Gepubliceerd op donderdag 19 maart 2026
IEF 23379
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
10 dec 2025
Gerecht EU (voorheen GvEA) 10 dec 2025, IEF 23379; T‑481/24 (Savencia SA tegen EUIPO, Hofmeister Vermögensverwaltungs GmbH), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/gerecht-eu-vernietigt-beslissing-wegens-onjuiste-beoordeling-onderscheidend-vermogen-3d-merk-van-kaas

Gerecht EU vernietigt beslissing wegens onjuiste beoordeling onderscheidend vermogen 3D-merk van kaas

Gerecht EU 10 december 2025, IEF 23379; IEFbe 4145; T‑481/24 (Savencia SA tegen EUIPO, Hofmeister Vermögensverwaltungs GmbH). In deze zaak staat de vraag centraal of sprake is van verwarringsgevaar tussen een internationaal geregistreerd driedimensionaal merk in de vorm van een kaas en oudere nationale driedimensionale merken van Savencia. Hofmeister had bescherming in de EU aangevraagd voor onder meer melk, zuivelproducten, margarine, eetoliën en eetvetten. Savencia stelde oppositie in op basis van drie oudere nationale 3D-merken, eveneens voor kaas en zuivelproducten. De oppositieafdeling had die oppositie gedeeltelijk toegewezen wegens verwarringsgevaar ten opzichte van een ouder kaas-vormmerk, maar de Kamer van Beroep vernietigde dat oordeel en wees de oppositie alsnog volledig af.

Het Gerecht vernietigt die beslissing. Volgens het Gerecht heeft de Kamer weliswaar formeel geoordeeld dat het oudere merk een zwak onderscheidend vermogen heeft, maar zij heeft dat onderscheidend vermogen in feite alsnog ontkend. De Kamer had immers de wezenlijke vormkenmerken van het oudere merk, zoals de bloemvorm en het centrale gat, als technisch of beschrijvend aangemerkt en daaraan vrijwel geen beschermingsomvang toegekend. Daarmee miskende zij dat aan een geldig ingeschreven nationaal merk in een oppositieprocedure in elk geval een zekere mate van onderscheidend vermogen moet worden toegekend. De geldigheid van een nationaal merk kan in een Uniemerkenprocedure niet indirect ter discussie worden gesteld. Het Gerecht benadrukt dat het EUIPO bij de beoordeling van verwarringsgevaar wel de mate van onderscheidend vermogen van een ouder nationaal merk mag beoordelen, maar niet zover mag gaan dat het dat merk in wezen elk onderscheidend vermogen ontzegt. Dat zou onverenigbaar zijn met het stelsel van co-existentie van Uniemerken en nationale merken. Omdat de Kamer juist dat wel had gedaan, is sprake van een rechtsfout. De bestreden beslissing wordt daarom vernietigd. Het verzoek van Savencia om de beslissing ook inhoudelijk te wijzigen wordt afgewezen, omdat het niet aan het Gerecht is om in de plaats van de Kamer van Beroep opnieuw de volledige verwarringsbeoordeling uit te voeren. Het EUIPO wordt veroordeeld in de proceskosten; interveniënte draagt haar eigen kosten.

35      Aus den vorstehenden Erwägungen ergibt sich, dass die Beschwerdekammer die Unterscheidungskraft der älteren Marke Nr. 1 in Rn. 80 der angefochtenen Entscheidung zwar formal anerkannt zu haben scheint, in anderen Passagen dieser Entscheidung jedoch ausgeführt hat, dass die wesentlichen formgebenden Gestaltungsmerkmale dieser Marke beschreibend seien, was unter Berücksichtigung der Entscheidung als Ganzes im Wesentlichen darauf hinausläuft, die Unterscheidungskraft dieser Marke im Sinne der oben in Rn. 26 angeführten Rechtsprechung zu verneinen.

36      Dieses Ergebnis wird durch das Vorbringen des EUIPO nicht in Frage gestellt. Dieses macht erstens geltend, dass die Beschwerdekammer nicht die Unterscheidungskraft der älteren Marke Nr. 1 als Ganzes verneint habe, sondern lediglich einige ihrer Elemente für nicht unterscheidungskräftig befunden habe.

37      Insoweit ist zum einen darauf hinzuweisen, dass die Beschwerdekammer in Bezug auf die von ihr festgestellten und in Rn. 30 des vorliegenden Urteils angeführten weiteren Merkmale der älteren Marke Nr. 1 – nämlich die Oberflächenstruktur und die weiße Farbe – in Rn. 70 der angefochtenen Entscheidung ausgeführt hat, sie stimme der Beurteilung der Widerspruchsabteilung zu, wonach diese Merkmale rein technisch bedingt (und mithin auch branchenüblich) bzw. lediglich dekorativ seien. Dem hat sie hinzugefügt, jene Merkmale seien typischerweise und zwangsläufig durch den Füll‑, Press- und Reifungsprozess technisch bedingt und somit auch branchenüblich, so dass ihnen jegliche Unterscheidungskraft fehle.

