoeding voor het maken en uitzenden via verschillende mediakanalen, zowel binnen als buiten de Verenigde Staten. In die zin ontvangen zij dus al een passende en evenredige vergoeding wat de achtergrond en bedoeling is geweest van de in de DSM-richtlijn opgenomen verplichtingen.”
3.17. “Tot slot het assimilatiebeginsel zoals vastgelegd in artikel 5 lid 1 van de Berner Conventie. Omdat Nederland aangesloten is bij de Berner Conventie heeft dit verdrag rechtstreekse werking in Nederland. Het assimilatiebeginsel houdt niet meer of minder in dan dat de verdragstaten door de Conventie beschermde buitenlandse auteurs voor hun werken dezelfde bescherming bieden als zij hun eigen auteurs bieden.”
3.18. “Er is zowel tussen partijen als in de literatuur discussie over de vraag of het vergoedingsrecht waar het in deze zaak om gaat wel een ‘recht’ is in de zin van de Berner Conventie. Als dat niet het geval is, dan kan ook het assimilatiebeginsel niet worden ingeroepen. De rechtbank laat beantwoording van deze vraag in het midden, omdat ook in het geval het assimilatiebeginsel wel van toepassing is, dit niet leidt tot een vergoedingsaanspraak van de Amerikaanse filmmakers. Concreet betekent dit namelijk dat de Amerikaanse filmmakers recht zouden hebben op de vergoeding als zij hun exploitatierechten hebben overgedragen (verkocht) aan de filmproducent. Zoals hiervoor onder 3.9 tot en met 3.11 al is besproken, is daarvan geen sprake omdat het gaat om WMFH. Daarmee voldoen zij niet aan de voorwaarden om aanspraak te maken op de vergoeding.”