Gepubliceerd op maandag 23 februari 2026
IEF 23294
Rechtbank Den Haag ||
11 feb 2026
Rechtbank Den Haag 11 feb 2026, IEF 23294; C/09/681422 / HA ZA 25-217 (ROADGET BUSINESS PTE. LTD. Tegen INTELMAGAZIJN B.V., TARDU B.V., ALVAR B.V., KDER B.V., GROOT B.V., FAMOSO B.V.), https://ie-forum-be.minab.nl/artikelen/brand-outlet-veroordeeld-wegens-grootschalige-shein-merkinbreuk-en-schending-onthoudingsverklaring

Uitspraak ingezonden door Paul Tjiam en Edwin van der Velde, Simmons & Simmons.

Brand Outlet veroordeeld wegens grootschalige SHEIN‑merkinbreuk en schending onthoudingsverklaring

Rb Den Haag 11 februari 2026, IEF 23294; C/09/681422 / HA ZA 25-217 (ROADGET BUSINESS PTE. LTD. Tegen INTELMAGAZIJN B.V., TARDU B.V., ALVAR B.V., KDER B.V., GROOT B.V., FAMOSO B.V.). In deze zaak stelde SHEIN vast dat onder de gezamenlijke handelsnaam Brand Outlet in Nederland in fysieke winkels en pop-up stores op grote schaal SHEIN-kleding werd verkocht. Daarbij werden de SHEIN-merken zonder toestemming van SHEIN gebruikt in gevels, advertenties, winkeluitingen en op prijskaartjes. Brand Outlet had zich eerder in een onthoudingsverklaring tegenover SHEIN verbonden om iedere merkinbreuk te staken, geen SHEIN-producten meer te kopen, te adverteren of te verkopen (behoudens een korte uitverkoopperiode onder strikte voorwaarden), volledige informatie en documentatie te verstrekken over herkomst, voorraad en distributiekanalen, de resterende SHEIN-voorraad te vernietigen en een bijdrage in de kosten van SHEIN te voldoen, een en ander versterkt met aanzienlijke contractuele boetes in de zin van artikel 6:91 BW. Ondanks deze afspraken constateerde SHEIN via test-aankopen en processen-verbaal van deurwaarders dat in meerdere winkels van Brand Outlet nog steeds SHEIN-kleding werd aangeboden en verkocht. Daarbij waren labels vaak afgeknipt, maar bleven de kledingstukken voorzien van QR-codes die naar de SHEIN-website leidden. De voorgeschreven disclaimer ontbrak bovendien of was niet correct aangebracht. In de procedure beriep Brand Outlet zich onder meer op uitputting in de zin van artikel 15 UMVo, stellende dat uitsluitend in de EER in het verkeer gebrachte retourwaren werden verhandeld. Daarnaast voerde zij aan dat (delen van) de onthoudingsverklaring nietig waren wegens strijd met het kartelverbod van artikel 101 VWEU en dat de verklaring vernietigbaar was wegens het ontbreken van echtelijke toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW.

De rechtbank oordeelt dat Brand Outlet op grote schaal merkinbreuk heeft gemaakt in de zin van artikel 9 UMVo door het gebruik van de SHEIN-merken in advertenties, winkeluitingen en als handelsnaam, en ook door het aanbieden en verkopen van SHEIN-kleding zonder toestemming van de merkhouder. Voor zover Brand Outlet zich beroept op uitputting, overweegt de rechtbank dat het enkele stellen dat sprake was van “retourwaren” onvoldoende is voor een geslaagd beroep op artikel 15 UMVo. Van Brand Outlet mocht worden verlangd dat zij concreet en met verifieerbare bescheiden zou aantonen waar de betrokken kleding vandaan kwam en dat deze al met toestemming van de merkhouder in de EER in het verkeer was gebracht. Nu dergelijke concrete herkomstgegevens ontbraken, faalt het uitputtingsverweer. Ten aanzien van het beroep op artikel 101 VWEU oordeelt de rechtbank dat de onthoudingsverklaring in hoofdzaak geldig is. Slechts voor zover het daarin opgenomen algehele verbod op handel in SHEIN-producten ook de verkoop van rechtmatig verkregen, uitgeputte producten zou uitsluiten, is dat beding in strijd met artikel 101 VWEU en daarom nietig op grond van artikel 101 lid 2 VWEU. Dat leidt echter niet tot nietigheid van de gehele overeenkomst. De overige bepalingen, waaronder het staken van merkinbreuk, de informatie- en vernietigingsverplichtingen en de contractuele boetebepalingen, bleven volledig in stand. Ook het beroep op vernietiging wegens het ontbreken van echtelijke toestemming wordt verworpen. Nu Brand Outlet zowel merkinbreuk heeft gepleegd als de onthoudingsverklaring heeft geschonden, wijst de rechtbank vrijwel alle vorderingen van SHEIN toe. Daaronder vielen een merkinbreukverbod, winstafdracht, uitgebreide opgaveverplichtingen, toewijzing van aanzienlijke contractuele boetes vermeerderd met wettelijke rente, en een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv, inhoudende vergoeding van de volledige, redelijke en evenredige IE-proceskosten.

5.62 “Naar de rechtbank begrijpt, wenst Brand Outlet met haar incidentele vordering te bewerkstelligen dat zij bewijs verkrijgt van haar centrale, algemene stelling dat de in de Europese Unie door andere partijen dan SHEIN aangeboden en verhandelde SHEIN-producten allemaal communautaire retourwaren zijn, zodat r steeds sprake is van uitgeputte waar. SHEIN heeft tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd en gesteld dat niet voldaan is aan de vereisten voor toewijzing van een dergelijke vordering. De rechtbank volgt SHEIN in dit standpunt, alleen al omdat Brand Outlet dient immers per afzonderlijk door haar aangeboden en verhandeld SHEIN-kledingstuk te bewijzen dat deze waren zijn uitgeput. De documenten waarvan Brand Outlet inzage vordert, zullen niet bijdragen aan dat bewijs, omdat gesteld noch gebleken is dat deze op enigerlei wijze gerelateerd zijn aan de door Brand Outlet daadwerkelijk aangeboden en verhandelde SHEIN-kleding. De rechtbank verwijst daarnaast naar wat zij in r.o. 5.23 e.v. al heeft overwogen.”

5.63 “Het voorgaande betekent dat de incidentele vordering van Brand Outlet wordt afgewezen. Brand Outlet zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident. De rechtbank sluit ook voor wat betreft deze kosten aan bij de Indicatietarieven in IE-zaken en is van oordeel dat dit incident als zeer eenvoudig is aan te merken. Om die reden zal een kostenveroordeling overeenkomstig het liguidatietarief worden toegekend ten gunste van SHEIN. Dit komt neer op een bedrag van € 1.228,- (2 punten van € 614,- elk).”