38      Zum anderen hat die Beschwerdekammer, wenngleich sie der älteren Marke Nr. 1 in Rn. 80 der angefochtenen Entscheidung formal eine schwache Unterscheidungskraft zuerkannt hat, daraus keine Konsequenz für die umfassende Beurteilung der Verwechslungsgefahr in Bezug auf die angemeldete Marke gezogen. Vielmehr hat sie die Unterscheidungskraft der älteren Marke Nr. 1 als Ganzes faktisch verneint, indem sie festgestellt hat, dass deren Schutzumfang so gering sei, dass im Vergleich zur angemeldeten Marke bereits kleine Unterschiede in den wenigen gestalterischen Elementen, die nicht technisch oder dekorativ bedingt seien, ausreichten, um darauf zu schließen, dass keine Verwechslungsgefahr vorliege.

39      Daraus folgt, dass die Beschwerdekammer der von der Klägerin als Widerspruchsmarke geltend gemachten älteren Marke Nr. 1 keinen gewissen Grad an Unterscheidungskraft im Sinne der oben in Rn. 25 angeführten Rechtsprechung zuerkannt hat und ihr daher im Hinblick auf die oben in den Rn. 22 bis 26 angeführte Rechtsprechung ein Rechtsfehler unterlaufen ist.

40      Als Zweites trifft es zwar zu, dass das EUIPO und folglich das Gericht – wie das EUIPO im Wesentlichen geltend macht –, wenn gegen die Eintragung einer Unionsmarke ein auf eine ältere nationale Marke gestützter Widerspruch eingelegt wird, zu prüfen haben, in welcher Weise das maßgebliche Publikum das mit dieser nationalen Marke identische Zeichen in der Anmeldemarke auffasst, und gegebenenfalls den Grad der Unterscheidungskraft dieses Zeichens zu beurteilen haben (Urteil vom 24. Mai 2012, Formula One Licensing/HABM, C‑196/11 P, EU:C:2012:314, Rn. 42).

41      Zwar muss das EUIPO im Zuge der in Rn. 40 erwähnten Prüfung nicht zwangsläufig feststellen, dass dem in Rede stehenden Zeichen ein normaler Grad an Unterscheidungskraft zukommt, da sich erweisen kann, dass der Grad an Unterscheidungskraft gering ist (vgl. in diesem Sinne Urteil vom 5. Oktober 2020, Eugène Perma France/EUIPO – SPI Investments Group [NATURANOVE], T‑602/19, nicht veröffentlicht, EU:T:2020:463, Rn. 66).

42      Die in den Rn. 41 und 42 genannten Prüfungen sind jedoch insofern begrenzt, als sie nicht zur Feststellung fehlender Unterscheidungskraft bei einem Zeichen führen dürfen, das mit einer eingetragenen und geschützten nationalen Marke identisch ist, weil eine solche Feststellung weder mit der Koexistenz der Unionsmarken und der nationalen Marken noch mit Art. 8 Abs. 1 Buchst. b der Verordnung 2017/1001, ausgelegt in Verbindung mit Abs. 2 Buchst. a Ziff. ii dieses Artikels, vereinbar wäre (Urteil vom 24. Mai 2012, Formula One Licensing/HABM, C‑196/11 P, EU:C:2012:314, Rn. 44).

43      Anders als das EUIPO geltend macht, hat sich die Beschwerdekammer im vorliegenden Fall jedoch nicht damit begnügt, der älteren Marke Nr. 1 einen gewissen Grad an Unterscheidungskraft zuzuerkennen, der das Minimum an originärer, zur Eintragung eines Zeichens als Marke erforderlicher Unterscheidungskraft unbenommen lässt. Vielmehr hat sie, wie aus den vorstehenden Rn. 30 bis 38 hervorgeht, im Wesentlichen jegliche Unterscheidungskraft dieser Marke verneint, was sie davon abgehalten hat, bei der umfassenden Beurteilung der Verwechslungsgefahr die sich aus dieser Unterscheidungskraft ergebenden Konsequenzen zu ziehen.

Vertaald naar het Nederlands met Deepl:

35      Uit het voorgaande blijkt dat de kamer van beroep het onderscheidend vermogen van het oudere merk nr. 1 in punt 80 van de bestreden beslissing weliswaar formeel lijkt te hebben erkend, in andere passages van die beslissing echter heeft gesteld dat de wezenlijke vormgevende kenmerken van dat merk beschrijvend zijn, hetgeen, gelet op de beslissing in haar geheel, in wezen neerkomt op het ontkennen van het onderscheidend vermogen van dat merk in de zin van de in punt 26 hierboven aangehaalde rechtspraak.

