Gepubliceerd op woensdag 3 juni 2026
IEF 23591
Rechtbank Den Haag ||
21 mei 2026
Rechtbank Den Haag 21 mei 2026, IEF 23591; ECLI:NL:RBDHA:2026:12616 (IEH tegen GEM c.s.), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-door-enkel-aanbieden-van-ice-gerelateerd-ie-portfolio

Geen merkinbreuk door enkel aanbieden van ICE-gerelateerd IE-portfolio

Rb. Den Haag 21 mei 2026, IEF 23591; ECLI:NL:RBDHA:2026:12616 (IEH tegen GEM c.s.). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag wijst in kort geding de vorderingen van Intercontinental Exchange Holdings af tegen GEM c.s. over het gebruik van ICE-gerelateerde tekens. IEH is houdster van Uniewoordmerken ICE voor onder meer financiële diensten, cryptovaluta, digitale tokens en online marktplaatsdiensten. Zij stelde dat GEM c.s. inbreuk maakte op deze merken door tekens als ICE, ICE Crypto, ICE Carbon en verschillende ICE-domeinnamen te gebruiken voor cryptomunten, handelsplatformdiensten en als handelsnaam. De rechtbank acht zich bevoegd voor de gehele Europese Unie, omdat IEH via Nederlandse dochtervennootschappen een vestiging in Nederland heeft in de zin van de UMVo. Ook is er spoedeisend belang, omdat GEM c.s. haar IE-portfolio actief te koop aanbiedt en naar buiten heeft aangekondigd strategische partners of investeerders te zoeken.

Volgens de voorzieningenrechter is echter geen sprake van merkinbreuk in de zin van art. 9 lid 2 onder a of b jo. art. 9 lid 3 onder a, b en d UMVo. GEM c.s. gebruikt de tekens niet om zelf cryptomunten, handelsplatformen of financiële diensten aan te bieden, maar slechts in het kader van de verkoop van een IE-portfolio bestaande uit merkregistraties, domeinnamen en ondersteunend bedrijfsmateriaal. Dat het verkoopmateriaal wijst op mogelijke toepassingen door toekomstige kopers of investeerders, betekent nog niet dat GEM c.s. die waren of diensten zelf aanbiedt of daarmee dreigt. Ook is geen sprake van handelsnaamgebruik, omdat daarvoor een verband moet bestaan tussen de gebruikte naam en door GEM c.s. verhandelde waren of diensten. Nu dat verband ontbreekt, worden de vorderingen afgewezen en wordt IEH veroordeeld in de proceskosten op grond van art. 1019h Rv.

4.7.

GEM c.s. heeft de stelling van IEH dat GEM c.s. bezig is met de ontwikkeling van een cryptomunt onder de Tekens (waaronder ICE of ICE-T) met het oogmerk om die aan te bieden aan het publiek gemotiveerd betwist. Zij heeft daartoe betoogd dat GEM c.s. thans geen enkele intentie heeft om zelf een cryptomunt te ontwikkelen of aan te bieden. Zij heeft op haar websites slechts een IE-portfolio te koop aangeboden bestaande uit merkregistraties, domeinnamen en bedrijfsmateriaal en daarbij gewezen op de mogelijkheden die dit portfolio potentiële overnemers/investeerders biedt, waaronder de mogelijkheid van het aanbieden van een cryptomunt. IEH heeft haar stellingen vervolgens niet nader onderbouwd. Dit leidt tot de voorlopige conclusie dat het de voorzieningenrechter niet gebleken is dat GEM c.s. op dit moment een cryptomunt onder de Tekens aanbiedt. Ook is het de voorzieningenrechter niet gebleken van een dreiging daartoe. GEM c.s. heeft immers zelf geen intentie om een cryptomunt onder de Tekens uit te geven; zij heeft slechts een voornemen om het IP-portfolio te verkopen. Indien zij haar IP-portfolio verkoopt aan een derde partij en die derde partij vervolgens overgaat tot uitgifte van een cryptomunt onder de Tekens, dan levert dit gebruik van de Tekens op door die derde partij, en dus niet door GEM c.s.

4.8.

Hetzelfde geldt voor het aanbieden van (diensten ter zake van) een of meerdere (handels)platformen. GEM c.s. heeft gemotiveerd betwist dat zij een handelsplatform onder de Tekens aanbiedt of het voornemen heeft dit te doen. Ook dit heeft zij als mogelijkheid voor potentiële overnemers/investeerders vermeld op haar websites waarop het IE-portfolio is aangeboden. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan hieruit niet volgen dat GEM c.s. thans zelf (diensten ter zake van) een handelsplatform onder de Tekens aanbiedt of dit dreigt te gaan doen.

4.9.

Ten slotte is niet gebleken dat GEM c.s. de Tekens gebruikt als handelsnaam in de zin van artikel 9 lid 3 sub d UMVo. Hiervoor is immers vereist dat een handelsnaam zodanig wordt gebruikt dat een verband ontstaat tussen die naam en de door de onderneming verhandelde waren en/of diensten.3 Nu de voorzieningenrechter hiervoor tot het voorlopige oordeel is gekomen dat GEM c.s. geen cryptomunt en/of handelsplatform(diensten) aanbiedt (en er ook geen dreiging bestaat dat zij dit gaat doen), is in dit geval geen sprake van een dergelijk verband tussen handelsnaam en waren/diensten.

4.10.

De voorlopige conclusie uit het voorgaande is dat GEM c.s. de Tekens niet gebruikt voor het aanbieden van de door IEH gestelde waren en diensten en als handelsnaam in de zin van artikel 9 lid 2 in verbinding met artikel 9 lid 3 sub a, b en d UMVo. De voorziengingenrechter zal de vorderingen van IEH daarom afwijzen.