Gepubliceerd op vrijdag 12 juni 2026
IEF 23619
Rechtbank Amsterdam ||
20 mei 2026
Rechtbank Amsterdam 20 mei 2026, IEF 23619; ECLI:NL:RBAMS:2026:5771 ([eiser] tegen [gedaagden]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/drie-deskundigen-benoemd-in-filmgeschil-over-credit-als-coregisseur-en-billijke-vergoeding

Drie deskundigen benoemd in filmgeschil over credit als coregisseur en billijke vergoeding

Rb. Amsterdam 20 mei 2026, IEF 23619; ECLI:NL:RBAMS:2026:5771 ([eiser] tegen [gedaagden]). In dit tussenvonnis benoemt de Rechtbank Amsterdam drie deskundigen in een geschil tussen twee filmmakers over de bijdrage van [eiser] aan de film [film]. [eiser] vordert in de hoofdzaak onder meer de credit ‘coregisseur’ en een aanvullende vergoeding van € 48.400,-, althans € 34.400,-, plus 5% van de netto-opbrengst van de film. De rechtbank beslist daarover echter nog niet inhoudelijk. Zij laat de beoordeling van die punten afhangen van het deskundigenonderzoek. De rechtbank benoemt Dirk Visser als juridisch deskundige en voorzitter, Mardou Jacobs als deskundige met productie-ervaring en Paul Ruven als deskundige met regie-ervaring. [eiser] had bezwaar tegen de benoeming van Visser, omdat hij als advocaat verbonden is aan een kantoor dat onder meer filmproducenten, uitgevers en platenmaatschappijen bijstaat. De rechtbank verwerpt dat bezwaar, omdat zij geen reden ziet om aan zijn deskundigheid of onpartijdigheid te twijfelen en wijst daarbij op zijn positie als hoogleraar intellectueel eigendomsrecht en zijn publicaties over filmauteursrecht, exploitatiecontracten en vergoedingen.

De deskundigen krijgen vragen voorgelegd over de billijke vergoeding van art. 25c Aw en de aanvullende billijke vergoeding van art. 25d Aw in de filmpraktijk. Daarbij moeten zij onder meer adviseren of de overeengekomen lumpsum van € 1.600,- in dit geval billijk is, welke rol het productiebudget en de exploitatie-inkomsten spelen, welke inkomsten in de keten relevant zijn en welke aanvullende billijke vergoeding voor [eiser] redelijk zou zijn. Daarnaast moeten zij adviseren over de kwalificatie van de feitelijke werkzaamheden van [eiser]: was hij regieassistent of coregisseur? Ook krijgen zij vragen over de grens tussen die functies, de eventuele verhouding tussen hoofdregisseur en coregisseur, de positie van producent en regisseur wanneer die functies in één persoon samenkomen, en de mogelijke gevolgen voor vermelding in de credits, waaronder introcredits, aftiteling en IMDb.

2.1. [eiser] en [gedaagde 1] zijn beiden filmmaker. [eiser] heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de door [gedaagde 1] bedachte film ‘[film]’ (hierna: de film). [gedaagde 1] speelt de hoofdrol en was regisseur, scenarioschrijver en producer. Partijen verschillen van mening over de bijdrage van [eiser] . Het geschil gaat met name over de credits die bij [eiser] naam vermeld moeten worden – bijvoorbeeld op de aftiteling – en de hoogte van zijn vergoeding. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht en daardoor maker is in de zin van de Auteurswet. [eiser] meent dat hij recht heeft op een hogere vergoeding dan hij tot nu toe heeft ontvangen. Of hij daar recht op heeft en hoe hoog die vergoeding precies moet zijn, is onderwerp van discussie. [eiser] vordert dat hij de credit ‘coregisseur’ krijgt en een aanvullende vergoeding van € 48.400,-, althans € 34.400,-, plus 5% van – kort gezegd – de netto opbrengst van de film.

2.2. In het tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat zij voornemens is een deskundigenonderzoek te bevelen en heeft partijen gevraagd zich hierover uit te laten. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Op het voornemen van de rechtbank hebben partijen per akte gereageerd. Ze hebben zich onder meer uitgelaten over de te benoemen deskundigen en de vraagstelling. In dit vonnis wordt beslist welke deskundigen worden benoemd en welke vragen aan hen worden voorgelegd.