11 feb 2026
Kopieer citeerwijze ||
Athom Holding BV tegen Chuhaiya E-Commerce (Shenzhen) Co. Ltd en EUIPO
Complementariteit in smart‑homeproducten: Gerecht versterkt bescherming van het oudere merk ATHOM tegen ‘athom Smart Home’
Gerecht EU 11 februari 2026, IEF 23288; ECLI:EU:T:2026:119 (Athom Holding BV tegen Chuhaiya E-Commerce (Shenzhen) Co. Ltd en EUIPO). In juni 2022 diende Chuhaiya E-Commerce (Shenzhen) Co. Ltd een aanvraag in bij het EU-merkbureau EUIPO voor een Europese Unie-beeldmerkregistratie ‘athom Smart Home’ die onder meer elektrische plugs, elektrische sockets, elektrische adapters, inductoren, circuit breakers, lichtbollen en guirlandes omvatte. Athom Holding BV, een Nederlandse onderneming, was eigenaar van een eerder internationaal woordmerk “ATHOM” dat onder meer betrekking had op software en apparatuur voor smart home/apparaatautomatisering. Athom voerde oppositie aan tegen de merkregistratie bij EUIPO op grond van artikel 8(1)(b) van Verordening (EU) 2017/1001, stellende dat er sprake was van verwarringsgevaar tussen het aangevraagde merk en het oudere merk door identieke of gelijkaardige goederen. De oppositie werd door de oppositieafdeling deels toegelaten maar afgewezen voor een aantal goederen, en de Board of Appeal van EUIPO handhaafde dat oordeel deels op 3 oktober 2024, oordelend dat vooral de goederen als generieke elektrische componenten geen nauwe relatie hadden met de goederen/diensten van het oudere merk. Tegen die beslissing startte Athom op 3 december 2024 een beroep bij het Gerecht krachtens artikel 263 VWEU, gevorderd dat het Gerecht de beslissing wijzigt door de oppositie volledig toe te wijzen en de registratie van het merk ‘athom Smart Home’ af te wijzen voor de betwiste goederen, en dat EUIPO wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Het Gerecht oordeelt dat de kamer van beroep ten onrechte had geoordeeld dat bepaalde goederen (onder meer elektrische plugs, elektrische sockets, adapters, inductoren, circuit breakers, lichtbollen en guirlandes) niet vergelijkbaar waren met de goederen en diensten van het oudere ATHOM-merk. Het Gerecht voegt uiteen welke factoren relevant zijn bij de beoordeling van overeenstemming of complementariteit van goederen en diensten (aard, gebruiksdoel, distributie, complementariteit) en constateert dat er wel degelijk een nauw verband of complementariteit bestond tussen de elektrische componenten en de software/apparaten van het oudere merk, omdat die producten in smart-home-systemen vaak samen gebruikt worden, via dezelfde verkoopkanalen aangeboden kunnen worden en op dezelfde relevante consumentengroepen zijn gericht. Het Gerecht verklaart de bestreden beslissing gedeeltelijk nietig voor zover de oppositie was afgewezen voor de genoemde goederen en verwijst de zaak terug met de instructie dat de registratietoepassing geweigerd moet worden voor die goederen op grond van artikel 8(1)(b). EUIPO werd veroordeeld in de proceskosten.
45 “Accordingly, in finding that the goods in Class 9 covered by the mark applied for were not closely linked to the goods and services covered by the earlier mark, on the basis that they were not likely to be used as devices connected remotely to manage electrical power, the Board of Appeal made an error of assessment which vitiates its conclusion that those goods and the ‘software applications [downloadable], interfaces, control devices and electronic operating and control devices for automation’ covered by the earlier mark are dissimilar. The Board of Appeal was thus wrong to find that there was no similarity between those goods.”
54 “Accordingly, in finding that it was not likely that ‘light bulbs’ and ‘fairy lights for festive decoration’ would be connected as ‘smart devices’ within a domotic system, the Board of Appeal made an error of assessment which vitiates its conclusion that those goods and the ‘software applications [downloadable], interfaces, control devices and electronic operating and control devices for automation’ covered by the earlier mark are dissimilar. It must therefore be concluded that the Board of Appeal was wrong to find that there was no similarity between those goods.”
55 “It follows from all of the foregoing that the second plea, alleging infringement of Article 8(1)(b) of Regulation 2017/1001, must be upheld, and, accordingly, that the contested decision must be annulled in so far as it dismissed the applicant’s appeal as regards the goods in Classes 9 and 11 covered by the mark applied for, it being unnecessary to examine the first plea.”