DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op maandag 22 juni 2026
IEF 23634

Annotatie geschreven door Nino van Lith

Weekprijs Privatissimum: annotatie over makerschap, work made for hire en de DSM-richtlijn

Met zijn annotatie bij een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland heeft Nino van Lith de weekprijs van het vak Privatissimum aan de Universiteit Leiden gewonnen. 

Annotatie bij een uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland 4 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:558.

Art. 45d Auteurswet — art. 18 DSM-richtlijn — art. 5 lid 1 Berner Conventie

Makerschap, lex originis, work made for hire, proportionele billijke vergoeding, assimilatiebeginsel

 

1. Inleiding

De Rechtbank Midden-Nederland deed op 4 maart 2026 uitspraak in een zaak op het snijvlak van nationaal auteursrecht, internationaal privaatrecht en Europees recht. De Directors Guild of America, de Writers Guild of America West en de Writers Guild of America East (hierna: de Guilds), alsmede de Duitse rechtenbeheersorganisatie GWFF, vorderden een proportionele billijke vergoeding van uitzender Ziggo B.V. op grond van artikel 45d lid 2 Auteurswet (hierna: Aw). De Guilds vertegenwoordigen naar eigen zeggen ruim 30.000 Amerikaanse filmregisseurs en scenarioschrijvers, van wie de werken dagelijks via Ziggo in Nederland worden uitgezonden.1 De rechtbank wijst de vordering volledig af. Het vonnis roept fundamentele vragen op over de wisselwerking tussen de lex originis, het Europese makersbegrip en het assimilatiebeginsel van de Berner Conventie. De centrale rechtsvragen uit dit vonnis zijn: (i) naar welk recht wordt bepaald wie als maker geldt; (ii) heeft de vangnetbepaling ook werking buiten de Amerikaanse rechtssfeer; (iii) brengt artikel 18 DSM-richtlijn mee dat de filmmakers toch als maker worden aangemerkt; en (iv) leidt het assimilatiebeginsel van de Berner Conventie tot een vergoedingsaanspraak

2. Juridisch kader

Artikel 45d lid 2 Aw verplicht uitzenders sinds 1 juli 2015 een vergoeding te betalen aan filmmakers die hun exploitatierechten aan de producent hebben overgedragen, als opvolger van de vervallen kabeldoorgiftevergoeding. Uit dit artikel volgt dat er in beginsel wordt vermoed dat de makers het recht op het hun werk hebben overgedragen aan de producent, tenzij de makers en de producent van een filmwerk anders zijn overeengekomen. De producent heeft dan recht op een billijke vergoeding in ruil voor het exploiteren van het filmwerk. Deze vergoeding moet volgens art. 45d lid 2 Aw passend zijn en in verhouding staan tot het gebruik dat van het recht wordt gemaakt door de producent. Om een billijke vergoeding te vorderen, zal er dus sprake moeten zijn van overdracht. Dat is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de filmmaker aan de filmproducent een licentie verstrekt om zijn werk te mogen uitzenden. Dan heeft de filmmaker nog zijn openbaarmakingsrechten. Het is ook niet het geval als de filmmaker zijn bijdrage in dienstverband heeft verricht. In dat geval krijgt de werkgever op grond van art. 7 Aw van rechtswege auteursrecht. In de VS geldt het work made for hire-beginsel (WMFH). Op grond van de U.S. Copyright Act wordt een creatieve bijdrage als WMFH aangemerkt wanneer (i) het werk in dienstverband is gemaakt, of (ii) het gaat om een speciaal besteld werk waarbij partijen dit uitdrukkelijk schriftelijk overeenkomen. De opdrachtgever geldt dan als maker en auteursrechthebbende. De filmmaker ontvangt in de plaats daarvan de vergoedingen die zijn vastgelegd in de Minimum Basic Agreements (MBA's). Bijbehorende vergoeding voor de filmmakers bestaat enerzijds uit een vergoeding voor het maken van het werk en anderzijds uit vergoedingen voor het vertonen en heruitzenden van filmwerken in binnen- en buitenland via verschillende media. De standaard opdrachtovereenkomst die de Guilds in de procedure overlegden, bevat in artikel 2 een verklaring dat de creatieve bijdrage een WMFH is, alsmede een vangnetbepaling. Die vangnetbepaling houdt in dat de filmmaker zijn rechten overdraagt aan de producent in het geval de bijdrage achteraf niet als WMFH wordt aangemerkt. De rechtbank maakt in zijn vonnis de keuze voor het Amerikaans recht om te bepalen wie als maker en auteursrechthebbende heeft te gelden. De rechtbank baseert deze keuze op de lex originis. Dit betekent dat het recht van het land van oorsprong geldt, en daarmee in dit geval Amerika. De rechtbank kiest hiervoor om te voorkomen dat er ten aanzien van hetzelfde werk verschillende rechthebbenden zijn. Daarbij speelt de gehele rechtsverhouding tussen de filmmaker en de filmproducent zich volledig af binnen de Amerikaanse rechtssfeer. Tenslotte bevat de opdrachtovereenkomst, die standaard wordt gebruikt, ook een specifieke bepaling waarin Amerikaans recht op de overeenkomst van toepassing wordt verklaard. De keuze van de rechtsbank om lex origins toe te passen staat op gespannen voet met de hoofdregel van het internationaal auteursrecht. Art. 5 lid 2 Berner Conventie bepaalt dat de omvang van de bescherming, alsmede de rechtsmiddelen die de auteur worden gewaarborgd ter handhaving van zijn rechten, worden uitsluitend bepaald door de wetgeving van het lands waar de bescherming is ingeroepen. De hoofdregel is daarmee de lex protectionis. Wie als auteur moet worden aangemerkt, wordt bepaald door het recht van het land waar bescherming wordt geclaimd. Het HvJ EU heeft in Kwantrum/Vitra bovendien bevestigd dat de werkingssfeer van het Unie-auteursrecht wordt bepaald door een territoriaal criterium, namelijk het grondgebied waarop bescherming wordt ingeroepen, en niet door het land van oorsprong of de nationaliteit van de auteur.