Gepubliceerd op maandag 23 februari 2026
IEF 23297
Rechtbank Noord-Holland ||
27 nov 2025
Rechtbank Noord-Holland 27 nov 2025, IEF 23297; ECLI:NL:RBNHO:2025:15858 (PERFECT HYGIENE GMBH tegen CONTINENTAL SUPPLY CO B.V.), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/perfect-hygiene-continental-supply-co-afwijzing-kort-geding-wegens-onduidelijke-grondslag-merkinbreuk-en-onrechtmatige-daad

Perfect Hygiene/Continental Supply Co: afwijzing kort geding wegens onduidelijke grondslag merkinbreuk en onrechtmatige daad

Rb Noord-Holland 27 november 2025, IEF 23297; ECLI:NL:RBNHO:2025:15858 (PERFECT HYGIENE GMBH tegen CONTINENTAL SUPPLY CO B.V.). Perfect Hygiene GmbH is exclusief distributeur van onder meer natte doekjes onder het merk Sleepy, geproduceerd door het Turkse [bedrijf], dat zowel voor EER- als niet-EER-markten levert. Perfect Hygiene heeft een volmacht van [bedrijf] om de Sleepy-producten in onder meer Nederland te importeren, distribueren en de rechten en belangen rond die producten te behartigen. Continental Supply Co B.V. is groothandel en levert onder meer Sleepy-producten aan supermarkten en groothandels. De advocaat van Perfect Hygiene trof bij Basis Groothandel Sleepy-doekjes aan die volgens de etikettering bestemd waren voor markten buiten de EER; Basis verklaarde dat deze via Continental waren betrokken. Perfect Hygiene sommeerde vervolgens zowel Continental als Basis tot staking en vorderde in kort geding onder meer een verbod op invoer en verkoop binnen de EER van Sleepy-producten die niet voor de EER bestemd zijn, op straffe van dwangsommen, een uitgebreide rekening- en verantwoordingsplicht (afnemersgegevens, aantallen verhandelde en voorradige producten) en overdracht/afgifte van nog aanwezige voorraad ter vernietiging of verdere bewaring, alsmede proceskosten ex art. 1019 Rv. Aanvankelijk baseerde Perfect Hygiene haar vorderingen op merkinbreuk op grond van art. 9 lid 2 sub a UMVo. Nadat Continental had gewezen op de tegen de Sleepy-merkaanvraag ingestelde opposities, waarvan er één is geslaagd en één nog aanhangig is, wijzigde Perfect Hygiene de grondslag naar onrechtmatige daad. Zij voerde onder meer aan dat het zonder toestemming invoeren en verkopen van niet-EER-producten leidt tot verlies van overzicht over distributiestromen, risico’s bij eventuele product recalls, mogelijke productaansprakelijkheid en aantasting van de integriteit en presentatie van de producten. Daarnaast stelde zij dat, indien de opposities niet zouden slagen, het merkrecht met terugwerkende kracht bescherming zou bieden. Continental voerde onder meer aan dat de eis en grondslagen onduidelijk en wisselend waren (onduidelijk namens wie precies werd opgetreden en of nog een merkenrechtelijke basis werd gehandhaafd), dat van merkinbreuk geen sprake kon zijn wegens het ontbreken van een geldige merkinschrijving, en dat de vereisten van onrechtmatige daad onvoldoende waren gesteld en onderbouwd.

De voorzieningenrechter acht de formele bezwaren over de onduidelijkheid van de stellingen en de wijziging van eis ernstig, maar niet zó zwaarwegend dat de vorderingen reeds om procesrechtelijke redenen moeten stranden. Hij betrekt deze bezwaren bij de inhoudelijke beoordeling. Voor zover Perfect Hygiene zich (nog) beroept op een merkenrechtelijke grondslag, overweegt de rechter dat het merk nog niet geldig is ingeschreven, mede gelet op een geslaagde oppositie en een nog lopende oppositie, en dat merkrechtelijke bescherming eerst ontstaat na inschrijving. De door Perfect Hygiene ingeroepen volmacht verleent haar pas procesbevoegdheid ter bescherming van het merkrecht indien dat recht rechtskracht heeft verkregen. Nu daarvan geen sprake is, kan zij geen vorderingsrecht ontlenen aan die volmacht en kan zij slechts op eigen naam optreden ter bescherming van haar eigen vermogensrechtelijke belangen. De alternatieve grondslag van onrechtmatige daad wordt als onvoldoende uitgewerkt beoordeeld. De gestelde erkenning van Continental dat de litigieuze producten van haar afkomstig zijn is gemotiveerd betwist en niet met verklaringen onderbouwd. Daarnaast is niet concreet toegelicht waarom het invoeren en verkopen van niet-EER-producten, bij gebreke van een geldige merkinschrijving, jegens Perfect Hygiene als zelfstandige normschending onrechtmatig zou zijn. De gestelde risico’s van verlies van distributieoverzicht, product recalls en productaansprakelijkheid zijn onvoldoende feitelijk uitgewerkt, en niet is inzichtelijk gemaakt hoe deze risico’s leiden tot vermogensrechtelijke schade aan de zijde van Perfect Hygiene. Ook het verwijt van heretikettering en non-compliance met regelgeving is niet zodanig geconcretiseerd dat duidelijk wordt welke norm jegens Perfect Hygiene is geschonden en welk eigen belang daardoor wordt geraakt. Omdat zowel de merkenrechtelijke als de onrechtmatige-daadgrondslag onvoldoende dragend zijn, wijst de voorzieningenrechter de vorderingen af. Perfect Hygiene wordt veroordeeld in de proceskosten van Continental, begroot conform de indicatietarieven IE-zaken (80% IE, 20% liquidatietarief) op in totaal € 5.913,40 (inclusief nakosten), te voldoen binnen veertien dagen. De kostenveroordeling wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu dit niet is gevorderd.

4.14. “Perfect Hygiene baseert haar vordering na wijziging van de grondslag mede op onrechtmatige daad. Deze grondslag is echter niet toereikend toegelicht. Het betoog dat Continental zou hebben erkend dat de verhandelde producten van haar afkomstig zijn, berust op een gestelde telefonische mededeling van een afnemer. Continental heeft de erkenning betwist door erop te wijzen dat zij een eenmansbedrijf is en de betreffende persoon nooit heeft gesproken. Perfect Hygiene heeft geen verklaring van deze afnemer overgelegd. De gestelde invoer door Continental staat daarmee evenmin vast. Overigens acht de voorzieningenrechter wel aannemelijk dat de door Continental verhandelde producten van [bedrijf] afkomstig zijn, nu Continental in de door haar gegeven verklaring voor de frustratie van Perfect Hygiene over de aanwezigheid van deze producten daarvan zelf uitgaat.”

4.15. “Perfect Hygiene stelt dat Continental de betrokken producten zonder toestemming of kennis van [bedrijf] binnen de EER in het verkeer brengt, waardoor die producent het overzicht over distributiestromen verliest en bij een waarschuwing of product recall niet adequaat kan handelen. In het midden kan blijven of deze grondslag bij het ontbreken van een rechtsgeldige inschrijving van het betrokken merkrecht überhaupt een rechtmatigheidsverwijt kan dragen. Continental heeft terecht opgemerkt dat Perfect Hygiene niet heeft toegelicht waarom het zo-even omschreven handelen jegens Perfect Hygiene onrechtmatig zou zijn.”

4.16. “Hetzelfde geldt voor de evenmin feitelijk uitgewerkte verwijzing naar de gestelde risico’s van productaansprakelijkheid (art. 6:185 e.v. BW). Ook wat dat betreft is niet duidelijk hoe en waarom die risico’s ten gevolge van de beweerde import zouden toenemen en nog minder hoe de belangen van Perfect Hygiene daardoor worden geraakt.”

4.17. “Dan worden er nog verwijten gemaakt betreffende het opnieuw etiketteren of herverpakken van deze producten. Daarbij wordt verwezen naar niet nader genoemde jurisprudentie van het EU Hof van Justitie – de voorzieningenrechter neemt aan dat gedoeld wordt op C-667/19, ADP Cosmetics – waarin non-compliance met de Cosmeticaverordening (EG) 1223/2009 als onrechtmatige daad aan de orde was. Ook daarvoor geldt echter dat – zonder toelichting, die ontbreekt – niet duidelijk is hoe de vermogensrechtelijke belangen van Perfect Hygiene daardoor worden geraakt. De betrokken normen zien immers op informatieplichten die rusten op de producent van producten die in de EER in het verkeer worden gebracht.”

4.18. “Het voorgaande voert tot de slotsom dat de vordering ook na wijziging niet toewijsbaar is.”