Gepubliceerd op donderdag 18 juni 2026
IEF 23625
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
17 jun 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 17 jun 2026, IEF 23625; ECLI:EU:T:2026:402 ((Parkster tegen EUIPO en Ühisteenused)), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gveu-vernietigt-euipo-besluit-parkeerdiensten-wel-complementair-aan-parkeerapps

GvEU vernietigt EUIPO-besluit: parkeerdiensten wel complementair aan parkeerapps

Gerecht EU 17 juni 2026, IEF 23625; ECLI:EU:T:2026:402 (Parkster tegen EUIPO en Ühisteenused). In deze zaak tussen de Zweedse onderneming Parkster en de Estse onderneming Ühisteenused staat de vraag centraal of diensten voor het aanbieden van parkeerplaatsen soortgelijk zijn aan software, mobiele applicaties en betaaldiensten voor het betalen van parkeergeld. Het Gerecht van de Europese Unie oordeelt dat het EUIPO ten onrechte heeft aangenomen dat van enige soortgelijkheid geen sprake is. Volgens het Gerecht bestaat tussen deze diensten en producten juist een nauwe samenhang, waardoor zij ten minste in geringe mate soortgelijk zijn. Die soortgelijkheid berust specifiek op de complementariteit: ook wanneer de betrokken software en apps niet strikt onmisbaar zijn, is voldoende dat zij belangrijk zijn voor het gebruik van de parkeerdiensten (en omgekeerd) om complementariteit en daarmee een (lage) mate van soortgelijkheid aan te nemen. Het besluit van de Kamer van Beroep wordt daarom vernietigd. De zaak begon met een aanvraag van Ühisteenused voor het Uniewoordmerk PARKNER voor onder meer diensten in klasse 39, waaronder parkeerdiensten, verhuur van parkeerplaatsen en garages, parkeerreserveringen, luchthavenparkeerdiensten en het verstrekken van informatie over parkeren. Tegen deze aanvraag stelde Parkster oppositie in op basis van haar oudere Uniewoordmerk PARKSTER en een Zweeds beeldmerk Parkster, die onder meer zijn ingeschreven voor software voor het betalen van parkeergelden, downloadbare mobiele applicaties voor het betalen van parkeergelden, parkeermeters en betaaldiensten voor parkeergelden via mobiele applicaties. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. De oppositieafdeling gaf Parkster gedeeltelijk gelijk. De aanvraag voor PARKNER werd geweigerd voor de waren en diensten in de klassen 9, 36 en 42, maar de oppositie werd afgewezen voor alle diensten in klasse 39. Volgens de oppositieafdeling bestond voor die diensten geen verwarringsgevaar. Parkster ging daartegen in beroep, maar de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO bevestigde dat oordeel. Zij achtte parkeerdiensten wezenlijk verschillend van software en betaaldiensten voor parkeergelden. Volgens de Kamer van Beroep verschilden de aard, het doel, de gebruikswijze en de distributiekanalen van de betrokken diensten en waren zij evenmin complementair. Dat een parkeerapp gebruikt kan worden om parkeerdiensten toegankelijker te maken, was volgens haar onvoldoende om soortgelijkheid aan te nemen. Het Gerecht stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op artikel 8 lid 1 onder b UMVo zowel sprake moet zijn van overeenstemming tussen de merken als van identieke of soortgelijke waren of diensten. Ontbreekt die laatste voorwaarde, dan kan de oppositie zonder verdere beoordeling worden afgewezen. De beoordeling van soortgelijkheid moet plaatsvinden aan de hand van alle relevante factoren, waaronder de aard van de waren of diensten, hun bestemming, gebruikswijze, onderlinge concurrentieverhouding en eventuele complementariteit. Het Gerecht volgt het EUIPO gedeeltelijk. De betrokken diensten en producten verschillen inderdaad in hun aard en primaire bestemming. Parkeerdiensten zijn gericht op het fysiek beschikbaar stellen van een parkeerplaats of het verstrekken van informatie daarover, terwijl de oudere merken betrekking hebben op software en diensten voor het betalen en beheren van parkeergelden.

