Gepubliceerd op dinsdag 12 mei 2026
IEF 23544
Rechtbank Den Haag ||
29 apr 2026
Rechtbank Den Haag 29 apr 2026, IEF 23544; ECLI:NL:RBDHA:2026:10255 ((ANWB Retail tegen Canada Goose c.s.)), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/rb-den-haag-wijst-aanhoudingsverzoek-in-zaak-tussen-anwb-retail-en-canada-goose-af

Rb. Den Haag wijst aanhoudingsverzoek in zaak tussen ANWB Retail en Canada Goose af

Rb. Den Haag 29 april 2026, IEF23544; ECLI:NL:RBDHA:2026:10255 (ANWB Retail tegen Canada Goose c.s.). In deze zaak staat een geschil centraal tussen ANWB Retail en de ondernemingen achter het kledingmerk Canada Goose c.s. over het gebruik van de tekens HUMANATURE en HUMAN NATURE voor kleding. De Rechtbank Den Haag hoefde zich in dit stadium nog niet uit te spreken over de gestelde merkinbreuk, maar besliste wel op een incident waarin Canada Goose c.s. verzocht de procedure aan te houden in afwachting van doorhalingsprocedures (door de rechtbank aangeduid als nietigheidsprocedures) bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE). ANWB Retail, verantwoordelijk voor de retailactiviteiten van de ANWB-groep, is houdster van verschillende HUMAN NATURE-merken voor onder meer kleding in klasse 25. Het gaat onder meer om een Benelux-woordmerk HUMAN NATURE uit 1997 en twee beeldmerken. Canada Goose c.s. beschikt op haar beurt over onder meer het Uniewoordmerk HUMANATURE voor kleding en advertentiediensten en een internationaal woordmerk HUMANATURE voor verschillende waren- en dienstenklassen. Volgens ANWB Retail gebruikte Canada Goose c.s. het teken HUMANATURE op de Nederlandstalige webshop van Canada Goose om kleding aan te prijzen. Ook zou HUMAN NATURE staan op labels van kleding die in Nederland wordt geleverd. ANWB Retail stelt dat daardoor sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub b en sub c BVIE. ANWB Retail beroept zich daarbij op verwarringsgevaar tussen de tekens en op de bekendheid van de HUMAN NATURE-merken, waarvan Canada Goose c.s. volgens haar ongerechtvaardigd voordeel zou trekken. ANWB Retail vordert in de hoofdzaak onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van merkinbreuk, een inbreukverbod, een recall, een bevel richting wederverkopers, opgave van relevante informatie, dwangsommen en winstafdracht of schadevergoeding. Ook vordert zij volledige proceskostenvergoeding op grond van artikel 1019h Rv.

De rechtbank acht zich bevoegd op grond van artikel 4.6 lid 1 BVIE, omdat de gestelde merkinbreuk mede plaatsvindt via een ook in het arrondissement Den Haag te raadplegen website, zodat Den Haag mede kan worden aangemerkt als de plaats waar de in het geding zijnde verbintenis is ontstaan. Kort voordat inhoudelijk verweer werd gevoerd, diende Canada Goose c.s. op 16 maart 2026 bij het BBIE doorhalingsverzoeken in tegen alle drie de HUMAN NATURE-merken van ANWB Retail. In het incident stelde Canada Goose c.s. vervolgens dat de Haagse procedure moest worden aangehouden totdat definitief over de geldigheid van die merken zou zijn beslist. Volgens Canada Goose c.s. zou doorprocederen leiden tot inefficiënte procesvoering, onnodige kosten en het risico op tegenstrijdige beslissingen. De rechtbank gaat daar niet in mee. Zij overweegt dat het BVIE, anders dan de Uniemerkenverordening, geen bepaling bevat die voorschrijft dat een nationale merkinbreukprocedure moet worden geschorst wanneer parallel een nietigheids- of doorhalingsprocedure loopt. Ook proceseconomische redenen rechtvaardigen volgens de rechtbank geen aanhouding. Daarbij weegt mee dat een definitieve beslissing van het BBIE, inclusief eventuele rechtsmiddelen, jaren kan duren. Toewijzing van het aanhoudingsverzoek kan daarom leiden tot onredelijke vertraging van de procedure, hetgeen strijdig is met de taak van de rechter om op grond van artikel 20 Rv tegen vertraging te waken. De incidentele vordering tot aanhouding wordt daarom afgewezen; de beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden. De rechtbank verwijst de hoofdzaak naar de rol, zodat ANWB Retail de producties bij dagvaarding kan overleggen. Een inhoudelijke beoordeling van de gestelde merkinbreuk volgt dus in een later stadium.

4.1. ANWB Retail grondt haar vorderingen op de ANWB-merken. De rechtbank is op grond van artikel 4.6 lid 1 BVIE bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen, omdat de gestelde merkinbreuk mede plaatsvindt via een ook in het arrondissement Den Haag te raadplegen website, zodat Den Haag mede kan worden aangemerkt als de plaats waar de in het geding zijnde verbintenis is ontstaan, als bedoeld in artikel 4.6 lid 1 BVIE.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat het BVIE – anders dan de Uniemerkenverordening (artikel 132 UMVo4) – geen wettelijke bepaling bevat op basis waarvan een bij de rechtbank aanhangige procedure geschorst of aangehouden dient te worden op het moment dat er reeds nietigheidsprocedures ten aanzien van een merk zijn gestart.

4.3. De rechtbank ziet evenmin reden om de procedure aan te houden vanwege proceseconomische redenen. Van proceseconomische voordelen om de procedure aan te houden is niet gebleken. Bovendien dient de rechtbank op grond van artikel 20 Rv te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure. Zoals ANWB Retail terecht heeft aangevoerd kan het jaren duren tot het BBIE een onherroepelijke uitspraak heeft gedaan over de geldigheid van de ANWB-merken, zodat het toewijzen van de vordering tot aanhouding tot een onredelijke vertraging van deze procedure kan leiden. De slotsom is dat de incidentele vordering tot aanhouding zal worden afgewezen.