5 jun 2026
Geen voorlopige IE-voorziening tegen VIARO wegens ontbreken van spoedeisend belang
Rb. Den Haag 5 juni 2026, IEF 23628; ECLI:NL:RBDHA:2026:14952 (Varo tegen Viaro). Varo vordert in kort geding een EU-wijd verbod op het gebruik door Viaro Energy en RockRose Energy van de tekens VIARO, Viaro Energy, het Viaro-logo en de aanduiding “part of Viaro Group” voor energieproducten en daaraan gerelateerde diensten. Varo beroept zich primair op haar Uniewoordmerk VARO, ingeschreven voor onder meer brandstoffen, olie- en gasproducten, handel, transport, distributie, raffinage en exploratie van energieproducten, en stelt dat sprake is van verwarringsgevaar in de zin van art. 9 lid 2 onder b UMVo. Subsidiair vordert Varo een verbod op het gebruik van Viaro en Viaro Energy als handelsnaam in Nederland. Volgens Varo zijn partijen actief in dezelfde energiesector en dreigt bovendien reputatieschade door negatieve Britse publicaties over de CEO van Viaro. Viaro betwist de gestelde merk- en handelsnaaminbreuk en voert aan dat haar activiteiten hoofdzakelijk plaatsvinden in het Verenigd Koninkrijk en het Noordzeegebied, dat operationele activiteiten worden verricht onder de naam RockRose Energy, dat de aanduiding VIARO in de EU slechts beperkt en in corporate context wordt gebruikt, en dat partijen verschillen in positie binnen de energieketen, producten en klantenkring. De voorzieningenrechter acht zich voor de Uniemerkvordering bevoegd met werking voor de gehele Europese Unie, omdat Viaro buiten de EU is gevestigd en Varo in Nederland; voor de Nederlandse handelsnaamvordering is de bevoegdheid niet betwist.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af zonder een definitief inhoudelijk oordeel te geven over merkinbreuk, handelsnaaminbreuk of verwarringsgevaar. Doorslaggevend is dat Varo onvoldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige verboden. Hoewel spoedeisend belang bij voortdurende of dreigende IE-inbreuk in beginsel aanwezig kan zijn, kunnen concrete omstandigheden dat belang wegnemen. Dat is hier het geval: partijen bestaan al meerdere jaren naast elkaar zonder aantoonbare verwarring in Nederland of de EU; voorshands moet ervan worden uitgegaan dat Viaro in het Verenigd Koninkrijk rechtmatig gebruikmaakt van haar Britse merk en handelsnaam; het gestelde gebruik van de Viaro-tekens in Nederland en de EU is beperkt tot corporate of groepsaanduidingen, zoals op LinkedIn en bij een bijeenkomst in Antwerpen; en Varo heeft na sommaties in 2023 en 2024 onvoldoende voortvarend geprocedeerd. De negatieve Britse perspublicaties over de CEO van Viaro leveren geen nieuw spoedeisend belang op, omdat Varo zelf wijst op vergelijkbare eerdere berichten en geen concreet nadeel stelt. Van Varo kan daarom worden verlangd dat zij een bodemprocedure afwacht. Ook de subsidiaire handelsnaamvordering strandt om dezelfde reden. Varo wordt als verliezende partij veroordeeld in de IE-proceskosten op grond van art. 1019h Rv: de advocaatkosten worden conform het indicatietarief voor een normaal IE-kort geding begroot op € 18.000, terwijl de gevorderde Britse expertkosten niet afzonderlijk worden toegewezen; inclusief griffierecht, tolk-, reis- en nakosten komt de proceskostenveroordeling uit op € 19.774, te vermeerderen met wettelijke rente en eventuele betekeningskosten.
4.4.
Tussen partijen staat vast dat zij al meerdere jaren naast elkaar bestaan, zonder dat dit heeft geleid tot aantoonbare verwarring in Nederland of de Europese Unie. Verder moet er voorshands van worden uitgegaan dat Viaro in het Verenigd Koninkrijk rechtmatig gebruik maakt van haar Britse merk en haar handelsnaam, zodat zij ook buiten het Verenigd Koninkrijk een zeker belang heeft bij het gebruik van haar naam. Daarnaast heeft Viaro aannemelijk gemaakt dat zij haar operationele activiteiten uitvoert onder de naam RockRose Energy en dat het gebruik van de Viaro-tekens in de Europese Unie beperkt is tot gebruik in corporate verband of ter aanduiding van de groep. Viaro heeft bovendien gesteld dat zij het gebruik van de Viaro-tekens in Nederland zoveel mogelijk beperkt, omdat zij weet dat Varo dat gebruik bezwaarlijk vindt. Bij de belangenafweging wordt in het nadeel van Varo in aanmerking genomen dat sinds de eerste sommaties (in 2023 in het Verenigd Koninkrijk en in 2024 in Nederland) veel tijd is verlopen, zonder dat er zicht is geweest op een concreet onderhandelingsresultaat, terwijl er ook nog geen gerechtelijke procedure is gestart. Daarmee heeft Varo niet voortvarend gehandeld.
4.5.
Het door Varo gestelde gebruik van de Viaro-tekens in de Europese Unie, zoals het gebruik op LinkedIn en op de deelnemerslijst van de bijeenkomst in Antwerpen, – al aangenomen dat dit kwalificeert als merkgebruik, hetgeen Viaro betwist – is in ieder geval niet van dien aard dat dit een voorlopig Uniemerkenrechtelijk inbreukverbod rechtvaardigt. Gelet op de aanvankelijk vreedzame co-existentie, het grote tijdsverloop sinds de sommaties van Varo en het beperkte gebruik van de Viaro-tekens in Nederland en de Europese Unie, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter van Varo worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. In die procedure kan Varo een definitief oordeel verkrijgen over de rechtmatigheid van het gebruik van de naam Viaro in de Europese Unie. De door Varo gestelde mogelijkheid dat de nog aanhangig te maken Nederlandse bodemprocedure wordt geschorst in verband met een verweer over het “normaal gebruik” van het Varo-merk, maakt niet dat nu al in dit kort geding een voorlopige voorziening kan worden verkregen. De recente negatieve publicaties in de (Britse) pers over de CEO van Viaro, waarvan Viaro de juistheid overigens betwist, zijn niet te beschouwen als een nieuwe omstandigheid die maakt dat er een (nieuw) spoedeisend belang is ontstaan, al was het maar omdat Varo zelf heeft gewezen op soortgelijke berichten die al dateren uit 2023 en 2024 en zij bovendien niet heeft gesteld dat zij daarvan zelf enig concreet nadeel heeft ondervonden.