Ook vervullen zij verschillende behoeften van consumenten. Daarmee is de beoordeling echter niet afgerond. Volgens het Gerecht heeft de Kamer van Beroep ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van complementariteit. Complementaire waren of diensten zijn waren of diensten waartussen een nauwe band bestaat, in die zin dat de ene onmisbaar of belangrijk is voor het gebruik van de andere, waardoor het publiek kan aannemen dat zij van dezelfde onderneming afkomstig zijn. Het Gerecht overweegt dat parkeerdiensten noodzakelijk zijn voor het functioneren van software, mobiele applicaties en betaaldiensten die specifiek zijn bedoeld voor het betalen van parkeergelden. Zonder een parkeerdienst valt er immers niets te betalen. Omgekeerd zijn dergelijke apps en betaaldiensten in de huidige digitale samenleving van groot belang geworden voor de exploitatie van parkeerdiensten. Dat parkeergeld ook via een parkeermeter of een kassier kan worden betaald, doet daar niet aan af. Het Gerecht wijst erop dat betaling via mobiele applicaties inmiddels een gangbare betaalwijze is geworden. Daarom zijn deze producten en diensten weliswaar niet altijd onmisbaar, maar in elk geval belangrijk voor elkaar. Ook het oordeel van de Kamer van Beroep dat consumenten niet zullen denken dat de betrokken diensten dezelfde commerciële herkomst hebben, houdt geen stand. Het Gerecht wijst erop dat consumenten tegenwoordig regelmatig te maken hebben met één onderneming die zowel een parkeerapp aanbiedt als de mogelijkheid biedt een parkeerplaats te zoeken, te reserveren en te gebruiken. Daarbij is voor de gemiddelde consument niet van belang of die onderneming ook daadwerkelijk eigenaar is van de parkeerplaatsen. De aanbieder van de app wordt dan eveneens gezien als aanbieder van de parkeerdiensten. Dat sommige ondernemingen de ontwikkeling van software uitbesteden aan gespecialiseerde IT-bedrijven verandert niets aan die perceptie. Het EUIPO voerde nog aan dat een ruime uitleg van complementariteit ertoe zou leiden dat houders van merken voor software feitelijk een monopolie krijgen op alle elektronisch aangeboden diensten. Het Gerecht verwerpt dat argument. Deze zaak gaat niet over software in algemene zin, maar over software, mobiele applicaties en betaaldiensten die specifiek zijn bestemd voor het betalen van parkeergelden. Juist die nauw omschreven bestemming maakt dat de complementariteit tussen de betrokken producten en diensten kan worden aangenomen. Het Gerecht concludeert daarom dat de Kamer van Beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat de diensten in klasse 39 niet complementair zijn aan de software, mobiele applicaties en betaaldiensten van de oudere merken en dus niet, althans niet in geringe mate, soortgelijk zouden zijn. Dit geldt volgens het Gerecht voor alle diensten in klasse 39, die de Kamer van Beroep als één geheel had beoordeeld en die in essentie alle zien op het aanbieden van parkeergelegenheid en daarmee samenhangende informatie. Omdat de Kamer van Beroep uitsluitend de soortgelijkheid van de waren en diensten heeft onderzocht en zich nog niet heeft uitgesproken over de overeenstemming van de tekens en het verwarringsgevaar als geheel, vernietigt het Gerecht het bestreden besluit en verwijst het de zaak in feite terug naar het EUIPO voor verdere behandeling.

47 . Om te beoordelen of de betreffende goederen en diensten complementair zijn, moet allereerst worden vastgesteld of er, overeenkomstig de in punt 26 aangehaalde jurisprudentie, een nauw verband bestaat tussen de betreffende goederen en diensten, in die zin dat de ene onmisbaar of belangrijk is voor het gebruik van de andere, en ten tweede of dat nauwe verband zodanig is dat consumenten aan die goederen en diensten dezelfde commerciële oorsprong zouden toeschrijven.

48 . Ten eerste moet, wat betreft de eerste voorwaarde bedoeld in paragraaf 47 hierboven, allereerst worden vastgesteld, zoals blijkt uit paragraaf 21 van de bestreden beslissing, dat de vergeleken goederen en diensten samen gebruikt kunnen worden, een kenmerk dat bovendien niet door de partijen wordt betwist.

49. Wat betreft de vraag of het gebruik van het ene product of de ene dienst onmisbaar of belangrijk is voor het gebruik van het andere, moet worden geoordeeld dat, zoals de aanvrager terecht aanvoert, het aanbieden van parkeerplaatsen, waaronder de meeste diensten in klasse 39 vallen die onder het aangevraagde merk vallen, zoals diensten met betrekking tot autoparkeren, verhuur van garages en parkeerplaatsen, parkeerdiensten in garages en op luchthavens, en voertuigstalling, noodzakelijk – dat wil zeggen onmisbaar – is voor het juiste gebruik en de goede werking van de goederen en diensten die onder de eerdere merken vallen, namelijk software en mobiele applicaties voor de betaling van parkeergelden (klasse 9), parkeermeters (klasse 9) en betaaldiensten voor de betaling van parkeergelden via mobiele applicaties (klasse 36), aangezien de specificatie in de registratie van de eerdere merken software, mobiele applicaties en betaaldiensten 'voor de betaling van parkeergelden' omvat. Het is immers objectief gezien niet mogelijk om via software of een betaaldienst voor parkeren te betalen zonder gebruik te maken van de dienst met betrekking tot parkeren.

50. Wat betreft diensten voor het verstrekken van informatie over parkeerdiensten voor voertuigen en voor het verstrekken van informatie over de verhuur van mechanische parkeersystemen, eveneens in klasse 39, moet worden opgemerkt dat deze diensten ten minste 'belangrijk' zijn voor de goederen en diensten die onder de eerdergenoemde merken vallen.

51. Omgekeerd moeten de diensten die onder de eerdere merken vallen, waaronder software en mobiele applicaties voor de betaling van parkeergelden (klasse 9) en betaaldiensten voor de betaling van parkeergelden via mobiele applicaties (klasse 36), worden geclassificeerd als 'belangrijk' voor de goede werking van diensten met betrekking tot autoparkeren, verhuur van garages en parkeerplaatsen, parkeerdiensten in garages en op luchthavens, voertuigstalling en het verstrekken van informatie in dat verband (klasse 39), die betrekking hebben op het aangevraagde merk.