DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op donderdag 2 april 2026
IEF 23431
Rechtbank Amsterdam ||
10 dec 2025
Rechtbank Amsterdam 10 dec 2025, IEF 23431; ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 (Buma/Sena tegen Scoezh, [gedaagde 2], [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding en de curator [gedaagde 2]), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/eindvonnis-na-tussentijds-hoger-beroep-over-bestuurdersaansprakelijkheid-voor-onbetaalde-buma-en-sena-vergoedingen-bij-exploitatie-van-fresh-fm

Eindvonnis na tussentijds hoger beroep over bestuurdersaansprakelijkheid voor onbetaalde Buma- en Sena-vergoedingen bij exploitatie van Fresh FM

Rb. Amsterdam 10 december 2025, IEF 23431; ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 (Buma/Sena tegen Scoezh, [gedaagde 2], [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding en de curator [gedaagde 2]). Deze zaak betreft een eindvonnis na tussentijds hoger beroep in een procedure van Buma en Sena tegen SCOEZH, haar indirect bestuurder dan wel feitelijk beleidsbepaler [gedaagde 2], diens holding en diens curator. Aanleiding is dat SCOEZH de radiozender Fresh FM exploiteerde en over de jaren 2010 tot en met mei 2016 vergoedingen verschuldigd was aan Buma en Sena wegens uitzending van muziek uit hun repertoire, maar die vergoedingen niet betaalde en evenmin de benodigde opgaven deed over inkomsten en muziekgebruik. Daardoor konden Buma en Sena hun vergoedingen niet volledig berekenen en brachten zij in elk geval minimumvergoedingen en voorschotten in rekening. De procedure tegen SCOEZH zelf is geschorst wegens haar faillissement in 2018 en niet door de curator voortgezet. In een eerder tussenvonnis had de rechtbank al geoordeeld dat [gedaagde 2] persoonlijk een ernstig verwijt kon worden gemaakt, maar het hof heeft in zijn arrest van 14 mei 2024 geoordeeld dat dit oordeel prematuur was zolang de hoogte van de vorderingen op SCOEZH nog niet was vastgesteld. Daarom moet de rechtbank nu eerst bepalen welke vorderingen Buma en Sena nog daadwerkelijk op SCOEZH hebben, en pas daarna beoordelen in hoeverre [gedaagde 2] daarvoor persoonlijk aansprakelijk is. Buma en Sena vorderen onder meer een verbod voor [gedaagde 2] om nog inbreuk te (doen) maken op hun rechten, verificatie van hun vorderingen in het faillissement van [gedaagde 2], erkenning daarvan door de curator en een bevel tot aanvullende opgave conform de modelovereenkomst. De rechtbank wijst het gevorderde inbreukverbod toe, maar wijst de gevorderde opgave af omdat die verplichting op SCOEZH rustte en niet op [gedaagde 2] in persoon. Daarna beoordeelt de rechtbank per post welke bedragen nog als vordering op SCOEZH kunnen gelden. Voor Buma accepteert zij onder meer een deel van de vordering uit het oude vonnis van 26 mei 2010, een deel van de voorschotfacturen voor etheruitzendingen en latere proceskostenveroordelingen, maar niet de aanvullende licentievergoeding van € 55.000, omdat die nooit aan SCOEZH is gefactureerd en dus niet opeisbaar is geworden, en ook niet de gevorderde webcastingvergoeding, omdat onvoldoende is gebleken dat SCOEZH daarvoor contractueel of anderszins aansprakelijk was. Voor Sena accepteert de rechtbank een deel van de facturen voor etheruitzendingen, een belangrijk deel van de facturen voor webcasting op basis van de tussen Sena, SCOEZH en [gedaagde 2] gesloten vaststellingsovereenkomst, en een proceskostenveroordeling uit een eerder kort geding. Zo komt de rechtbank uit op een vordering van € 124.403,61 voor Buma en € 60.124,60 voor Sena op SCOEZH.

Vervolgens beoordeelt de rechtbank of [gedaagde 2] persoonlijk voor die schade aansprakelijk is. Zij sluit aan bij haar eerdere, door het hof in stand gelaten uitgangspunten en oordeelt opnieuw dat [gedaagde 2] als indirect bestuurder of feitelijk beleidsbepaler van SCOEZH persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Beslissend is dat hij bewust heeft bewerkstelligd of toegelaten dat SCOEZH structureel haar verplichtingen jegens Buma en Sena niet nakwam, rechterlijke uitspraken negeerde, geen behoorlijke opgaven deed en bovendien via de door hem opgezette structuur inkomsten uit de exploitatie van Fresh FM aan SCOEZH onttrok, zodat die stichting geen verhaal bood voor de verschuldigde vergoedingen. Daarmee heeft hij volgens de rechtbank willens en wetens bewerkstelligd dat Buma en Sena onbetaald bleven. Het beroep van de curator op verjaring slaagt echter gedeeltelijk. De rechtbank oordeelt dat Buma en Sena in elk geval in 2010 al bekend waren met zowel hun schade als met de mogelijk aansprakelijke persoon, zodat alleen schade die is ontstaan na 23 november 2011 nog op [gedaagde 2] kan worden verhaald. Daardoor vallen oudere delen van de vorderingen af. Daarnaast volgt de rechtbank het verweer dat over schadevergoeding geen btw verschuldigd is voor zover Buma die btw had kunnen verrekenen. Na toepassing van die correcties stelt de rechtbank uiteindelijk vast dat in het faillissement van [gedaagde 2] ter verificatie moeten worden erkend: € 50.292,38 voor Buma en € 50.210,97 voor Sena. De curator wordt bevolen deze bedragen te erkennen en op de lijst van erkende crediteuren te plaatsen. Verder verbiedt de rechtbank [gedaagde 2] inbreuk te (doen) maken op de rechten van Buma en de door Sena vertegenwoordigde rechthebbenden. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Alleen de beslissing over de erkenning van de vorderingen in het faillissement wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard; het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

3.28.

De curator [gedaagde 2] en [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding hebben niet meer concreet betwist dat Buma met terugwerkende kracht mocht factureren. Alleen Scoezh (jegens wie zoals gezegd de procedure is geschorst) en [gedaagde 2] hebben bij conclusie van antwoord erop gewezen dat Buma en Sena na 2011 geen voorschotfacturen hebben gestuurd en ook geen opgave van reclame-inkomsten hebben gevraagd en zich op het standpunt gesteld dat het achteraf factureren niet was toegestaan onder het CBO-keurmerk dat in 2015 gold. Scoezh en [gedaagde 2] hebben daarbij evenwel niet concreet gemaakt uit welk beding onder het CBO-keurmerk volgt dat achteraf factureren niet is toegestaan, zodat aan die stelling voorbij wordt gegaan.

3.29.

Buma en Sena hebben ter zitting van 29 september 2025 desgevraagd verklaard dat zij na december 2011 zijn gestopt met het versturen van voorschotfacturen en het verzoeken van opgave van de reclame-inkomsten vanwege de vele procedures die over die onderwerpen moesten worden gevoerd door Buma en Sena tegen Scoezh en [bedrijf] , die ook niet aan die gerechtelijke uitspraken daartoe hebben voldaan. Daarnaast hebben Buma en Sena gewezen op de vaststellingsovereenkomst die Sena enerzijds en Scoezh en [bedrijf] anderzijds hebben gesloten in 2013 waarin Scoezh zich heeft verbonden tot betaling van vergoedingen aan Sena en het doen van opgave van reclame-inkomsten. Scoezh is ook die verplichtingen nimmer nagekomen, aldus steeds Buma en Sena.

3.30.

Onder die omstandigheden is te billijken dat Buma de facturen over 2012, 2013, 2014 en 2015 achteraf heeft laten betekenen aan Scoezh bij exploot van 22 juli 2015. Gerechtelijke uitspraken met veroordelingen tot het betalen voor de rechten op muziek en het opgeven van reclame-inkomsten (op straffe van een dwangsom) leidden immers niet tot nakoming van de verplichtingen door Scoezh. In dat verband wordt verwezen naar de vastgestelde feiten in het tussenvonnis en het arrest. Ook een vaststellingsovereenkomst waarin die verplichtingen (jegens Sena) zijn vastgelegd is niet nagekomen door Scoezh. Over die vaststellingsovereenkomst is een gerechtelijke procedure gevoerd (het vonnis van 11 juni 2015 van de rechtbank [kantoorplaats] , zie 2.15 van het tussenvonnis). Scoezh heeft ook aan de veroordelingen in dat vonnis niet voldaan.

3.31.

Scoezh heeft dus bij voortduring de belangen van Buma en Sena (en van de bij hen aangesloten rechthebbenden) geschonden. Buma (en ook Sena) stond daarom in 2015 voor een volgende gerechtelijke procedure over de verplichtingen van Scoezh en heeft toen door achteraf te factureren de verjaring van de vorderingen over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 gestuit, in het belang van de rechthebbenden voor wie zij optreedt.

3.32.

Dit alles betekent dat ook de achteraf gefactureerde vergoedingen over 2012 tot en met 2015 kunnen worden meegeteld bij de vaststelling van de hoogte van de vorderingen van Buma op Scoezh.

3.33.

De vordering van Buma op Scoezh uit hoofde van de voorschotfacturen wordt daarom begroot op € 81.760,36 minus € 4.608,61 = € 77.151,75, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente tot de dag van faillissement van Scoezh (5 juli 2018). Om proceseconomische redenen zal de rechtbank hier (en ook hierna) de rente schattenderwijs begroten. Het bedrag aan wettelijke rente over € 77.151,75 wordt geschat op 94,3% (deel van de toegewezen hoofdsom in relatie tot de door Buma gestelde hoofdsom) van € 24.874,50 (het door Buma gestelde bedrag aan verschenen wettelijke rente) =
€ 23.456,65. Deze vordering van Buma op Scoezh komt in totaal dus neer op een bedrag van € 100.608,40.

3.34.

Daarbij wordt opgemerkt dat de wettelijke rente twee varianten kent: die uit artikel 6:119 BW (gangbaar “consumentenrente” genoemd) en die uit artikel 6:119a BW (in het taalgebruik aangeduid met “wettelijke handelsrente”). Het is aan de rechter om te bepalen welke wettelijke rente van toepassing is, ongeacht of en hoe de wettelijke rente in de overeenkomst is genoemd.

3.35.

De Modelovereenkomst tussen Buma en Scoezh is een handelsovereenkomst als omschreven in artikel 6:119a BW, zodat de wettelijke rente als bedoeld in dat artikel dient te worden toegepast op achterstallige betalingen. Buma heeft terecht de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW berekend over haar vorderingen op Scoezh. Het verweer van de curator [gedaagde 2] dat geen handelsrente is verschuldigd houdt dus geen stand.