36      Deze conclusie wordt niet betwist door de argumenten van het EUIPO. Het EUIPO voert in de eerste plaats aan dat de kamer van beroep het onderscheidend vermogen van het oudere merk nr. 1 niet in zijn geheel heeft ontkend, maar slechts enkele elementen ervan als niet-onderscheidend heeft aangemerkt.

37      In dit verband moet enerzijds worden opgemerkt dat de kamer van beroep, met betrekking tot de door haar vastgestelde en in punt 30 van het onderhavige arrest genoemde verdere kenmerken van het oudere merk nr. 1 – namelijk de oppervlaktestructuur en de witte kleur – in punt 70 van de bestreden beslissing heeft uiteengezet dat zij het eens was met de beoordeling van de oppositieafdeling, volgens welke deze kenmerken louter technisch bepaald (en dus ook in de branche gebruikelijk) respectievelijk louter decoratief waren. Zij voegde daaraan toe dat die kenmerken typisch en onvermijdelijk technisch bepaald zijn door het vul-, pers- en rijpingsproces en dus ook in de branche gebruikelijk zijn, zodat zij elk onderscheidend vermogen missen.

38      Anderzijds heeft de kamer van beroep, hoewel zij in punt 80 van de bestreden beslissing formeel een zwak onderscheidend vermogen aan het oudere merk nr. 1 heeft toegekend, daaruit geen consequenties getrokken voor de alomvattende beoordeling van het verwarringsgevaar ten aanzien van het aangevraagde merk. Integendeel, zij heeft het onderscheidend vermogen van het oudere merk nr. 1 in zijn geheel feitelijk ontkend door vast te stellen dat de beschermingsomvang ervan zo beperkt was dat, in vergelijking met het aangevraagde merk, reeds kleine verschillen in de weinige vormgevingselementen die niet technisch of decoratief van aard waren, voldoende waren om te concluderen dat er geen gevaar voor verwarring bestond.

39      Hieruit volgt dat de kamer van beroep aan het door verzoekster als oppositiemerk aangevoerde oudere merk nr. 1 geen zekere mate van onderscheidend vermogen in de zin van de in punt 25 hierboven aangehaalde rechtspraak heeft toegekend en dat zij derhalve, gelet op de in de punten 22 tot en met 26 hierboven aangehaalde rechtspraak, een rechtsfout heeft begaan.

40      Ten tweede is het weliswaar juist dat het EUIPO en bijgevolg het Gerecht – zoals het EUIPO in wezen betoogt – wanneer tegen de inschrijving van een Uniemerk oppositie wordt ingesteld op grond van een ouder nationaal merk, moeten beoordelen op welke wijze het relevante publiek het met dat nationale merk identieke teken in het aangevraagde merk waarneemt, en in voorkomend geval de mate van onderscheidend vermogen van dat teken moeten beoordelen (arrest van 24 mei 2012, Formula One Licensing/BHIM, C‑196/11 P, EU:C:2012:314, punt 42).

41      Het EUIPO hoeft in het kader van het in punt 40 genoemde onderzoek weliswaar niet noodzakelijkerwijs vast te stellen dat het betrokken teken een normaal onderscheidend vermogen heeft, aangezien kan blijken dat het onderscheidend vermogen gering is (zie in die zin arrest van 5 oktober 2020, Eugène Perma France/EUIPO – SPI Investments Group [NATURANOVE], T‑602/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:463, punt 66).

42      De in de punten 41 en 42 genoemde toetsingen zijn echter in zoverre beperkt dat zij niet mogen leiden tot de vaststelling van een gebrek aan onderscheidend vermogen bij een teken dat identiek is aan een ingeschreven en beschermd nationaal merk, omdat een dergelijke vaststelling noch verenigbaar is met het naast elkaar bestaan van Uniemerken en nationale merken, noch met artikel 8, lid 1, onder b), van Verordening 2017/1001, uitgelegd in samenhang met lid 2, onder a), ii), van dat artikel (arrest van 24 mei 2012, Formula One Licensing/BHIM, C‑196/11 P, EU:C:2012:314, punt 44).

43      In tegenstelling tot wat het EUIPO aanvoert, heeft de kamer van beroep zich in de onderhavige zaak echter niet beperkt tot het toekennen van een zekere mate van onderscheidend vermogen aan het oudere merk nr. 1, waarbij het minimum aan eigen onderscheidend vermogen dat vereist is voor de inschrijving van een teken als merk, onverlet blijft. Veeleer heeft zij, zoals uit de bovenstaande punten 30 tot en met 38 blijkt, in wezen elk onderscheidend vermogen van dit merk ontkend, hetgeen haar ervan heeft weerhouden om bij de alomvattende beoordeling van het verwarringsgevaar de uit dit onderscheidend vermogen voortvloeiende consequenties te trekken.