Gepubliceerd op maandag 30 maart 2026
IEF 23419
Rechtbank Midden-Nederland ||
13 mrt 2026
Rechtbank Midden-Nederland 13 mrt 2026, IEF 23419; ECLI:NL:RBMNE:2026:1173 ([eisers c.s] tegen [gedaagde]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-gevorderd-publicatieverbod-af-veiligheidsrisico-onvoldoende-concreet-onderbouwd-en-geen-noodzaak-tot-voorafgaande-beperking-van-publicatie

Uitspraak ingezonden door Lotte van Schuylenburch en Matthijs Kaaks, Boekx.

Rb. Midden-Nederland wijst gevorderd publicatieverbod af: veiligheidsrisico onvoldoende concreet onderbouwd en geen noodzaak tot voorafgaande beperking van publicatie

Rb. Midden-Nederland 13 maart 2026, IEF 23419; ECLI:NL:RBMNE:2026:1173 ([eisers c.s] tegen [gedaagde]). In dit kort geding willen eisers voorkomen dat [gedaagde] een voorgenomen artikel publiceert waarin de naam van [eiser sub 2] of andere tot hem herleidbare gegevens worden genoemd. Daarnaast vorderen zij dat het conceptartikel vóór publicatie aan hen wordt voorgelegd, zodat zij zich daartegen zo nodig opnieuw tot de rechter kunnen wenden. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, omdat eisers stellen dat publicatie voor [eiser sub 2] ernstige en onherstelbare schade zal veroorzaken. Vervolgens stelt de rechter voorop dat deze vorderingen neerkomen op voorafgaand toezicht op een publicatie. Dat botst volgens de rechter met art. 10 EVRM en art. 7 Grondwet. Een verbod vooraf is daarom alleen mogelijk als de onrechtmatigheid van de publicatie voldoende is gebleken en dat verbod nodig is ter voorkoming van onherstelbare schade. Omdat voorafgaande beperkingen grote risico’s meebrengen voor de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid, moet de noodzaak daarvan zorgvuldig en kritisch worden onderzocht en door uitzonderlijke omstandigheden worden gerechtvaardigd. De rechter maakt daarom een belangenafweging tussen enerzijds het belang van eisers bij bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de eer en goede naam van [eiser sub 2], en anderzijds het belang van [gedaagde] bij vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder persvrijheid. Daarbij noemt de rechter als relevante factoren onder meer de ernst van de misstand vanuit het algemeen belang, de mate waarin de verdenkingen ten tijde van publicatie steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen. Daarbij merkt de rechter ook op dat [eiser sub 2] indirect bestuurder is van [eiser sub 1] en dat [gedaagde] van plan is hem in het artikel aan te duiden als [naam].

De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af. Volgens de rechter hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat vermelding van de naam [naam] of andere tot [eiser sub 2] herleidbare gegevens leidt tot een acuut en reëel veiligheidsrisico voor hem en zijn familie. Ook de verwijzing naar nationale veiligheid en de “Russische Staat” leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat eisers geen bezwaar hebben tegen vermelding van [eiser sub 1] en via het Handelsregister eenvoudig kan worden achterhaald wie de bestuurders van die vennootschap zijn. Verder weegt mee dat [eiser sub 2] zich volgens door [gedaagde] overgelegde voorbeelden juist publiekelijk profileert in relatie tot Defensie. Volgens de rechter mag worden aangenomen dat de nog te verschijnen publicatie een onderwerp van groot publiek belang betreft. Dat journalisten in beginsel zelf mogen beslissen welke details zij publiceren, waaronder een naam, past volgens de rechter binnen de journalistieke vrijheid, zeker als dat de transparantie, zeggingskracht en controleerbaarheid van de publicatie dient. Ook ziet de rechter op dit moment geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] in het kader van hoor en wederhoor volledig voorbijgaat aan wat [eiser sub 2] naar voren heeft gebracht. Reputatie- en opdrachtschade zijn bovendien onvoldoende aannemelijk gemaakt en niet zonder meer onherstelbaar, omdat eventuele schade in beginsel achteraf met schadevergoeding kan worden gecompenseerd. Daarom bestaat volgens de rechter geen noodzaak om de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in dit geval vooraf te beperken. Ook het verzoek om aanvullende anonimiseringswaarborgen en om het vonnis niet te publiceren wordt afgewezen. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten van € 2.101, te vermeerderen met € 98, betekeningkosten en wettelijke rente.

Het toetsingskader

3.3.

De vorderingen zien op de vermelding van [eiser sub 2] in een voorgenomen publicatie en het ter beoordeling voorleggen van het concept van die publicatie aan eisers. Deze vorderingen kwalificeren als een vorm van voorafgaand toezicht. Dat botst met het censuurverbod van artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet. De toepasselijkheid van deze bepalingen betekent echter niet zonder meer dat een publicatie niet van tevoren mag worden verboden. Als de onrechtmatigheid daarvan voldoende is gebleken, kan ter voorkoming van onherstelbare schade een verbod vooraf worden uitgesproken. Voorafgaande beperkingen van de publicatie brengen echter zulke risico’s op ontoelaatbare inperking van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid met zich, dat de noodzaak daarvan zorgvuldig en kritisch moet worden onderzocht. Een dergelijke inperking moet gerechtvaardigd worden door uitzonderlijke omstandigheden.

3.4.

Zoals hiervoor is aangegeven houden de vorderingen een beperking in van het recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals neergelegd in artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten de wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [eisers c.s] ligt in de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [eiser sub 2] en van zijn eer en goede naam, en dat van [gedaagde] in de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder de persvrijheid. Die uitingsvrijheid brengt mee dat [gedaagde] zich kritisch en waarschuwend moet kunnen uitlaten over zaken en/of misstanden die de samenleving raken. Bij afweging van deze - op zichzelf gelijkwaardige - belangen moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Daarnaast dient een eventuele beperking proportioneel te zijn.

3.5.

Omstandigheden die een rol kunnen spelen zijn onder meer de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben.