Gepubliceerd op vrijdag 27 maart 2026
IEF 23408
Rechtbank Den Haag ||
12 mrt 2026
Rechtbank Den Haag 12 mrt 2026, IEF 23408; ECLI:NL:RBDHA:2026:5265 (Puma tegen Senguoguo, Psylos1 en China Global Mall), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/kort-geding-puma-tegen-buitenlandse-webshops-over-inbreuk-op-formstrip-merken

Kort geding Puma tegen buitenlandse webshops over inbreuk op Formstrip‑merken

Rb Den Haag 12 maart 2026, IEF 23408; ECLI:NL:RBDHA:2026:5265 (Puma tegen Senguoguo, Psylos1 en China Global Mall). Puma treedt in kort geding op tegen drie buitenlandse partijen (Senguoguo, Psylos1 en China Global Mall) die via webshops vanuit China en Canada sneakers aanbieden in de EU, waaronder Nederland, waarop een strookvormige versiering is aangebracht die volgens Puma vrijwel identiek is aan haar bekende Formstrip‑beeldmerken voor onder meer schoenen. Puma heeft via Nederlandse testaankopen meerdere paren van deze “Inbreukmakende Sneakers” besteld bij de sites psylos1.com en chinaglobalmall.com en stelt dat Senguoguo als groothandel en de twee webshops als wederverkopers betrokken zijn bij het aanbieden en verhandelen van deze producten in de EER. In dit kort geding vordert Puma onder meer een onmiddellijk stakingsbevel voor de gehele EER ten aanzien van het tonen, promoten, aanbieden, verkopen en verhandelen van de inbreukmakende sneakers, een uitgebreide opgave over herkomst, distributiekanalen, aantallen geproduceerde/ingekochte en verkochte sneakers en behaalde winst, alles versterkt met forse dwangsommen, plus een volledige proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv. Volgens Puma is sprake van merkinbreuk op grond van artikel 9 lid 2 onder b UMVo en artikel 2.20 lid 2 onder b BVIE wegens verwarringsgevaar met de Formstrip‑merken; subsidiair beroept zij zich op artikel 9 lid 2 onder c UMVo en 2.20 lid 2 onder c BVIE (ongerechtvaardigd voordeel/afbreuk reputatie en onderscheidend vermogen), én op oneerlijke handelspraktijken en slaafse nabootsing.

De gedaagden verschijnen niet, maar uit diverse FedEx‑ en postbewijzen en e‑mailcorrespondentie leidt de voorzieningenrechter af dat de dagvaardingen hen tijdig hebben bereikt, en dat er spoedeisend belang is bij een voorziening wegens voortdurende (dreigende) inbreuk. Met toepassing van artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag verleent de rechter daarom verstek en acht zich op grond van de UMVo en Brussel I‑bis bevoegd. De voorzieningenrechter oordeelt dat de door Puma overgelegde producties voldoende aannemelijk maken dat de aangeboden sneakers inbreuk maken op de Formstrip‑merken en kwalificeren als oneerlijke handelspraktijken, en wijst het gevorderde stakingsbevel voor de EER toe, met een dwangsom van 5.000 euro per dag/overtreding (of 500 euro per product) tot een maximum van 250.000 euro per gedaagde. De opgavevordering wordt grotendeels toegewezen (herkomst, distributiekanalen en aantallen), maar het onderdeel over winstopgave wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang; daarvoor moet Puma de bodemprocedure afwachten. In de proceskosten past de rechter artikel 1019h Rv en de IE‑indicatietarieven toe, maar omdat de door Puma gespecificeerde hoge kosten niet op de juiste wijze aan de niet‑verschenen gedaagden zijn betekend, wordt aangesloten bij het tarief voor een “normaal” kort geding en worden de kosten begroot op in totaal circa 19.300,71 euro, hoofdelijk te voldoen door gedaagden. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, al het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

4.18. Het spoedeisende karakter van de vorderingen van Puma vloeit voort uit de aard daarvan. De vorderingen strekken er, kort gezegd, toe dat gedaagden een verbod, met de nevenvoorziening van een veroordeling tot het doen van opgave, wordt opgelegd wegens (dreigende) inbreuk op de Formstrip Merken van Puma, welke (dreiging van) inbreuk volgens Puma nog altijd voortduurt.

4.19. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gewaarborgd is dat de dagvaardingen ieder van gedaagden daadwerkelijk hebben bereikt en zo tijdig dat zij nog de mogelijkheid hebben gehad om verweer te voeren. Dat leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat – met toepassing van artikel 15 lid 3 van het Haags Betekeningsverdrag – verstek zal worden verleend tegen gedaagden.