Gepubliceerd op dinsdag 24 februari 2026
IEF 23299
Uitspraken uit de Verenigde Staten ||
13 feb 2026
Uitspraken uit de Verenigde Staten 13 feb 2026, IEF 23299; 6:25-cv-00581 (BAYERISCHE MOTOREN WERKE ) AKTIENGESELLSCHAFT tegen ONESTA, LLC), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/bmw-v-onesta-amerikaanse-anti-suit-injunction-tegen-munchense-procedure-over-u-s-patenten

Uitspraak ingezonden door Wouter Pors, Windt Le Grand Leeuwenburgh.

BMW v. Onesta: Amerikaanse anti-suit injunction tegen Münchense procedure over U.S.-patenten

United States District Court for the Western Disctrict of Texas WACO Division 13 februari 2026, IEF 23299; 6:25-cv-00581 (BAYERISCHE MOTOREN WERKE AKTIENGESELLSCHAFT tegen ONESTA, LLC,). BMW heeft in Texas een procedure aanhangig gemaakt tegen Onesta, dat op 9 oktober 2025 als eerste Amerikaanse partij U.S.-patenten had ingeroepen bij de Landgericht München I tegen BMW op basis van twee U.S.-patenten (nrs. 8,854,381 en 8,443,209). Onesta beriep zich daarbij impliciet op de ruimte die volgens haar uit het CJEU-arrest BSH v. Electrolux voortvloeit om in de woonstaat van een EU-gedaagde ook geldigheid en inbreuk op buitenlandse rechten te toetsen, en stelde dat dit ook voor U.S.-patenten zou gelden. BMW dagvaardde daarop Onesta op 15 december 2025 bij de U.S. District Court for the Western District of Texas (Waco Division) en vorderde onder meer een anti-suit injunction die Onesta zou verbieden de U.S.-patentvorderingen in München voort te zetten, met daarnaast een voorlopige ordemaatregel (TRO) om de status quo te bevriezen. BMW voerde aan dat de Amerikaanse rechtsorde een sterk belang heeft bij het exclusief zelf beoordelen van in de VS verleende octrooien, inclusief toegang tot juryrechtspraak, discovery en een geldigeheidsbeoordeling met erga omnes‑effect, en dat de Münchense procedure deze belangen frustreert en BMW in haar processuele rechten schaadt. Onesta bestreed dat er sprake was van beleidsschending of vexatoir gedrag, verwees naar auteursrechtjurisprudentie die toepassing van U.S. copyright law in buitenlandse rechters zou toelaten, en stelde dat comity en het feit dat München de eerst aangezochte rechter was tegen een anti-suit injunction pleitten.

De rechtbank toetst aan de Fifth Circuit‑criteria voor een anti-suit injunction (MWK Recruiting/Kaepa/Unterweser): identieke partijen, de mogelijkheid dat de U.S.-zaak de relevante geschilpunten uit de buitenlandse procedure kan beslechten, het bestaan van zogenaamde Unterweser‑threats (zoals frustratie van forumbeleid of prejudice) en een afweging tegen beginselen van internationale comity. De rechter stelt vast dat partijen en issues in Texas en München samenvallen en dat Onesta haar U.S.-patentvorderingen in een geschikte U.S.-forum kan instellen, zodat de Amerikaanse procedure de relevante punten uit de Duitse zaak kan afdekken. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de Münchense procedure het Amerikaanse beleid ondermijnt om eigen octrooien in eigen rechtbanken te laten beoordelen, onder een zorgvuldig door het Congres ingericht jurisdictioneel en procedureel stelsel, en BMW belangrijke procedurele rechten (jury, discovery, geldigheid met erga omnes‑effect) ontneemt. De verwijzing van Onesta naar U.S.-auteursrechtzaken en oudere patentzaken wordt verworpen onder verwijzing naar Voda v. Cordis, waarbij juist is benadrukt dat wederzijdse inmenging in de octrooirechtspraak van soevereine staten moet worden vermeden en dat de Paris Convention de onafhankelijkheid van nationale octrooisystemen bevestigt. In de comity‑afweging benadrukt de rechtbank dat het hier om een private partij‑partij‑geschil gaat, dat het waarborgen van de eigen jurisdictie en de rechten van onder U.S.-recht vallende partijen centraal staat, en dat het beëindigen van de Münchense procedure voor zover het U.S.-patenten betreft de internationale comity eerder respecteert dan schaadt. De belangen van het Amerikaanse forum wegen zwaarder dan de comity‑bezwaren, waardoor de anti-suit injunction wordt toegewezen: Onesta wordt bevolen haar Münchense procedure voor zover gebaseerd op U.S.-patenten te beëindigen; de rechtbank bekrachtigt daarmee haar eerdere mondelinge toewijzing, zij het dat op hoger niveau tijdelijk een stay is verleend in afwachting van verdere beslissing.

“Allowing the Munich proceedings to continue threatens the United States’ policy interest in adjudicating its own patents and protecting litigants’ jury rights in infringement cases. Similarly, proceedings in the Munich court necessarily deprive BMW of critical defendant rights available only here—e.g., fact discovery; invalidity consideration with erga omnes effect; and juries as a bulwark against the improper grant or assertion of U.S. patents. Dkt. 7 at 2.

As a result, the Munich action undermines the duty of Article III courts “to protect their legitimately conferred jurisdiction to the extent necessary to provide full justice to litigants.” See Laker Airways Ltd. v. Sabena, Belgian World Airlines, 731 F.2d 909, 927 (D.C. Cir. 1984); Colo. River Water Conserv. Dist. v. United States, 424 U.S. 800, 817-18 (1976). Congress has conferred jurisdiction by empowering federal courts to adjudicate infringement of U.S. patents. See 35 U.S.C. §§271, 287; 28 U.S.C. §2201(a). And ensuring that U.S. patent infringement claims are adjudicated in U.S. courts is “necessary to provide full justice to the parties” in this case because BMW seeks a jury trial on the infringement claims. Dkt. 1 at 44 (“[T]rial by jury on all issues triable of right by a jury”). “[T]here is no dispute that infringement cases today must be tried to a jury, as their predecessors were more than two centuries ago.” Markman v. Westview Instrs., Inc., 517 U.S. 370, 377 (1996). A robust U.S. policy prevents outsourcing to other courts issues triable to federal juries”

“The ASI also acts with due regard to those under United States law, namely, those who hold intellectual property rights conferred and recognized by the U.S. Government. See Société, at 543 n. 27. Because those rights arise under United States law and are conferred by the U.S. government, infringement and validity challenges for those patents should be adjudicated in United States courts. And the opposite is true: "[O]ur courts should not determine the validity and infringement of foreign patents.” Voda v. Cordis Corp., 476 F.3d 887, 899 (Fed. Cir. 2007). As mentioned previously, this is especially true given that Germany1 and the United States2 are signatories to The Paris Convention for the Protection of Industrial Property, which acknowledges “the independence of each country's sovereign patent systems and their systems for adjudicating those patents.” Paris Convention, art. 13–30, 21 U.S.T. 1583; Paris Convention, art. 1–12, 24 U.S.T. 2140; Voda, 476 F.3d at 899. “[N]othing in the Paris Convention contemplates nor allows one jurisdiction to adjudicate the patents of another.” Id. To the extent that this case presents “public international issues,” foreign policy decisions have resolved those issues in favor of adjudicating patents in the issuing forum. See Kahara Bodas, 335 F.3d at 372. Accordingly, BMW’s request preserves comity by seeking only to terminate the Munich action as to its adjudication of the U.S. patents. Dkt. 7 at 25 n. 6.”